Rijke landen negeren het Vluchtelingenverdrag

Is Europa een verwende kleuter?

Wat de opvang van vluchtelingen en de financiering ervan betreft zijn rijke en arme landen afhankelijk van elkaar. Maar zolang Europa dat niet wil erkennen, hebben landen in de regio geen reden om Europa te vertrouwen. Zijn de migratiedeals wel zo’n goed idee?

Ibrahim met zijn zoon bij Bosanska Bojna, het laatste Bosnische dorp voor de grens met Kroatië, 21 januari © Alessio Mamo / Redux / ANP

Migratie is een van de onderwerpen die tijdens de formatie aan de orde moeten komen, aldus Herman Tjeenk Willink in zijn eindverslag. Dat belooft wat. Het vvd-verkiezingsprogramma stelt voor het recht om in Europa asiel te vragen af te schaffen, en asielzoekers op basis van migratiedeals zonder pardon naar landen buiten Europa te sturen. Het Vluchtelingenverdrag kan worden opgezegd of aangepast. Uit de uitgelekte notities van de verkenners Jorritsma en Ollongren bleek dat GroenLinks, dat er tijdens de vorige formatie op het laatste nippertje van af zag om mee te doen aan migratiedeals, het onderwerp migratie deze keer ‘klein’ wil houden – lees: er geen breekpunt van wil maken.

Aan de Europese grenzen gaat het er ondertussen keihard aan toe. The Guardian meldde op 5 mei dat in het afgelopen jaar veertigduizend mensen aan de grens met geweld en zonder enige vorm van procedure werden teruggestuurd. In april documenteerde een coalitie van Europese ngo’s 2162 van zulke gevallen tussen januari en april van dit jaar.1 Deze pushbacks zijn een massale en evidente schending van wat Europese regeringen beweren te doen en waaraan ze zich in hun eigen beleid en regelgeving hebben gecommitteerd, namelijk elk asielverzoek beoordelen, en alleen terugsturen als is vastgesteld dat dat kan zonder mensen bloot te stellen aan onmenselijke behandeling.

In januari van dit jaar werd Italië door het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties veroordeeld wegens schending van het VN-Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten, omdat Italië op 11 oktober 2013 een marineschip opdracht had gegeven om weg te varen van een boot met migranten in nood. Pas toen de boot uren later kapseisde werd het schip naar de plaats van de ramp gestuurd, waar het een uur later aankwam. Toen waren al tweehonderd mensen verdronken. (Even voor de vvd: dit VN-verdrag kan niet worden opgezegd, omdat de opstellers ervan, waaronder Nederland, dat in 1966 een zo onfatsoenlijke gedachte vonden dat ze dat niet mogelijk wilden maken.)

De Europese buitengrenzen waar dit alles zich afspeelt zijn ook de grenzen van Nederland. Het ligt daarom voor de hand dat een nieuwe regering zich buigt over de grote spanning tussen officiële beloftes in beleidsdocumenten, wetten en verdragen en het kennelijke gebrek aan bereidheid van ook de Nederlandse regering (die immers geen kik geeft) om zich daaraan te houden.

Het ligt voor de hand dat daarbij veel belangstelling zal bestaan voor twee ideeën, die erop neerkomen om de regels zo te veranderen dat het meteen wegsturen van migranten mogelijk wordt. Het eerste idee is om met buurlanden migratiedeals te sluiten, waarvan de EU-Turkije-deal uit 2016 en de Italië-Libië-overeenkomst uit 2017 het model zijn. De Turkije-deal geldt als de meest succesvolle, omdat deze ertoe zou hebben geleid dat het aantal mensen dat de Egeïsche Zee overstak sterk terugliep. Kern van de deal was dat asielzoekers door Griekenland naar Turkije worden teruggestuurd, en dat ze ondertussen worden vastgezet op de Griekse eilanden.

Maar eerst moet over de deal een misverstand uit de wereld worden geholpen. We pakken er even de data van de unhcr bij – een aanpak die de vvd moet aanspreken sinds Stef Blok voorstelde om het regeerakkoord te vervangen door een stapeltje Excel-sheets. Wat blijkt: het aantal mensen dat in 2015-2016 de Egeïsche Zee overstak was het hoogst in oktober 2015, en daalde daarna even hard als het gestegen was. Toen de Turkije-deal in maart 2016 gesloten werd, was het aantal bootvluchtelingen al gedaald tot het huidige, lage, niveau. De deal was dus een slimme zet van Mark Rutte (destijds voorzitter van de Europese Raad) en Angela Merkel om een autonome ontwikkeling in het aantal migranten te claimen als het gevolg van stoer beleid.

