Het einde van de cyberdemocratie

Is het internet kapot?

Het internet zou een machtsvrije publieke ruimte worden, een wereldwijd digitaal koffiehuis voor rationeel-kritisch debat. Dat werd het niet. De enorme macht van Google, Facebook en Amazon kan alleen worden beteugeld door regulering.

Medium groene art1

De journalistiek zoals wij die vandaag kennen kwam voort uit twee uitvindingen: de telegraaf (1838) en de rotatiedrukpers (1843). Plotseling was het mogelijk à la minute informatie over grote afstanden te verzenden en in korte tijd goedkoop drukwerk in grote oplagen te produceren: de moderne krant werd geboren. Met de vele voordelen van deze nieuwe technologie openbaarden zich de nadelen. Kranten werden groter, sneller en invloedrijker. De ‘vierde macht’ vormde zich, met aanzienlijke risico’s voor het individu en de overheid. Om te grote machtsconcentraties te voorkomen werd het bezit van nieuwsmedia gereguleerd. Om misbruik te ontmoedigen kwamen er wetten tegen smaad en laster. Verzinsels afdrukken werd strafbaar. Wat een krant schreef moest waar en bewijsbaar zijn.

Een kleine honderd jaar later herhaalde het patroon zich: radio en televisie ontstonden, en er kwam wetgeving. Radio- en televisiefrequenties waren schaars, hun commerciële potentieel en invloed op de publieke opinie waren aanzienlijk, dus het was aan de overheid om in deze emerging market het publieke belang van faire, evenwichtige berichtgeving te waarborgen. Er kwam een wet die houders van een zendmachtiging verplichtte om op een eerlijke, billijke en evenwichtige wijze (honest, equitable and balanced) te berichten over controversiële thema’s: de Fairness Doctrine. De radio- en televisiemarkt was vrijwel volledig in handen van drie spelers, cbs, nbc en abc, en zo werd vermeden dat zij hun positie konden misbruiken om een eenzijdige politieke agenda te stellen. In de praktijk betekende het dat zij niet de rechts-conservatieve schutkleur konden aannemen van hun eigenaren en geldschieters.

Een halve eeuw later, eind jaren tachtig, kwam de volgende revolutie: het internet. Dankzij het internet heeft elke burger nu een eigen telegraaf, rotatiepers, radiostation én tv-zender tot zijn beschikking. Maar, waar bleef de regulering?

In zijn fameuze essay Democratie in Amerika (1831) komt Alexis de Toqueville tot de conclusie dat Amerika met geen enkel ander land te vergelijken valt, en legt daarmee de kiem voor het ‘Amerikaanse exceptionalisme’. In de jaren negentig van de vorige eeuw werd datzelfde idee geprojecteerd op het internet. Ook het internet was met niets anders te vergelijken. Er waren rechtsgeleerden die dachten dat het internet uiteindelijk een soort nieuwe natiestaat zou worden, met een eigen soevereiniteit. Dat ging wat ver, maar dat het internet niet vatbaar was voor bestaande vormen van regulering en bestuur was in die jaren een gemeenplaats. In 1998 zei Bill Clinton in een toespraak over het internet: ‘Het staat buiten kijf dat China pogingen doet om het internet onder de duim te krijgen. Succes ermee – je kunt nog beter proberen om drilpudding aan de muur te spijkeren!’

Vrijwel iedereen die bij het internet betrokken was, geloofde dit, of wilde het geloven. Bij de beursgang van Google, in 2004, schreven de oprichters Larry Page en Sergey Brin een ‘manifest’. ‘Google is geen conventioneel bedrijf’, schreven zij. Wat Google dreef was niet winst, maar, let op, daar komt het: ‘Making the world a better place.’

De oprichter van eBay, Pierre Omidyar, schreef onlangs in The Washington Post: ‘While it’s hard to believe that helping strangers connect through the Internet was ever a radical idea, when I started eBay 22 years ago, it felt more like a social experiment than a business endeavor.’ Ook Facebook is eigenlijk geen bedrijf. Corporation en company zijn woorden die Mark Zuckerberg zo veel mogelijk mijdt, ten gunste van platform, social experiment en social utility (nutsvoorziening). Zo staat het ook nog steeds op hun homepage: ‘Facebook is a social utility.’

Mannen als Page, Brin en Zuckerberg houden zich ook niet aan de dresscode van de ‘normale’ zakenwereld, het pak, de stropdas, de gepoetste schoenen. Zij dragen T-shirts, jeans en sneakers. Internetkantoren worden ‘campus’ genoemd en zien eruit als een crèche voor volwassenen.

Je hebt de normale wereld, en dan heb je het internet. Een uitzondering. Naar De Toqueville wordt dit idee ‘internetexceptionalisme’ genoemd.

***

In De structuurverandering van het publieke domein beschreef Jürgen Habermas het ontstaan van de Anglo-Europese ‘koffiehuis’-cultuur, waar politieke meningsvorming plaatsvindt door ‘kritisch-rationeel’ debat, een voorwaarde voor echte democratie. Om zuiver te functioneren moet de publieke agora vrij van politieke of economische inmenging zijn, stelt Habermas – ‘machtsvrij’. De commerciële mediacultuur – die begin jaren zestig nog in de kinderschoenen stond, maar toch – vormt een inbreuk op die machtsvrijheid, de meningsvorming wordt gecorrumpeerd door verborgen economische en politieke belangen. De structuurverandering verscheen in 1962. Je leest het en denkt: you ain’t seen nothing yet, Jürgen.

