Essay De eurocrisis

Is Europa te redden?

Het was een mooi idee, een gezamenlijke munt. Maar in tijden van crisis kan het een molensteen om de nek van Europa zijn, legt econoom en Nobelprijswinnaar Paul Krugman uit. Nu zijn er nog vier opties, waarvan er drie eigenlijk geen optie zijn.

NOG NIET ZO lang geleden konden Europeanen met recht zeggen dat de huidige economische crisis in feite de voordelen aantoonde van hun economische en sociale model. Net als Amerika kende Europa een ernstige inzinking in de nasleep van de wereldwijde financiële crisis; maar de menselijke kosten van die inzinking leken in Europa veel lager dan in Amerika. In een groot deel van Europa hielpen wetten over ontslag van werknemers het banenverlies te beperken, en sterke sociale-bijstandsprogramma’s maakten dat zelfs werklozen hun gezondheidszorg en een basisinkomen behielden. Het bruto binnenlands product van Europa is dan misschien net zo gedaald als het onze, maar de Europeanen kenden zeker niet dezelfde ellende als wij. En dat doen ze nog steeds niet.
Toch zit Europa in een diepe crisis - omdat de grootste trots van het continent, de gezamenlijke munteenheid die de meeste Europese landen hebben ingevoerd, in gevaar is. Erger nog, het lijkt steeds meer op een valstrik. Ierland, nog niet zo lang geleden binnengehaald als de Keltische Tijger, worstelt om niet failliet te gaan. Spanje, tot voor een paar jaar een bloeiende economie, heeft nu een werkloosheid van twintig procent en het vooruitzicht van jaren van pijnlijke, schrijnende deflatie.
Het tragische van de Europuinhoop is dat de creatie van de euro het hoogtepunt moest zijn van een grootse en nobele onderneming: generaties lang had men zich ingespannen om vrede, democratie en gedeelde welvaart te brengen naar een continent dat in verleden en heden door oorlog is verscheurd. Maar de architecten van de euro, die helemaal opgingen in hun geliefde project, sloten liever de ogen voor de aardse problemen die een gezamenlijke munt onvermijdelijk zou tegenkomen - ze negeerden waarschuwingen, die meteen in het begin klonken, dat Europa de instituties miste die een gemeenschappelijke munt werkbaar zouden moeten maken. Liever deden ze aan magisch denken en gedroegen zich alsof de nobelheid van hun missie boven zulke zorgen verheven was.
Het gevolg is een tragedie, niet alleen voor Europa, maar voor de hele wereld, waarvoor Europa een cruciaal rolmodel is. Hoe kon dat gebeuren?
Het begon allemaal met kolen en staal. Op 9 mei 1950 zou de nieuwe Gemeenschap voor Kolen en Staal een toekomstige oorlog tussen Duitsland en Frankrijk ‘niet alleen ondenkbaar, maar zelfs wezenlijk onmogelijk’ maken. En het zou een eerste stap zijn op weg naar een 'Europese eenwording’. Het resulteerde uiteindelijk in een tolunie waarbinnen alle goederen vrij werden verhandeld: de EEG. Toen werden Griekenland, Spanje en Portugal erbij gehaald na de val van hun dictaturen, en Oost-Europa na de val van het communisme.
In de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw ging die 'verbreding’ gepaard met een 'verdieping’, doordat Europa veel van de obstakels begon te verwijderen die een volledige economische integratie in de weg stonden. Grenzen werden geopend; vrijheid van beweging werd gegarandeerd, en product-, veiligheids- en voedselwetten werden geharmoniseerd, een proces dat onsterfelijk werd gemaakt in de Euroworst-aflevering van de tv-serie Yes Minister, waarin de minister in kwestie wordt verteld dat onder de nieuwe Europese regels het vertrouwde Britse worstje zich niet langer kwalificeert als een worst en moet worden omgedoopt in de Geëmulgeerde Vetrijke Slachtafval Koker.
De creatie van de euro werd uitgeroepen tot de volgende logische stap in dit hele proces. Opnieuw zou economische groei worden gestimuleerd door daden die ook de Europese eenheid zouden versterken.
De voordelen van een enkele Europese munteenheid waren duidelijk. Je hoefde niet langer geld te wisselen als je in een ander land kwam; geen onzekerheid meer bij importeurs over wat een contract uiteindelijk zou kosten of bij exporteurs over wat de beloofde betaling werkelijk waard zou zijn. Ondertussen zou de gedeelde munt het gevoel van Europese eenheid versterken. Wat kon er misgaan?