Maar goed, het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat het strengere optreden van de Turkse politie in het kader van de deal heeft bijgedragen aan het lage aantal bootvluchtelingen sindsdien. Iets vergelijkbaars geldt voor de Libië-deal. Op grond van deze afspraken financiert Italië de opleiding en uitrusting van eenheden van de Libische ministeries van Defensie en Binnenlandse Zaken op het gebied van grensbewaking. De Europese Unie financiert deze activiteiten in twee projecten voor een bedrag van 57.223.927 euro en 28 cent, terwijl Italië zelf ruim twee miljoen euro bijdraagt. Hiermee zijn onder meer boten gekocht voor de kustwacht, die als taak heeft om migranten liefst nog voordat ze de territoriale wateren van Libië hebben verlaten op te pikken en terug te brengen naar Libië. Het effect van deze maatregelen is niet helder, maar zolang het aantal mensen dat oversteekt een beetje binnen de grenzen blijft gelden ze als een succes.

Aan zulke deals kleven drie bezwaren. Allereerst morele en juridische. De Libische kustwacht laat mensen verdrinken, schiet op boten van ngo’s die proberen mensen te redden, en brengt ze terug naar detentiecentra waar de situatie met geen pen te beschrijven is. De unhcren de aan de VN gerelateerde International Organisation for Migration maken om deze redenen bezwaar tegen de Europese steun voor de Libische kustwacht. In Turkije is de situatie van vluchtelingen en asielzoekers minder bar dan in Libië, maar ook daar hebben teruggestuurde asielzoekers geen toegang tot een behoorlijke asielprocedure, worden ze opgesloten, zonder pardon naar hun land van herkomst teruggestuurd, en mogen ze vaak geen contact leggen met hun advocaat. Kortom: mensen terugsturen naar de landen die in aanmerking komen voor migratiedeals betekent dat je ze blootstelt aan onmenselijke behandeling. Dat is juridisch verboden, en moreel moet je dat niet willen.

De Turkije-deal kwam na een forse daling van het aantal migranten © Bron: UNHCR
De Libische kustwacht laat mensen verdrinken en schiet op reddingsboten van ngo’s

De tweede bedenking tegen migratiedeals is geopolitiek van aard. De landen waar de deals mee gesloten worden weten dat Europese regeringen op zoek zijn naar beleidsmaatregelen om zich binnenlands mee te profileren. En daardoor kunnen ze eisen stellen. Nu is het op zich een prima idee als armere landen wat meer macht krijgen. Maar migratiedeals zijn in het geheel niet in het belang van arme landen, omdat ze daarmee een last te dragen krijgen die het veel rijkere Europa al te zwaar vindt. Libische mensenrechtenactivisten gebruikten dat als argument in een proces waarmee ze (zonder succes overigens) probeerden de overeenkomst met Italië uit 2017 te laten opschorten. In functionerende democratieën kan de regering moeilijk migratiedeals sluiten, omdat die op breed protest stuiten. In Mali en Senegal (geen modeldemocratieën, maar met soms invloed van de bevolking) blies de regering zulke deals af onder druk van demonstraties. Alleen autoritaire regeringen zijn bereid om migratiedeals te sluiten. En of het nu een Europees belang is om president Erdogan meer macht te geven is natuurlijk de vraag.

Ook letterlijk krijgen zulke landen wapens in handen. Begin mei werd een Italiaanse visser, in het kader van een visserijconflict, beschoten door een boot van de Libische kustwacht die Italië had geleverd op grond van de migratiedeal. Bovendien, wat je ook van de betrokken regeringen vindt: die hebben inmiddels geleerd dat Europa niet te vertrouwen is bij dit soort afspraken waarin hun eerst het zuur en dan het zoet beloofd wordt. Hoe staat het bijvoorbeeld met de opheffing van de visumplicht die Turkije in 2016 in het vooruitzicht gesteld was? Niets van terechtgekomen, omdat het Europa toen de deal eenmaal gesloten was ineens weer te binnen schoot dat het de Turkse regering te autoritair vond.

