Martin Simek interviewt Martin Simek

‘Is Facebook eigenlijk niet een plofkip?’

Toen de selfie in de mode kwam, was Martin Simek er al weer decennia klaar mee. Als sportman kent hij het adagium: ‘Hardlopers zijn doodlopers.’ Tegenwoordig laat hij het peloton voor gaan. Immers: wie achterblijft, rijdt ook op kop, zij het in tegenovergestelde richting.

Medium ms1974

Wat, u weet niet wat een ‘selfie’ is!?
‘De digitale terminologie bereikt mij altijd met een flinke vertraging. In september wordt het bijvoorbeeld precies een jaar geleden dat ik voor het eerst van “wifi” hoorde. Het is net als met vreemde talen: als je het woordje eenmaal kent, kom je het almaar tegen.

De handeling die vooraf gaat aan een selfie nam ik wel al een tijdje om me heen waar. Eerst onbewust. Pas tijdens de vlucht Alitalia Amsterdam-Rome is hij krachtig tot me doorgedrongen. Schuin tegenover me aan het gangpad kwam een Italiaanse te zitten, die ik even daarvoor met haar bagage had geholpen. Ze was namelijk klein van stuk. Des te meer viel haar neus op, die me meteen aan Cyrano de Bergerac deed denken. Ze bedankte me overigens met een allerliefste glimlach. We waren nog niet opgestegen of ze begon druk in haar stoel te verzitten en de meest verleidelijke poses aan te nemen, met haar telefoontje op zich gericht. Ze was model en fotograaf tegelijk. Maar waarom zoveel beweging in haar lijf, terwijl ze alleen haar gezicht aan het fotograferen was? Het antwoord op die vraag wierp me dertig jaar terug in de tijd. Ik betrad het befaamde model agency van Corine Rottschäfer, om haar te interviewen. Corine was ooit Miss World geweest, en coachte nu topmodellen. Ze was nog altijd een mooie vrouw, constateerde ik, al was niet alleen de wereld sinds haar bekroning in 1959 veranderd. Zo kon het gebeuren dat mijn blik afdwaalde en op de foto’s op haar bureau viel.

“Wat een schoonheid!” riep ik uit.

“Je hebt haar net een hand gegeven”, zei Corine Rottschäfer. “Ze is op dit moment één van ’s werelds meest gevraagde fotomodellen.”

“Die met de grote neus? Dat kan toch niet?” vroeg ik verbijsterd.

“Toch wel”, zei Corine. “Ik heb haar geleerd om zich alleen in beweging te laten fotograferen, nooit poserend. Fotografen die niet op die manier kunnen werken mogen haar niet boeken van mij. En nog iets mogen ze niet”, voegde de voormalige Miss World eraan toe, “haar de fotosheet laten zien. Ze mag van die honderden foto’s met een grote neus alleen die twee, drie te zien krijgen waar haar neus haar karakter geeft, maar niet detoneert.”

Terug naar het vliegtuig. Mijn medepassagier is nog altijd bezig. De vlucht naar Rome duurt twee uur. De piloot meldt dat we de riemen vast moeten maken. Hij heeft de daling ingezet. Nu is ze pas tevreden met wat – zo weet ik nu – een “selfie” heet. Arm kind, dacht ik toen. Wat een incasseringsvermogen moet ze hebben. Ze is met wel honderden Eigen Neuzen geconfronteerd voor er eentje een beetje meeviel. Wat je allemaal voor een behoorlijke selfie kunt doen. Dat was vroeger onmogelijk.’

Hoe bedoelt u?