Jammer genoeg was het antwoord dat valuta-unies zowel kosten als baten hebben. En er sprak veel minder voor een enkele Europese munt dan voor een enkele Europese markt - iets wat Europese leiders liever negeerden.

IN DE INTERNATIONALE monetaire economie is men het vaak oneens. Maar de debatten spelen zich niet af langs de gebruikelijke ideologische scheidslijnen. Hard rechts geeft vaak de voorkeur aan hard geld - liefst een gouden standaard - maar naar links neigende Europese politici zijn enthousiaste voorstanders van de euro geweest. Liberale Amerikaanse economen, ook ikzelf, geven vaak de voorkeur aan vrij zwevende nationale munteenheden die meer ruimte laten voor activistisch economisch beleid - met name het verlagen van de rente en het vergroten van de geldvoorraad om recessies te bestrijden. Toch kwam het klassieke argument voor flexibele wisselkoersen van niemand anders dan Milton Friedman.
Stel, je bent een land waar, zoals in het tegenwoordige Spanje, onlangs de lonen en de prijzen zijn opgedreven door een huizenbubbel, die vervolgens knapte. Nu moet je die kosten weer omlaag zien te krijgen. Maar ook lonen en prijzen drukken is erg moeilijk: niemand wil de eerste zijn met een salarisverlaging, vooral niet zonder de garantie dat ook de prijzen zullen dalen. Na twee jaar van intens lijden zijn de Ierse lonen enigszins gedaald, hoewel Spanje en Griekenland nog maar nauwelijks aan het proces zijn begonnen. Het is een heikele zaak.
Maar als je nog je eigen munt hebt, hoef je niet de langdurige pijn te lijden van loonsverlagingen: je zou gewoon je munt kunnen devalueren - de waarde ervan verminderen tegenover andere munten - en je zou een de facto loondaling bewerkstelligen.
Zullen werknemers de facto loondalingen door devaluatie niet net zo hard afkeuren als expliciete verlagingen van hun loon? De geschiedenis leert van niet. In de huidige crisis kostte het Ierland twee jaar van ernstige werkloosheid om een verlaging van zo'n vijf procent van het gemiddelde loon voor elkaar te krijgen. Maar in 1993 bracht een devaluatie van de Ierse pond een onmiddellijke verlaging van tien procent van Ierse salarissen gemeten in de Duitse munt.
Dus terwijl er voordelen zijn aan een gezamenlijke munt zijn er ook belangrijke potentiële voordelen aan het behouden van je eigen munt. En alles hangt af van onderliggende voorwaarden.
Aan de ene kant hangen de voordelen van een gedeelde munt af van hoeveel handel erdoor zou worden beïnvloed.
Ik noem dit de IJsland-Brooklyn-kwestie. IJsland, met slechts 320.000 inwoners, heeft zijn eigen munt, en daardoor heeft het land waardevolle manoeuvreerruimte. Dus waarom is Brooklyn, met ongeveer acht keer zo veel inwoners als IJsland, dan niet een nóg betere kandidaat voor een zelfstandige munt? Het antwoord is dat Brooklyn, dat midden in de stad New York en niet midden in de Atlantische Oceaan ligt, een economie heeft die diep verstrengeld is met die van aangrenzende buurten. En inwoners van Brooklyn zouden een hoge prijs betalen als ze geld moesten wisselen elke keer als ze zaken deden in Manhattan of Queens.
Dus landen die veel zaken met elkaar doen kunnen veel te winnen hebben bij een gezamenlijke munt.
Aan de andere kant, zoals Friedman opmerkte, betekent het vormen van een munt-unie het opofferen van flexibiliteit. Hoe zwaar is dat offer? Dat hangt ervan af. Laten we kijken naar wat op het oog een vreemde vergelijking is tussen twee kleine, geplaagde economieën.
Afgezien van het klimaat, het landschap en de geschiedenis hebben Ierland en de staat Nevada veel gemeen. Het zijn allebei kleine economieën van een paar miljoen mensen en zeer afhankelijk van de verkoop van goederen en diensten aan hun buren. (De buren van Nevada zijn andere Amerikaanse staten, die van Ierland andere Europese naties, maar de economische implicaties zijn grotendeels hetzelfde.) Allebei waren het in het afgelopen decennium groei-economieën. Allebei hadden ze een enorme huizenbubbel, die op pijnlijke wijze barstte. Allebei kennen ze nu een werkloosheid van ongeveer veertien procent. En allebei zijn ze lid van grotere valuta-unies: Ierland is deel van de eurozone, Nevada deel van de dollarzone, ook bekend als de Verenigde Staten van Amerika.