Het derde probleem met de deals gaat over de gevolgen. Of ze helpen is zeer de vraag. In 2006 was er een piek in het aantal bootvluchtelingen bij de Canarische Eilanden die kleiner was dan die in 2015 op de Egeïsche Zee, maar die wel dezelfde vorm had: plotselinge stijging, sterke daling. Idem dito tussen Noord-Afrika en Italië in 2009 en 2011. Politici wijten de stijging altijd aan externe factoren en de daling aan hun eigen beleid (zelfs als dat, zoals bij de Turkije-deal, onzin is). De deals hebben misschien (met de nadruk op misschien) op de korte termijn enig effect. Op de langere termijn lijkt het erop dat migratie die wordt veroorzaakt door iets wat met migratiebeleid niets te maken heeft (de oorlog in Syrië, bijvoorbeeld) niet zo zeer wordt beperkt, als wel vooral chaotisch en onvoorspelbaar wordt gemaakt. Het is goed denkbaar dat zonder pogingen om de grenzen te sluiten het aantal Syriërs dat vanuit de zwaar belaste buurlanden zou zijn doorgereisd niet veel groter was geweest, maar geleidelijker was gekomen. Dat was voor Europa gemakkelijker geweest om mee om te gaan, qua opvang en procedures.

In sommige gevallen is het zelfs zo dat de deals de problemen voor Europa actief in stand houden. In Libië bestaat geen effectieve overheid. De macht is in handen van milities die een bepaald grondgebied beheersen. Voorzover er een regering is, is dat een coalitie van een aantal milities. Deze milities beheersen zowel de mensensmokkel als de kustwacht. Zij zullen zich dus met alle plezier door migranten laten betalen voor een illegale overtocht, en vervolgens door de EU om die weer uit zee op te pikken, om ze vervolgens terug te brengen naar kampen die door kompanen gerund worden.

Of de migratiedeals een goed idee zijn is dus de vraag. Een tweede idee dat tijdens de formatie besproken zal worden is om asielzoekers die in Europa arriveren zonder pardon terug te sturen naar een land waarmee een deal is gesloten, en daar een asielprocedure te houden. Het Deense parlement aanvaardde op 3 juni een wetsvoorstel dat het mogelijk maakt om in beginsel alle asielzoekers naar een niet-Europees land te sturen. Op 27 april tekenden Denemarken en Rwanda een deal waarin zij afspreken te zullen samenwerken. De Rwandese asielprocedure zal worden versterkt, maar de manier waarop dat zal gebeuren blijft in het vage.

Iets concreter zijn de afspraken over Deense steun voor het uitbreiden van zaken waar autoritaire staten dol op zijn: hard- en software voor de politie, biometrische identificatie, ‘identiteitsmanagement’. Het memorandum zegt niets concreets over de vraag of Rwanda bereid is Deense asielzoekers op te nemen, en evenmin iets over een asielprocedure. Het is onduidelijk wat er gebeurt met mensen die als vluchteling erkend worden, of hoe er zal worden omgegaan met mensen wier asielverzoek wordt afgewezen. Door deze vaagheden is Rwanda, ondanks de ketelmuziek, voorlopig geen serieuze optie.

In 2013 sloot Israël een deal met Rwanda en Oeganda om daar Eritrese en Soedanese vluchtelingen heen te sturen. Daar kwam na een beperkt aantal uitzettingen in 2018 een eind aan, onder veel onduidelijkheid maar in ieder geval mede doordat deze twee landen niet meer wilden meewerken aan gedwongen verwijderingen.

Een ander voorbeeld is het zogeheten Emergency Transit Mechanism (etm), waarmee mensen uit de horrorkampen in Libië geëvacueerd worden naar Rwanda en Niger. In Niger waren midden vorig jaar ruim 3200 mensen opgevangen. Aanvankelijk werden ze in de hoofdstad Niamey gehuisvest. Maar later werden ze overgebracht naar een kamp in Hamdallaye, waar ze aangewezen zijn op internationale hulp, en dus (want zo gaan die dingen) blootstaan aan hitte, wind en regen, gebrek hebben aan eten, drinken, en ook aan medicijnen (en dat terwijl er in het gebied malaria heerst). De unhcr meldde dat ruim 2400 vluchtelingen in andere landen zijn hervestigd (de technische term voor het overnemen van vluchtelingen uit overbelaste landen). Van Nigerijnse collega’s begrijp ik dat het onduidelijk is wat er moet gebeuren met mensen wier asielverzoek is afgewezen, en met mensen die wel als vluchteling erkend zijn maar die rijke landen niet willen hebben. In Rwanda is het plan om vijfhonderd mensen uit Libië op te vangen. Dat is overigens een dure grap; de unhcr heeft daar 10,5 miljoen dollar voor nodig – 21.000 per persoon.2 Het Australische beleid om asielzoekers over te brengen naar Nauru en Papoea-Nieuw-Guinea kost Australië zelfs 9305 Australische dollar (5985,21 euro) per persoon per dag.