‘Vroeger werd je, als je er tenminste betrouwbaar uitzag, nog wel eens door een Japanner aangesproken om met zijn toestel een fotootje te maken. Maar ik kan me niemand herinneren die me om een anderhalf uur durende sessie vroeg. Say Cheese, klik!, het was wat het was, en daar moest je het mee doen. Nu heb je de ander niet meer nodig. Het is uit de tijd. Je doet alles zelf. Het begon met de kroket uit de muur, later geld, toen boodschappen zelf scannen, treinkaartje uit de automaat trekken, inchecken. Alleen als je door het lint gaat zijn er nog mensen nodig om je in een dwangbuis te stoppen en een elektroshock toe te dienen. Maar dat gaat ook veranderen. Straks krijgen we op iedere straathoek een stopcontact om er twee vingers in te steken als we weer normaal willen doen.’

U hebt dus geen Facebook?

‘Nee, natuurlijk niet. En ik heb ook nooit andermans Facebook gezien. Wel heb ik een eigen site, al heb ik die nooit bekeken. Mijn eigen site moet, van mijn impresario. En mijn uitgever is het met hem eens. Goed, denk ik dan, mijn huisarts schrijft me ook wel eens pillen voor waar ik verder geen interesse in heb. Ik heb vertrouwen in mijn huisarts, uitgever en impresario. Communiceren blijft voor mij in de ogen kijken, met de ogen strelen of ernstig waarschuwen, lichaamstaal, aanraking.’

Dus u hebt vast ook geen telefoon?

‘Een idee, wat u daar zegt. Mijn ouders zijn immers al lang dood en Tsjechoslowakije is bevrijd. Toen ik 46 jaar geleden vluchtte was de stem van mijn ouders het enige wat nog van mijn familiegevoel overbleef, al wist ik dat het grote oor van het regime meeluisterde. Vandaag wordt er oneindig veel meer gebeld en oneindig veel meer afgeluisterd dan toen, wereldwijd. Dat is het gevaar van de vooruitgang. Het gevaar van alle op zich uitstekende uitvindingen. We worden uiteindelijk hun slaaf en gevangene, in plaats van dat ze onze dienaar blijven.’

Medium msiris 1993

Uw ouders zijn dood maar u hebt nu zelf kinderen. Skypet u niet met ze, als u in Nederland bent en zij in Italië?

‘Skypen doe ik sowieso niet, bellen hooguit één, twee keer per week.’

Waarom niet, als het kan?

‘De vrijheid die ik ooit achterna ging – en nog altijd – betekent zeker niet dat je alles wat kan ook moet doen. Vrijheid is mogen kiezen.’

Waar kiest u voor, als u uw dierbaren niet belt?

‘Zien en luisteren is wat anders dan gezien willen worden en babbelen’

‘Voor wachten. Er ligt tenslotte geen oceaan tussen ons, en ook geen zee van tijd tussen het laatste en aanstaande wederzien. Hoogtepunten varen wel bij wachten. De bakker laat het brood gisten, de wijnboer de wijn. Maar even tussendoor: mag ik iets rechtzetten? Ik denk dat ik toch een keer een Facebook-pagina heb gezien. Niet eens zo lang geleden. Tijdens het WK voetbal Nederland-Australië. Ik zat te kijken bij een stelletje thuis, met hun succesvolle vriendenkring van achter in de dertig. De twee vrouwen die naast me op de bank zaten kon het voetbal niet bekoren. Ze waren ondertussen bezig met een klein schermpje: “Wauw! Wat zie je er prachtig uit!” Naast ons, mannen, regende het complimenten. Toen het spel even stil lag, keek ik toch maar eens naar links. Daar werd over het schermpje een vamp aangedreven met een vinger met een lange gelakte nagel. De ene beeltenis was nog gewaagder dan de andere.

“Wie is zij?” vroeg ik oprecht. “Ik”, klonk het verongelijkt naast me. “Echt waar!? Je ziet er in het echt leuker uit”, zei ik om de situatie te redden. Toen pas keek ik met wie ik in gesprek was geraakt. Een fors trekpaard, gestoken in een nauwe en veel te korte rok, waarin een één maat te kleine blouse gepropt zat, gedragen door hakken van zo’n tien of twaalf centimeter. Zei ze nou “klootzak”? Precies op dat moment werd er gescoord. Ik schreeuwde maar mee: “Gooooal!!” Na de herhaling zag ik alleen nog haar rug. Waarom doen mensen het zichzelf aan? Waarom presenteren ze zich stukken mooier dan ze zijn? Waarom maken ze zich belachelijk? Het is zoiets als een leraar wiskunde die “Einstein” op zijn visitekaartje laat zetten. Narcissus was tenminste nog verliefd op zijn eigen spiegelbeeld, maar wat is hier toch aan de hand?’