Maar de situatie van Nevada is veel minder hopeloos dan die van Ierland. Ten eerste hoeft Nevada, anders dan Ierland, zich niet druk te maken over de kosten van de bail-out, het redden, van banken, niet omdat de staat grote verliezen op leningen heeft vermeden maar omdat die verliezen voor het grootste deel niet Nevada’s probleem zijn. En zo is Nevada verantwoordelijk voor een disproportioneel deel van de verliezen die zijn opgelopen door Fannie Mae en Freddie Mac, de door de overheid gesponsorde hypotheekbedrijven - verliezen die, zoals betalingen voor sociale zekerheid en gezondheidszorg, zullen worden gedekt door Washington, niet door Carson City.
En er is nóg een voordeel als je een Amerikaanse staat bent: het ligt voor de hand dat het werkloosheidsprobleem van Nevada in de komende paar jaar veel kleiner zal worden door migratie uit de staat vandaan, zodat er zelfs als de verloren banen niet terugkomen minder werknemers zullen zijn die jagen op het overgebleven werk. Tot op zekere hoogte zal Ierland gebruikmaken van dezelfde veiligheidsklep, omdat Ierse burgers weggaan op zoek naar werk elders en werknemers die tijdens de boom-jaren naar Ierland kwamen, zullen vertrekken. Maar Amerikanen zijn extreem mobiel; als historische patronen iets voorspellen, zal door emigratie de werkloosheid in Nevada binnen een paar jaar terug in lijn worden gebracht met het Amerikaanse gemiddelde, zelfs als de banengroei in Nevada achterblijft bij de groei in het land als geheel.
Al met al, ook al zijn Ierland en Nevada binnen hun respectieve muntzones bijzonder pechvolle gevallen geweest, de vooruitzichten voor de middellange termijn zijn voor Nevada een stuk beter.

WAT HEEFT DAT allemaal te maken met de zaak voor of tegen de euro? Welnu, toen de gezamenlijke Europese munteenheid voor het eerst werd voorgesteld, was een voor de hand liggende vraag of die euro net zo goed zou werken als de dollar hier in Amerika deed. En het antwoord was duidelijk nee - om precies de redenen die de Ierland-Nevada-vergelijking laat zien. Europa is niet fiscaal geïntegreerd: Duitse belastingbetalers nemen niet automatisch een deel van de Griekse pensioenen of de Ierse bank-bail-outs voor hun rekening. En terwijl Europeanen het recht hebben om zich vrij te verplaatsen op zoek naar werk maakt in de praktijk onvolmaakte culturele integratie - vóór alles het gebrek aan een gemeenschappelijke taal - werknemers minder geografisch mobiel dan hun Amerikaanse evenknieën. >
En nu zien we waarom vele Amerikaanse (en enkele Britse) economen altijd sceptisch zijn geweest over het europroject. Economen in Amerika hadden lange tijd het belang van bepaalde voorwaarden voor een valuta-unie benadrukt - de bekendste, Robert Mundell van Columbia, hamerde op het belang van arbeidsmobiliteit, terwijl Peter Kenen, mijn collega aan Princeton, de nadruk legde op het belang van fiscale integratie. We weten dat Amerika een valuta-unie heeft die werkt, en we weten waarom die unie werkt: omdat ze samenvalt met een natie - een natie met een grote centrale overheid, met een gemeenschappelijke taal en met een gedeelde cultuur. Europa heeft niets van dat alles, waardoor vanaf het begin getwijfeld kon worden over de vooruitzichten van een enkele munteenheid.
Die observaties zijn niet nieuw: alles wat ik hierboven heb gesteld was al bekend in 1992, toen het Verdrag van Maastricht het europroject in gang zette. Dus waarom werd het project voortgezet? Omdat het idee van de euro tot de verbeelding sprak van de Europese elites. Behalve in Engeland, waar Gordon Brown Tony Blair ervan overtuigde dat ze het niet moesten doen, waren politiek leiders in heel Europa in de greep van het project, waren er bijna verliefd op, zodanig dat iedereen die zijn scepsis kenbaar maakte, werd gezien als een zonderling.
NA DE INTRODUCTIE werd de euro na korte tijd een belangrijke internationale munt: de euro-obligatiemarkt stak al snel de dollar-obligatiemarkt naar de kroon; eurobiljetten begonnen de wereld rond te gaan. En de invoering van de euro bracht een nieuw gevoel van vertrouwen, met name in die Europese landen die door de geschiedenis heen waren beschouwd als investeringsrisico’s. Pas later werd duidelijk dat die golf van vertrouwen het aas vormde in een gevaarlijke valstrik.