Alle bestaande voorbeelden, de Deense voorstellen incluis, blinken dus uit door onduidelijkheid. Onduidelijk is wie verantwoordelijk is voor de asielprocedure, en na afloop daarvan is onduidelijk welk land verantwoordelijk is voor hervestiging of (bij afwijzing) terugsturen naar het land van herkomst.

Straks is Libanon, waar één op de vijf mensen vluchteling is, zélf een bron van vluchtelingen

Je zou denken: dat kan beter. Maar dat miskent het probleem waar de vaagheid uit voortkomt. Rijke landen hebben geen zin om ‘echte’ vluchtelingen op te vangen, en hebben dat eigenlijk ook nooit gehad. Rijke landen hebben ook al geen zin in afgewezen asielzoekers, omdat ze er niet in slagen die terug te sturen naar hun land van herkomst. Aan de andere kant vinden arme landen dat zij hun deel al ruimschoots bijdragen. Ze vangen tachtig tot negentig procent van alle vluchtelingen ter wereld op.

De Turkse poging in maart vorig jaar om een stroom Syrische vluchtelingen richting Europa te ontketenen werd in Europa algemeen als cynische machtspolitiek beschouwd. Maar Turkije herbergt ruim drie keer zo veel (3,6 miljoen) Syrische vluchtelingen als de hele EU bij elkaar (ruim een miljoen). Zulke landen vinden het potsierlijk dat rijke landen zich niet aan hun beloftes houden. Niet aan de politieke belofte uit de slotakte van het Vluchtelingenverdrag om overbelaste landen ruimhartig te helpen door hervestiging. Niet aan de belofte om de opvang van vluchtelingen in arme landen te financieren (dat blijft sinds jaar en dag steken rond de vijftig procent).3 En nou willen ze zich ook al niet aan het Vluchtelingenverdrag houden, en in plaats daarvan asielzoekers bij hen dumpen.

Dit wordt in Afrika en het Midden-Oosten in brede kring gezien als gedrag van een verwende kleuter. Europees beleid probeert een belang voor deze landen te scheppen om naar het pijpen van Europese landen te dansen met behulp van financiële aanmoediging of diplomatiek fronsen met wenkbrauwen. De arme landen proberen het geld binnen te halen, trekken zich van het gefrons weinig aan, maar vinden het Europese beleid nog steeds volstrekt niet legitiem. En daar valt in te komen.

Kortom, de ideeën die er zijn om de zaak eens heel anders aan te pakken zijn niet alleen moreel en juridisch problematisch, ze hebben ook weinig kans op succes. Bovendien gaat deze wijn al dertig jaar lang in nieuwe zakken. De rijke landen proberen het vluchtelingenbeleid te voeren dat hen het best uitkomt en hebben weinig belangstelling voor gedane beloftes. Dat arme landen dit met recht en reden onbehoorlijk vinden interesseert ze niet, en ze denken daar wat aan te kunnen doen met een zak geld. Wat rijke landen niet onder ogen zien is dat er, zoals de Turks-Amerikaanse professor in de politieke wetenschappen en de filosofie aan Yale University Seyla Benhabib het vorig jaar noemde, op het gebied van vluchtelingen tussen rijke en arme landen sprake is van interdependentie – irritant woord, maar het vat wel samen wat er aan de hand is.

De grens tussen Marokko en de Spaanse enclave Ceuta, 1 juni © Antonio Sempere / Europa Press / Getty Images

De meeste vluchtelingen zijn op drift geraakt als gevolg van militaire interventies van rijke landen (Afghanistan, Irak, Libië), of als gevolg van conflicten die eindeloos duren doordat rijke landen hun lokale zetbazen steunen, maar niet genoeg om de oorlog te winnen (Syrië, Somalië, Jemen). Niet alleen die landen zelf, maar ook hele regio’s worden zo gedestabiliseerd, zoals de Sahel na de interventie in Libië in 2011. De troepen die Frankrijk en de VN er daarna naartoe stuurden zijn vooral olie op het vuur.