Zegt u het maar.

‘Angst, onzekerheid. Je achter een beeld verschuilen, of achter 140 tekens van Twitter. Ik heb tien jaar met het atp-tennisprofcircuit meegereisd als coach, en zal misschien drie, vier foto’s met mijn spelers hebben, en dan nog gemaakt op verzoek van een persfotograaf. Geen één met McEnroe, Lendl, Becker, Connors. Toen ik mijn meest geslaagde project Michiel Schapers laatst vroeg: “Wat herinner je je het meest van die jaren dat we samen zijn opgetrokken?” zei hij: “Die keer in Toulouse, toen we ’s ochtends kwamen inspelen, en de baansuppoosten aan me vroegen: ‘Wat is dat voor iemand, die trainer van u?’ Ik vroeg: ‘Waarom?’ En de suppoosten zeiden: ‘Omdat hij hier tot half vier vannacht in de spelerslounge heeft rondgerend met McEnroe. Ze deden slagen aan elkaar voor.’”

O ja, inderdaad, nu Michiel het zei, ik wist het nog. Alleen van die nacht is natuurlijk ook geen foto gemaakt. Hij zit op mijn netvlies gebrand. Het echte leven past niet in een fotoalbum, de voorloper van Facebook.’

Mooi gezegd van dat album, maar het leven laat zich net zo min in oneliners vangen, toch? Wat is er nou tegen een aangeklede, betere, mooiere ik? Wat is er nou op tegen om een zelf gecreëerde, ideale ik, een ideale dubbelganger, de virtuele wereld in te sturen?

‘Niets natuurlijk, zolang je je er niet mee identificeert, lijkt me. Zolang het een spel blijft. Zolang je niet in die zelf gecreëerde ik vlucht, als een alcoholist in de alcohol en een leugenaar in zijn leugens. Want leugens staan het contact in de weg. Contact is wezenlijk, contact is voedsel. Communicatie is slechts de gedekte tafel – vork, mes, servetje, glas, en professionele ober – voor contact. De “communicatiemaatschappij” zegt nog niets over het menu, het is slechts het gereedschap. Laat me geloven dat mijn glas van kristal is, het bestek van zilver, en dat de ober van me houdt, maar bezorg me geen diarree, laat staan een voedselvergiftiging. Sociale media maken het liegen wel heel erg makkelijk. Een pedofiel van mijn leeftijd kan een kind worden in cyberspace. Dat lukt hem in het park niet. Maar misschien willen we geen echt contact meer. Contact kost tijd en groeit langzaam, net zoals een eerlijke krop sla. Is Facebook eigenlijk niet een plofkip? Het antwoord op die vraag kun je niet googelen. Weetjes kun je googelen, inzichten niet. Zien en luisteren is wat anders dan gezien willen worden en babbelen.’

Medium ms1978

Hoe kunt u überhaupt praten over sociale media terwijl u ze niet kent? Is dát geen gebabbel?

‘Oordeel zelf. U hebt me uitgedaagd. Ik schiet natuurlijk met hagel. Vergeef me als ik het mis heb, en mocht ik gelijk hebben, dan ben ik tuinman Peter Sellers uit Being There, die over zijn tuin praat, en daarmee over de maatschappij.’

Vertel over uw tuin.