Griekenland, met zijn lange geschiedenis van wanbetaling en golven van hoge inflatie, was het treffendste voorbeeld. Tot eind jaren negentig werd de fiscale geschiedenis van Griekenland weerspiegeld in de opbrengsten van de obligaties van het land: investeerders kochten alleen obligaties die waren uitgegeven door de Griekse regering als die een veel hogere rente uitkeerden dan obligaties uitgegeven door regeringen die werden beschouwd als een veilige investering, zoals die van Duitsland. Naarmate het debuut van de euro dichterbij kwam smolt de risicopremie op Griekse obligaties echter weg. Per slot van rekening, zo werd gedacht, zou de Griekse schuld gauw immuun zijn voor de gevaren van inflatie: de Europese Centrale Bank zou daarvoor zorgen. En het was onvoorstelbaar dat een lid van de pas gemunte monetaire unie failliet zou gaan, toch?
Sterker nog, halverwege 2000 was vrijwel alle angst voor problemen die specifiek bij een land hoorden van het Europese toneel verdwenen. Griekse obligaties, Ierse obligaties, Spaanse en Portugese obligaties - ze werden allemaal verhandeld alsof ze net zo veilig waren als Duitse obligaties. Het aura van vertrouwen strekte zich zelfs uit tot landen die nog niet aan de euro meededen maar waarvan werd verwacht dat ze zich in de nabije toekomst zouden aansluiten: in 2005 kon Letland, dat hoopte in 2008 de euro in te voeren, bijna net zo goedkoop lenen als Ierland. (De overgang naar de euro van Letland is voorlopig afgeblazen, hoewel het naburige Estland zich op 1 januari aansloot.)
Terwijl rentetarieven in heel Europa dichter bij elkaar kwamen, gingen de voormalige hoge-rentelanden, heel voorspelbaar, zich te buiten aan buitenproportioneel lenen. (Die leenwoede werd, dat moeten we niet vergeten, grotendeels gefinancierd door banken in Duitsland en andere traditioneel lage-rentelanden; dat is de reden dat de huidige schuldproblemen van de Europese periferie ook een groot probleem zijn voor het Europese bankensysteem als geheel.) In Griekenland was het voornamelijk de overheid die hoge schulden opbouwde. Maar elders waren private spelers de grote leners. Ierland, zoals ik zei, kende een enorme onroerend-goed-boom: huizenprijzen stegen met 180 procent tussen 1998, net voor de euro werd ingevoerd, en 2007. De prijzen in Spanje stegen bijna evenveel. Er waren ook booms in die nog-niet-euro-landen: geld stroomde binnen in Estland, Letland, Litouwen, Bulgarije en Roemenië.
Het was een onstuimige tijd, en niet alleen voor de leners. Eind jaren negentig kende de Duitse economie een depressie als gevolg van lage vraag bij binnenlandse consumenten. Maar ze herstelde zich in het volgende decennium, dankzij een exportgroei aangevuurd door de uitgeefwoede van de Europese buurlanden.
Kortom, alles leek van een leien dakje te gaan: de euro werd uitgeroepen tot een groot succes.
En toen barstte de bubbel.
Je hoort nog steeds mensen praten over de wereldwijde economische crisis van 2008 alsof het iets was dat was geproduceerd in Amerika. Maar Europa dient net zo goed de rekening te krijgen. Dit was, zo u wilt, een Noord-Atlantische crisis, met weinig te kiezen tussen puinhopen van de Oude Wereld en de Nieuwe. De Verenigde Staten hadden hun subprime-leners, die ofwel ervoor kozen om hypotheken te nemen die te hoog waren voor hun inkomen, ofwel werden misleid om dat te doen; Europa had haar economieën in de periferie, die op vergelijkbare wijze veel meer leenden dan ze zich konden veroorloven om te kunnen terugbetalen.
In Europa kwam de eerste golf schade door het instorten van onroerend-goed-bubbels, die de werkgelegenheid in de periferie-economieën verwoestte. In 2007 was de bouw verantwoordelijk voor dertien procent van de totale werkgelegenheid in zowel Spanje als Ierland, ruim twee keer zo veel als in de Verenigde Staten. Dus toen de bouw-booms knarsend tot stilstand kwamen, stortte de werkgelegenheid in. De algehele werkgelegenheid daalde met tien procent in Spanje en veertien procent in Ierland; de Ierse situatie zou overeenkomen met het verlies van zo'n twintig miljoen banen hier.