De vluchtelingen die van deze acties het gevolg zijn verblijven grotendeels in eigen land, of in buurlanden. Zolang de situatie daar niet al te bar is, blijven de meeste mensen daar. Als ze net gevlucht zijn, zijn ze ervan overtuigd dat de gewapende gekkigheid niet lang zal duren. Tegen de tijd dat ze beseffen dat de oorlog langer gaat duren, hebben velen al weer wortel geschoten op de plek waar ze zijn.

Nu zijn er landen waar zoveel vluchtelingen zijn dat het gewoon niet meer gaat. Libanon, met 6,8 miljoen inwoners, herbergt al driekwart eeuw Palestijnse vluchtelingen, momenteel ruim tweehonderdduizend. Sinds 2011 nam Libanon ruim 850.000 Syriërs op (al zal dat aantal hoger liggen omdat de unhcr van de regering sinds 2015 geen nieuwe Syrische vluchtelingen meer mag registreren). Dat betekent dat één op de vijf mensen in Libanon vluchteling is. Dat gaat gewoon niet. Het is in het belang van Libanon dat een heleboel vluchtelingen hervestigd worden. En dat is ook in het belang van rijke landen, omdat die vluchtelingen anders op een goed moment in die chaotische pieken als in 2015 komen aanzetten. Verder is het aantal vluchtelingen in Libanon zo ver over de grens van wat kan dat het risico bestaat dat Libanon destabiliseert en zelf een bron van vluchtelingen wordt.

Het is logisch dat vluchtelingen ofwel terug gaan als de zaak weer veilig is (dat gebeurt dan met alle plezier), óf dat ze integreren in het buurland waar ze naartoe vluchtten, óf dat ze (als dat allebei niet kan) in een land verder weg worden hervestigd. Het is in het belang van het land waar vluchtelingen zijn dat hun status en hun opvang goed geregeld zijn, omdat er anders gedonder van komt. Dat is ook in het belang van de rijke landen, omdat de vluchtelingen anders hun kant op dreigen te komen. Voor de financiering daarvan zijn de arme landen afhankelijk van de rijke; en om te voorkomen dat vluchtelingen naar Europa trekken, zijn de rijke landen afhankelijk van de arme. Hier liggen, zou je zeggen, mogelijkheden voor een win-win-situatie. Eigenlijk zouden landen hier afspraken over moeten maken, en je zou er een internationale organisatie voor moeten hebben.

Kenia herbergt al decennia Somaliërswaar de rijke landen níet voor betalen

Die afspraken zijn er dan ook al zeventig jaar – neergelegd in het Vluchtelingenverdrag. En die organisatie is er zelfs al 71 jaar: de United Nations High Commissioner for Refugees. Ze is opgezet als aanpak voor de grote groepen vluchtelingen waar ze destijds mee zaten: Duitsers, Palestijnen, vluchtelingen in Korea, India en Pakistan, in Frankrijk en Italië. Ze zaten er net zo mee in hun maag als landen tegenwoordig. Maar ze constateerden dat er weinig anders op zat dan de zaak met z’n allen te rooien en sloten daarom ruziënd en wel een compromis, waarna ze (er is niets nieuws onder de zon) op volle kracht achteruit onderhandelden.

Politicus in ruste Piet Hein Donner (geen linkse rakker) en academicus Maarten den Heijer merkten vorig jaar op dat mensen niet vluchten vanwege het Vluchtelingenverdrag, maar uit vrees voor oorlog of vervolging. Opzegging of aanpassing van het verdrag zal het vluchtelingenvraagstuk niet doen verdwijnen. Ze concluderen dan ook dat het Vluchtelingenverdrag de basis biedt voor de broodnodige samenwerking die in het belang is van landen in de regio én van de rijke landen.

Dat achteruit onderhandelen door de rijke landen is nu een beetje uit de hand gelopen. Daardoor dreigen landen waar veel vluchtelingen verblijven er nu ook de brui aan te geven. Kenia was bijvoorbeeld in 2016 bijzonder verontwaardigd dat Turkije zes miljard voor vijf jaar (ruim 16.500 euro per vluchteling) kreeg toegeschoven om Syrische vluchtelingen op te vangen, terwijl Kenia al decennia Somaliërs herbergt waar de rijke landen de rekening niet voor betalen. Om haar standpunt kracht bij te zetten kondigde de Keniaanse regering aan alle vluchtelingenkampen te sluiten en de Somaliërs terug te sturen. Als dat gebeurd was, was een deel van hen naar Europa gekomen. Gelukkig voor Somaliërs én Europa stak de Keniaanse rechter daar op grond van het Vluchtelingenverdrag een stokje voor.