‘Ik leef nog altijd voor de liefde. De liefde die op mijn pad komt. Het pad dat ik heb uitonderhandeld met het lot. Die onderhandelingen heb ik gevoerd met mijn hart, niet uit berekening. Vanochtend, vlak voor we aan dit gesprek begonnen, kwam ik een oude aantekening tegen: “Gisteren 1-1-2012, ben ik naar Peppina en Antonio gegaan (mijn buren in Calabrië) om om knoflook te vragen. Ze gaven me de grootste van de kleine bollen die ze hadden geoogst. Antonio zei: ‘De grond is goed, het terrein is goed, maar wilde me niet beter geven dan dit. Ik weet niet waarom.’ In wat hij zei zat de acceptatie en het besef dat hij, boer, eigenaar van het terrein, toch niet de baas is. Er is meer, er is een mysterie, God, wie weet.”

Ik las het en dacht met blijdschap aan Antonio terug. Hij is er intussen niet meer, maar hij heeft tot het laatste moment geleefd voor de liefde. Liefde voor de natuur, liefde voor het werk, mensen en dieren om hem heen. Hij leefde om het leven, niet uit angst om te sterven. Ik heb geen foto nodig om hem om me heen te hebben. Als ik tussen de olijfbomen sta die ik twintig jaar geleden onder zijn regie heb geplant, staat hij altijd naast me in de voorjaarszon, wanneer het zware karwei is geklaard. Hij kijkt een hele tijd zwijgend rond en dan zegt hij als in een droom: “Zeker, ooit zal het hier donker zijn”, doelend op de schaduw van de volgroeide olijfbomen. En dan voegt hij er met enorme rust aan toe: “Maar dan zullen wij er niet meer zijn.” Hij, geen kerkganger overigens en een analfabeet, had een sterk besef van continuïteit en van het geheel. Antonio onderkende het mysterie en had dus geen angst en geen haast. Zijn vrouw Peppina wil nog altijd niet gefotografeerd worden. “Non voglio andare in giro” – “Ik wil niet rondslingeren” – is haar uitleg.

Medium msanne 1981

In mijn Calabrese tuin sterven de bewoners uit. Maar de kinderen die overal ter wereld worden geboren zijn net zo echt. Ook zij krijgen hun kans zichzelf te leren kennen, of van zichzelf te vluchten. Dankzij, of ondanks sociale media. Hun pad zal vanzelfsprekend anders zijn dan het mijne. Zolang het maar hún pad is, en niet dat van de kudde.’

Daar kijkt u heel erg vies bij, bij dat woord. Maar de kudde is toch het lot van de meesten. Waarom wordt er altijd zo slecht over gesproken?

‘Ik kan alleen voor mezelf antwoorden. Als kind sloop ik regelmatig mijn vaders werkkamer binnen om in zijn bibliotheek te neuzen. Opnieuw en opnieuw bladerde ik door een fotoboek dat de opkomst en neergang van Hitler weergaf. “Die bergen lijken, zijn dat die mensen die in het begin van het boek met gestrekte arm voor Hitler juichen?” vroeg ik mijn ouders. “Nee”, zeiden ze. “Die lijken, dat zijn weer anderen, dat zijn de joden. Hitler is dood, maar die juichende menigte, die leeft nog.” Sindsdien vind ik de kudde angstaanjagend, hoewel ik van mensen houd, maar dan wel graag één voor één.’

Bij ons gesprek hoort ook een foto. De bedoeling was een selfie. Bent u bereid er eentje te maken met mijn telefoontje?

‘Nee, ik heb al een selfie. Twee zelfs. Heel oude. Door raak te schieten op de kermis had ik een polaroidje gewonnen van mij en het meisje van dat moment. Met de andere twee meisjes uit de top-vier van mijn leven heb ik me in een pasfotohokje op het Centraal Station laten portretteren. De laatste, Iris, is de moeder van onze kinderen geworden. Het was vroeger behelpen met selfies. Tegenwoordig kun je eeuwig schieten voor je een keertje raak schiet en kunt roepen: “Komt dat zien, komt dat zien!” Of de wereld zelf een immense kermis is geworden. Iedereen is online, nu nog de verbinding.’


Beeld: (1) 1974. (2) 1993. (3) 1981. (4) 1978.