Maar dat was slechts het begin. Eind 2009, terwijl een groot deel van de wereld zich herstelde van de financiële crisis, ging de Europese crisis een nieuwe fase in. Eerst Griekenland, toen Ierland, vervolgens Spanje en Portugal: ze leden dramatische verliezen in het vertrouwen van investeerders en ervoeren derhalve een significante stijging van de kosten om krediet te kunnen krijgen.
Toch zijn er ook andere landen - met name de Verenigde Staten en Engeland - die schulden hebben opgebouwd die, als percentage van het bbp, vergelijkbaar zijn met de schulden van Spanje en Ierland. Maar zij ervoeren niet eenzelfde verlies aan vertrouwen bij kredietverstrekkers. Wat is er dan zo anders aan de eurolanden?
Een mogelijk antwoord is 'niets’: misschien worden we over een paar dagen wakker en ontdekken we dat de markten Amerika mijden, net zoals ze Griekenland mijden. Maar het echte antwoord is waarschijnlijk meer structureel: het is de euro zelf die Spanje en Ierland zo kwetsbaar maakt. Want deelnemen aan de euro betekent dat deze landen door middel van deflatie weer concurrerend moeten gaan worden, met alle pijn die dat veronderstelt.
Maar zelfs als landen met succes de lonen omlaag brengen, wat nu gebeurt in al de eurocrisis-landen, lopen ze tegen een ander probleem aan: inkomens dalen, maar de schuld doet dat niet.
Zoals de Amerikaanse econoom Irving Fisher bijna tachtig jaar geleden al opmerkte, kan de botsing tussen het verlagen van lonen en onveranderde schuld een economische teruggang nog veel erger maken. Stel dat de economie achteruit gaat, om wat voor reden dan ook: de uitgaven lopen terug en de prijzen en de lonen doen dat ook. Maar de schulden niet, dus moeten debiteuren aan dezelfde verplichtingen voldoen met een kleiner inkomen; daartoe moeten ze nog meer bezuinigen op hun uitgaven, waardoor de economie nog verder inzakt. De manier om aan die vicieuze cirkel te ontsnappen, zei Fisher, was monetaire expansie die deflatie voorkomt. En in Amerika en Engeland proberen respectievelijk de Federal Reserve en de Bank of England exact dat te doen. Maar Griekenland, Spanje en Ierland hebben die optie niet; ze hebben niet eens hun eigen geld, en hoe dan ook hebben ze deflatie nodig om hun begroting rond te krijgen.
En dus is er een crisis. Ongeveer in de loop van het afgelopen jaar raakte eerst Griekenland en toen Ierland verstrikt in een vicieuze financiële cirkel: terwijl potentiële kredietgevers het vertrouwen verloren, steeg de rente die ze moesten betalen over de schuld, waardoor toekomstperspectieven ondermijnd raakten, wat weer leidde tot een verder verlies van vertrouwen en een nog hogere rente. Sterkere Europese landen konden een onmiddellijke implosie alleen vermijden door Griekenland en Ierland noodkredieten te verschaffen en ze voorlopig private markten te laten omzeilen. Maar hoe zal dit alles gaan uitpakken?

SOMMIGE ECONOMEN, onder wie ikzelf, hebben het gevoel, als ze kijken naar de rampspoed van Europa, dat ze deze film al eens eerder hebben gezien, een decennium terug op een ander continent, om precies te zijn: in Argentinië.
Anders dan Spanje of Griekenland gaf Argentinië nooit zijn eigen munt op, maar in 1991 deed het het op één na beste: het bevroor zijn munt drastisch ten opzichte van de Amerikaanse dollar en stelde een 'valutaraad’ in die tegenover elke peso die circuleerde één dollar in reserve hield. Dat zou moeten verhinderen dat Argentinië terugviel in zijn oude gewoonte om schulden te dekken door geld bij te drukken. En gedurende een groot deel van de jaren negentig werd Argentinië beloond met veel lagere rentes en een grotere toevloed van buitenlands kapitaal.
Maar uiteindelijk gleed Argentinië af naar een langdurige recessie en verloor het vertrouwen van investeerders. De Argentijnse regering probeerde dat vertrouwen te herstellen door rigoureuze fiscale orthodoxie, en ze sneed in de uitgaven en verhoogde de belastingen. Om tijd te winnen om de bezuinigingen een positief effect te laten hebben, vroeg en kreeg Argentinië grote leningen van het Internationaal Monetair Fonds - veelal op dezelfde manier als Griekenland en Ierland noodkredieten hadden gevraagd van hun buren. Maar de onhoudbare neergang van de Argentijnse economie, gecombineerd met deflatie, frustreerde de inspanningen van de overheid, juist toen hoge werkloosheid leidde tot groeiende onrust.