Kortom: wie wil voorkomen dat vluchtelingen in plotselinge pieken de Europese grenzen binnenkomen, wil opvang in de regio ruim financieren, en wil ook ruim hervestigen. Dat vereist samenwerking tussen de rijke landen onderling, en de Europese Unie (of een coalition of the willing daarbinnen, aangevuld met landen als Canada) legt daarbij een behoorlijk gewicht in de schaal. Nederland kan, om te helpen zo’n coalitie aan de praat te krijgen, twee stappen zetten.

Ten eerste de financiering. Europese landen zijn overgestapt van het financieren van de unhcr als organisatie op financiering van vooral individuele projecten. Dat maakt het voor de unhcr moeilijk om, zoals het Vluchtelingenverdrag hem opdraagt, onafhankelijk toezicht te houden op de naleving van het Vluchtelingenverdrag en dat achteruit onderhandelen een beetje binnen de perken te houden. Bij projectfinanciering moet de uitvoerder immers veel preciezer naar het pijpen van de financier dansen dan bij core funding. En dat is natuurlijk ook precies waarom Nederland en andere landen de overstap naar projectfinanciering maakten. Al is Nederland met geld voor de unhcr relatief genereus. De overstap naar projectfinanciering was een slecht idee, want een kleuterklas heeft een robuuste juf of meester nodig. Nederland kan dus besluiten om de unhcr te vragen hoeveel ze de komende jaren nodig hebben en, na controle of er niks raars in de begroting staat, zonder morren zijn deel betalen. Dat deel kun je berekenen op basis van een verdeelsleutel aan de hand van het aantal inwoners en het bruto binnenlands product van de donorstaten.

Ten tweede hervestiging. Nederland heeft de afgelopen jaren het miserabele aantal van vijfhonderd vluchtelingen per jaar hervestigd. En als er dan anderhalf kind en een paardenkop van de Griekse eilanden kwamen, moesten die daar nog vanaf. Dat kan beter. De unhcr meldt dat anderhalf miljoen vluchtelingen hervestigd moeten worden. Dat aantal is zo hoog omdat er in de afgelopen jaren veel te weinig hervestigd is. Deze achterstand kan niet in één jaar worden weggewerkt, maar vijf jaar lang driehonderdduizend vluchtelingen hervestigen kan wel.

Op de achterkant van een sigarendoosje gerekend zou Europa per jaar honderdduizend mensen moeten opnemen. Omdat Nederland vier procent van de inwoners van de EU herbergt, zou Nederland er jaarlijks vierduizend nemen – misschien wat meer omdat Nederland relatief rijk is. En als niet alle landen meedoen, zouden het er meer worden. Het gaat daarbij niet om mensen die onverwacht in Ter Apel op de stoep staan, maar waar je je op kunt voorbereiden. Het is ook in het belang van Nederland dat die achterstand bij hervestiging zo snel mogelijk wordt ingelopen, omdat die het risico op een plotselinge instroom van asielzoekers vergroot.

De vvd zal zeggen: eerst migratiedeals en alle asielzoekers meteen terugsturen, en pas daarna ruime financiering en hervestiging. Maar zo werkt het niet; het zou een miskenning zijn van de interdependentie waar Benhabib op wijst. De landen waar deals mee gesloten zouden moeten worden hebben al onredelijk veel voor hun kiezen. Rijke landen hebben er juist ook zelf belang bij om hen te hulp te schieten. Zolang ze dat niet metterdaad erkennen, is er voor landen in de regio geen enkele reden om Europa te vertrouwen, laat staan om maatregelen te accepteren die niet in hun belang zijn. Een reëel beleid is om ruim te financieren en te hervestigen. Dat is fair tegenover de landen die nu de bulk van de vluchtelingen herbergen, maar verlicht ook de druk op opvang in de regio en beperkt daardoor het risico op abrupte instroom in Europa. Daarvoor wil je het Vluchtelingenverdrag niet amenderen of opzeggen, maar ruimhartig toepassen.


Thomas Spijkerboer is hoogleraar migratierecht aan de Vrije Universiteit