Leszek Kolakowski

Is God denkbaar?

Leszek Kolakowski
Why Is There Something Rather than Nothing? 23 Questions from Great Philosophers
Allen Lane, Penguin, 240 blz., £ 12.99

Leszek Kolakowski, inmiddels tachtig jaar, bracht de eerste onstuimige helft van zijn leven door in Polen. Hij studeerde christelijke wijsbegeerte. Daarnaast was hij een overtuigd aanhanger van de communistische partij. In het begin van de jaren vijftig werd hij de assistent van de toenmalige partij-ideoloog Adam Schaff. Hij ontwikkelde zich tot voorman van de dissidenten. Zijn grote studies over het marxisme van eind jaren zestig, midden jaren zeventig, waren afrekeningen met de partij-ideologie. In de jaren die volgden verdiepte hij zich in zijn oorspronkelijke studie, de christelijke filosofie. Hij werd meer en meer een scepticus die zijn pijlen richtte op allerlei vormen van geïnstitutionaliseerd geloof, of dat nu de katholieke kerk was of de communistische partij. In 1970 werd hij uit Polen verbannen. In de tweede helft van zijn leven legde hij zich toe op de beide zaken die hem zijn leven lang hebben beziggehouden: filosofie en geloof. Als ik het goed zie vormt deze ongemakkelijke combinatie de grondslag van Kolakowski’s laatste boek: een overzicht van de filosofie in 23 profielen.
Is God denkbaar? Dat is de onuitgesproken vraag die Kolakowski als leidraad neemt voor zijn pantheon van filosofen. Augustinus gaf als antwoord dat we niet begrijpen om te kunnen geloven, maar geloven om te kunnen begrijpen. Anselmus leverde het ontologische godsbewijs. Ockham sprak hem tegen en dreef een wig tussen kennis en geloof. Descartes, Spinoza en Leibniz dachten weliswaar dat God niet langs rationele weg te bewijzen was, maar vonden toch dat het wezen van God in hoge mate met diezelfde rede te maken had, als het daar al niet mee samenviel. Pascal ten slotte dreef, in navolging van Augustinus, ratio en geloof geheel uit elkaar. Geloof was volgens hem een genade die God aan enkele uitverkorenen schonk, met als deprimerende bijkomstigheid dat de vraag of je goed of slecht had geleefd daarbij van geen enkel belang was.

Als je de draad eenmaal te pakken hebt, zie je dat Kolakowski zich ook bij de klassieke filosofen laat leiden door de vraag of en hoe God denkbaar is. Hij kan natuurlijk niet het hele gedachtegoed van Socrates, Parmenides, Heraclitus, Plato, Epictetus, Sextus Empiricus in luttele bladzijden weergeven. Hij beperkt zich tot een centrale gedachte, en die gedachte is (opnieuw onuitgesproken) de relatie tussen rede en geloof. Hoe stelden Heraclitus, Plato en de anderen zich hun goden voor? Hoe verhielden deze goden zich tot de christelijke God? Kolakowski benadrukt hoezeer het godsbesef van de klassieken samenviel met logos (Heraclitus) en rede (Socrates, Plato, Epictetus). Hij presenteert zijn filosofen in chronologische volgorde, met uitzondering van Heraclitus en Parmenides (zesde eeuw voor Christus), die hij na Socrates (vijfde eeuw voor Christus) plaatst. Uit het verloop van de bundel blijkt waarom. Kolakowski beschouwt Socrates’ Ideeën als een prefiguratie van het christelijke godsbesef.

De lijst van moderne filosofen: Kant, Hegel, Schopenhauer, Kierkegaard, Nietzsche, Bergson, Husserl lijkt een allegaartje, maar krijgt eenheid door Kolakowski’s onuitgesproken vraag. Dat is de reden waarom Bergson (over wie Kolakowski een boek schreef) figureert in zijn lijstje, en niet Freud; waarom hij Hegel behandelt, en niet Marx, hoewel beide alternatieven (Marx en Freud) meer voor de hand hadden gelegen. Het antwoord moet wel zijn dat terwijl Hegel en Bergson worstelden met de godsvraag, Marx en Freud het geloof reduceerden tot een massapsychologisch verschijnsel van twijfelachtig allooi (‘opium voor het volk’).

Op mijn zestiende verloor ik mijn geloof. Sindsdien heb ik me afgewend van filosofen die redelijk denken en geloof met elkaar verwarren. Zodra Augustinus, Anselmus, Descartes, Spinoza en zelfs Kierkegaard geloofszaken gaan behandelen, wringen ze zich in de raarste bochten om via allerlei redeneringen uit te komen bij God. Zelfs filosofen die vaststellen dat er een onoverbrugbare kloof bestaat tussen rede en geloof besluiten uiteindelijk toch tot het bestaan van God, omdat hij niet bewezen kan worden (credo quia absurdum). Uit een wolk ingewikkelde filosofische termen toveren ze God te voorschijn als een konijn uit de hoed. Ik moet er niets van hebben en verdiep me liever in filosofen (Nietzsche, Heidegger, Sartre, Cioran) die een antwoord proberen te geven op de vraag wie of wat er in de plaats moet komen van God na de dood van God.

Het vreemde is nu dat ik Kolakowski niet bij het oud papier heb gezet op het moment dat ik zijn verborgen agenda doorhad. Sterker nog: ik heb zijn boek met stijgende bewondering gelezen; elk hoofdstukje met tussenpozen gesavoureerd. Met tussenpozen, want zijn portretten zijn prachtig geschreven, maar wel compact en moeten, als porties krachtvoer, met zorg worden gedoseerd. Hoe kan ik me laten meeslepen door een boek met een zo foute inslag? Ik zie drie redenen. Allereerst Kolakowski’s indrukwekkende eruditie die hem in staat stelt om de hoofdlijnen van de meest ingewikkelde filosofen in enkele bladzijden helder uiteen te zetten. Vervolgens zijn onnavolgbare scepsis. Kolakowski bekijkt elke filosoof met een mengsel van fascinatie en distantie. Hij doorgrondt hun denken, trekt een wenkbrauw op en stelt een vraag waaruit blijkt dat het tegendeel van wat Hegel, Schopenhauer of Husserl beweert misschien ook waar is. De laatste, belangrijkste reden is de meesterlijke stijl. Kolakowski zet de complexe gedachtewereld van Socrates, Augustinus, Pascal of Kierkegaard in eenvoudige bewoordingen uiteen; hij legt verbanden met het werk van voorgangers en navolgers, en besluit het profiel met een paar vragen waarin hij het actuele belang van de filosoof aangeeft en tegelijkertijd de lezer uitdaagt om antwoord te geven op de vraag of het gedachtegoed dat hij net heeft samengevat bij nader inzien wel stand houdt: ‘Leibniz zegt dat als er complexe en deelbare dingen bestaan, er ook eenvoudige en ondeelbare dingen moeten bestaan. Is dit een gezonde redenering?’, ‘Volgens Pascal zijn deugden niet van belang bij de vraag of we naar de hemel gaan. Een atheïst kan een goed mens zijn, maar dat helpt hem niets bij het Laatste Oordeel. En, als ons heil het enige is wat er werkelijk toe doet, betekent dat dan ook dat het er niet toe doet hoe we leven?’ Kolakowski laat deze vragen onbeantwoord. Hij brengt zo in praktijk wat filosofie in diepste wezen behoort te zijn: het stellen van vragen naar aanleiding van fundamentele zaken die we tot dan voetstoots hadden aangenomen.