Toen het begin 2002 was geworden, na woedende demonstraties en een run op de banken, klapte het allemaal in elkaar. De koppeling tussen de peso en de dollar stortte in, waarbij de peso duikelde; ondertussen loste Argentinië zijn schulden niet af, en betaalde uiteindelijk niet meer dan zo'n 35 cent per dollar.
Het is moeilijk om niet te denken dat iets dergelijks in het verschiet kan liggen voor een of meer van de Europese probleemeconomieën. Per slot van rekening lijkt het beleid dat nu wordt gevoerd door de crisislanden, in elk geval kwalitatief, erg op het beleid dat Argentinië probeerde te voeren in zijn wanhopige poging de peso-dollar-koppeling te redden: keiharde fiscale bezuinigingen om het vertrouwen van de markt terug te winnen, gesteund in Griekenland en Ierland door officiële leningen die zijn bedoeld om tijd te rekken totdat private kredietverstrekkers het vertrouwen herwinnen. En als ten slotte een resultaat-Argentijnse-stijl wacht, dan zal dat een verschrikkelijke klap zijn voor het europroject. Is dat wat er gaat gebeuren?
Niet per se. Volgens mij zijn er vier manieren waarop de Europese crisis zich zou kunnen ontwikkelen (en dat kan in verschillende landen op verschillende manieren gebeuren). Laten we ze als volgt noemen: volharden, herstructurering van schulden, volledig op z'n Argentijns, en hernieuwd Europeanisme.
Volharden: het is voorstelbaar dat Europese economieën in moeilijkheden crediteuren gerust zouden kunnen stellen door genoeg bereidheid te tonen om pijn te lijden en daardoor zowel wanbetaling als devaluatie te vermijden. De rolmodellen zijn hier de Baltische landen: Estland, Litouwen en Letland. Die landen zijn klein en arm naar Europese maatstaven; ze willen heel erg graag de langetermijnvoordelen binnenhalen die volgens hen gepaard gaan met deelname aan de euro en onderdeel worden van een groter Europa. En dus waren ze bereid om zeer strenge fiscale besparingen te verdragen terwijl de lonen geleidelijk omlaag gaan in de hoop dat de concurrentiepositie wordt hersteld - een proces dat in Eurospeak 'binnenlandse devaluatie’ heet.
Is zulk beleid succesvol geweest? Dat hangt af van hoe je 'succes’ definieert. De Baltische staten zijn, tot op zekere hoogte, erin geslaagd markten gerust te stellen, die hen inmiddels beschouwen als minder riskant dan Ierland, laat staan Griekenland. Ondertussen zijn de lonen gedaald, met een afname van vijftien procent in Letland en meer dan tien procent in Litouwen en Estland. Maar dit alles heeft een enorme prijs gevraagd: de Baltische staten hebben neergangen van Depressie-niveau ervaren wat productie en werkgelegenheid betreft. Het klopt dat ze nu weer aan het groeien zijn, maar alles wijst erop dat het vele jaren zal duren voordat ze het verloren terrein weer zullen goedmaken.
Het zegt iets over de huidige staat van Europa dat veel officials de Baltische staten beschouwen als een succesverhaal. Ik merk dat ik Tacitus citeer: 'Ze maken een woestijn en noemen het vrede’ - of, in dit geval, regeling. Maar toch is dit één manier waarop de eurozone zonder schade zou kunnen overleven.
Herstructurering van schulden: op het moment van schrijven leverden Ierse tien-jaar-obligaties ongeveer negen procent op, terwijl Griekse tienjarige 12,5 procent opbrachten. Op hetzelfde moment leverden Duitse tien-jaar-obligaties - die net als Ierse en Griekse obligaties in euro’s worden benoemd - minder dan drie procent op. De boodschap van de markten was duidelijk: investeerders verwachten niet dat Griekenland en Ierland hun schulden volledig gaan betalen. Ze verwachten, met andere woorden, een of andere soort van herstructurering van schulden, zoals de herstructurering die de schuld van Argentinië reduceerde met tweederde.
Zo'n herstructurering van schulden zou zeker niet een eind aan de pijn maken van een geplaagde economie. Neem Griekenland: zelfs als de regering al haar schulden zou weigeren te betalen, zou ze nog steeds moeten snijden in de uitgaven en de belastingen moeten verhogen om de begroting rond te krijgen, en ze zou nog steeds de pijn van deflatie moeten lijden. Maar een herstructurering van schulden zou de vicieuze cirkel van afnemend vertrouwen en toenemende rentekosten kunnen doorbreken en mogelijk binnenlandse devaluatie tot een werkbare zij het genadeloze strategie maken.
Eerlijk gezegd zie ik niet echt hoe Griekenland een herstructurering van schulden kan vermijden, en voor Ierland is het niet veel beter. De echte vraag is of zulke herstructureringen zich zullen uitbreiden naar Spanje en - het werkelijk angstaanjagende vooruitzicht - naar België en Italië, die zwaar in de schulden zitten maar tot nu toe een ernstige vertrouwenscrisis hebben weten te vermijden.
Volledig op z'n Argentijns: Argentinië verzuimde niet simpelweg om zijn buitenlandse schuld te betalen, ook liet het zijn koppeling met de dollar los, waardoor de waarde van de peso met meer dan tweederde daalde. En die devaluatie werkte: vanaf 2003 ervoer Argentinië een snel, door de export geleid, economisch herstel.
Het Europese land dat het dichtst in de buurt kwam van het volledig op z'n Argentijns doen, is IJsland, waarvan de bankiers buitenlandse schulden hadden opgelopen die vele malen het nationale inkomen van het land bedroegen. Anders dan Ierland, dat zijn banken probeerde te redden door garant te staan voor hun schulden, dwong de IJslandse regering de buitenlandse crediteuren van zijn banken schulden te accepteren en beperkte daardoor de schuldenlast. En door de banken niet hun schulden te laten betalen, haalde het land een hoop buitenlandse schulden uit zijn nationale boeken.
Op hetzelfde moment profiteerde IJsland van het feit dat het niet meedeed met de euro en nog steeds een eigen munt had. Het werd al snel meer concurrerend door zijn munt scherp te laten dalen tegenover andere valuta, inclusief de euro. De lonen en prijzen van IJsland gingen snel zo'n veertig procent omlaag in verhouding tot die van zijn handelspartners, waardoor een groei in de export en een krimping in de import werd geïnitieerd die hielp de klap van het instorten van de banken te compenseren.
De combinatie van wanbetaling en devaluatie heeft IJsland geholpen om de schade van zijn bankencatastrofe te beperken. In termen van werkgelegenheid en productie heeft IJsland het iets beter gedaan dan Ierland en veel beter dan de Baltische landen.
Zullen één of meer Europese landen in moeilijkheden dus dezelfde weg gaan? Daartoe zouden ze een groot obstakel moeten overwinnen: het feit dat ze, anders dan IJsland, niet langer hun eigen munteenheid hebben. Zoals Barry Eichengreen van Berkeley opmerkte in een invloedrijke analyse uit 2007 zou een land uit de eurozone dat er zelfs maar op hintte dat het de munt zou verlaten een verwoestende run op zijn banken veroorzaken, omdat spaarders zo snel mogelijk hun geld naar veiliger plaatsen wilden brengen. En Eichengreen concludeerde dat door dat 'procedurele’ obstakel om eruit te stappen de euro niet meer terug te draaien was.
Maar van Argentinië’s koppeling aan de dollar werd ook gedacht dat die niet terug te draaien was, en grotendeels om dezelfde reden. Wat uiteindelijk devaluatie mogelijk maakte was het feit dat er een run op de banken kwam hoewel de overheid volhield dat één peso altijd één dollar waard zou blijven. Die run dwong de Argentijnse regering een grens te stellen aan geldopnames, en zodra die beperkingen van kracht waren, was het mogelijk de waarde van de peso te wijzigen zonder een tweede run te veroorzaken. Iets dergelijks is niet gebeurd in Europa - nog niet. Maar het ligt zeker binnen de mogelijkheden, vooral nu de pijn van bezuinigingen en binnenlandse devaluatie voortduurt.
Hernieuwd Europeanisme: de vorige drie scenario’s waren grimmig. Is er hoop op een minder wreed resultaat? Als dat al zo is, zou het in moeten houden dat er verdere belangrijke stappen worden gezet in de richting van die 'Europese eenwording’ die Robert Schuman zestig jaar terug wilde.
Begin december creëerden Jean-Claude Juncker, premier van Luxemburg, en Giulio Tremonti, de minister van Financiën van Italië, een storm met hun voorstel om 'E-bonds’ in het leven te roepen, Euro-obligaties, die zouden worden uitgegeven door een Europees schuldenagentschap op verzoek van individuele Europese landen. Omdat die obligaties zouden worden gegarandeerd door de Europese Unie als geheel zouden ze economieën in de problemen een manier bieden om vicieuze cirkels van dalend vertrouwen en stijgende leenkosten te vermijden. Aan de andere kant zouden ze mogelijk regeringen laten lijden onder elkaars schulden - een punt dat woedende Duitse ambtenaren meteen aanvoerden. De Duitsers zijn onvermurwbaar en willen niet dat Europa een 'betalingsunie’ wordt, waarin sterkere regeringen en naties als vanzelf hulp bieden aan de zwakkere.
Toch, zoals de vergelijking tussen Ierland en Nevada liet zien, werken de Verenigde Staten als een valuta-unie grotendeels omdat het land eveneens een betalingsunie is, waarin staten die niet bankroet zijn gegaan de staten helpen die dat wél zijn. En het is moeilijk te zien hoe de euro kan werken tenzij Europa een manier vindt om iets dergelijks te bewerkstelligen.
Niemand stelt vooralsnog voor dat Europa overgaat op iets dat lijkt op de fiscale integratie van de VS; het plan van Juncker en Tremonti zou op z'n best een kleine stap in die richting zijn. Maar Europa lijkt er nog niet klaar voor om zelfs maar die bescheiden stap te zetten.

VOORLOPIG IS HET plan in Europa om iedereen te laten volharden - dat betekent dat Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje zullen moeten doen als Letland en Estland. Dat was het duidelijke vonnis van de meest recente bijeenkomst van de Europese Raad, waar Angela Merkel, de Duitse kanselier, in wezen alles kreeg wat ze verlangde. Regeringen die niet kunnen lenen op de private markt zullen leningen krijgen van de rest van Europa - maar alleen op strakke voorwaarden: mensen zeggen dat Ierland een financiële injectie krijgt, maar het moet bijna zes procent rente betalen over dat noodkrediet. Er zullen geen Euro-obligaties zijn; er zal geen betalingsunie komen.
Zelfs als dit uiteindelijk werkt op de manier waarop binnenlandse devaluatie heeft gewerkt in de Baltische landen - dat wil zeggen, in die beperkte zin dat de problematische economieën in Europa wanbetaling en devaluatie vermijden - zal het een onaangenaam proces zijn, waarna een groot deel van Europa nog jarenlang in een diepe depressie zal zitten. Ook zullen er politieke repercussies zijn, omdat het Europese publiek de instituties van het continent ziet als - afhankelijk van waar ze zetelen - ofwel betrokken bij het redden van wanbetalers, ofwel afgezanten van harteloze collecteurs van rekeningen.
Noch kan de rest van de wereld smalend blijven kijken naar de ellende van Europa. Gezien als geheel is de Europese Unie, en niet Amerika, de grootste economie van de wereld; de Europese Unie is volledig gelijkwaardig aan Amerika in het leiden van het mondiale handelssysteem; Europa is de belangrijkste bron van de wereld voor buitenlandse hulp. Een Europa in moeilijkheden is slecht voor iedereen.
In elk geval is de kans groot dat de huidige volhardingsstrategie niet zal werken, zelfs niet in de beperkte zin van het vermijden van wanbetalingen en devaluatie - en het feit dat het niet zal werken zal eerder vroeg dan laat duidelijk worden. Op dat punt zullen de sterkere landen van Europa een keuze moeten maken.
Het is zestig jaar geleden dat de verklaring van Schuman Europa op de weg naar grotere eenheid zette. Tot vandaag is de reis langs die weg, hoe langzaam ook, altijd in de goede richting gegaan. Maar dat zal niet meer zo zijn als het europroject mislukt. Een mislukte euro zou Europa niet terugbrengen naar de dagen van mijnenvelden en prikkeldraad - maar het zou een mogelijk onherroepelijke klap betekenen voor de hoop op echte Europese eenwording.
Zullen de sterke landen van Europa dat dus laten gebeuren? Of zullen ze de verantwoordelijkheid aanvaarden, en waarschijnlijk de kosten, voor het onderhouden van hun buren? De hele wereld wacht op het antwoord.

Paul Krugman is columnist van The New York Times en kreeg de Nobelprijs voor economie in 2008. Zijn meest recente boek is The Return of Depression Economics and the Crisis of 2008
Vertaling: Rob van Erkelens