En zie: daar was het internet. Een nieuwe, machtsvrije publieke ruimte! Precies wat de moderne democratie nodig had. Een wereldwijd digitaal koffiehuis voor rationeel-kritisch debat, zogezegd. Een plek voor ontmoeting en dialoog, tussen alle mensen, klassen en volkeren. Open, transparant en democratisch. Cyberdemocratie!

Tja. Dat het krachtigste informatiemedium aller tijden zich blijvend aan de greep van politiek en commercie zou onttrekken – achteraf gezien was het misschien een wat naïeve gedachte. Dertig jaar later zijn de rijkste en machtigste bedrijven ter wereld internetbedrijven. Inderdaad, bedrijven. Want dat netwerk van met elkaar pratende computers is misschien een exceptie, het is heel goed met andere dingen te vergelijken. Als je maar wilt. Het is bijvoorbeeld een massamedium. En bij een massamedium gaat het om drie dingen: bereik, bereik en bereik. Om mensen te bereiken moet je weten waar ze zijn, daar is ook weinig nieuws aan. Door het interactieve karakter van internet – dat is nieuw – kun je van gebruikers persoonlijke informatie verzamelen, die je als aanbieder kunt gebruiken voor maatwerk. Internet is het eerste medium dat in staat is zijn bereik tot op individueel niveau te optimaliseren. Het is alsof u een ander NOS Journaal ziet dan ik.

Vrij rondscharrelen op het internet behoort al lang tot de verleden tijd, overal staan onzichtbare verkeersborden en dranghekken. Het internet bestaat niet meer, het is altijd jouw internet, gecureerd door een onzichtbare hand. Een virtuele realiteit. Zoals bij alle massamedia zijn wij niet alleen de gebruiker, maar ook het product. Wij denken dat wij uit vrije wil een koffiehuis hebben gekozen om met elkaar te praten, maar in werkelijkheid heeft het koffiehuis ons gekozen.

Zo ontstaan zogeheten echokamers, bubbles, een groepering van gebruikers naar gemeenschappelijke opvattingen en voorkeuren. Op Amazon, op Netflix, op Spotify, op Facebook, op Twitter. Gesloten gemeenschappen met hun eigen ‘nieuws’, hun eigen ‘feiten’. Dialoog met andersdenkenden wordt moeilijker, de empirische basis voor een zinvol gesprek valt weg. Argwaan en kwade trouw worden de basishouding, de tegenpartij deugt niet en liegt, smaad en laster zijn gepermitteerd, open mindedness is een ondeugd, empathie een zwakte. Zoals The Economist het laatst omschreef: ‘Mensen worden meegesleept in een maalstroom van verongelijktheid, verontwaardiging en schandaal en verliezen het zicht op wat er werkelijk toe doet in de samenleving die zij delen.’

Echokamers lenen zich perfect voor misleiding, manipulatie en fake nieuws. Je hoeft er maar iets in te gooien en de echo doet de rest. Met fake-accounts, robots en clickfarms kun je à la minute op grote schaal desinformatie verspreiden. Het verbergen van de afzender is kinderspel. Facebook biedt bijvoorbeeld de mogelijkheid van ‘dark posts’, redactioneel uitziende advertenties die de beoogde doelgroep bereiken, maar niet in de timeline van de afzender verschijnen. Die blijft onbekend, de aangevallen partij weet van niets en kan niet reageren.

Freedom House, een Amerikaanse ngo voor mensenrechten en democratie, publiceerde op 14 november een onderzoek waaruit blijkt dat dertig verschillende regeringen internet gebruiken om online informatie te manipuleren en vervalsen. Online manipulatie en desinformatie speelde een rol in achttien verschillende verkiezingen, het afgelopen jaar. Donald Trump maakte gebruik van de data-analyses van Cambridge Analytica, van oorsprong een defensie-aannemer voor psychologische oorlogvoering, dat vermoedelijk samenwerkte met Julian Assange van WikiLeaks bij het verspreiden van Russische hack-data ter beschadiging van Hillary Clinton. Facebook heeft erkend dat tussen januari 2015 en augustus 2017 146 miljoen Amerikaanse gebruikers zijn blootgesteld aan Russische desinformatie. Ongeveer de helft van de bevolking. YouTube: 1108 video’s van dubieuze Russische herkomst. Twitter: 36.746 accounts.

Erdogan zou zesduizend mensen in dienst hebben om tegenstanders van het regime op internet in diskrediet te brengen

De Filippijnse regering gebruikt een ‘toetsenbordleger’ (‘keyboard army’) om de schijn te wekken dat er massale publieke steun is voor haar harde anti-drugsbeleid. De regering-Erdogan zou zesduizend mensen in dienst hebben om tegenstanders van het regime op internet in diskrediet te brengen. Omdat hun werk ‘onzichtbaar’ is en vanwege de grote aantallen mensen en accounts die erbij worden ingezet, is dit soort manipulatie lastig te bestrijden. Om online desinformatie van het Kremlin tegen te gaan heeft de regering van Oekraïne delen van het internet volledig moeten afsluiten, inclusief de meest gebruikte zoekmachine en het populairste sociale platform.

De Britse en Spaanse regering maakten deze week melding van soortgelijke interventies uit Rusland. 156.000 Russische twitterbots werden ingezet om het Brexit-referendum te beïnvloeden, berichtte The Times onlangs. Vermoedelijke herkomst: het Internet Research Agency in Sint-Petersburg, een ‘trollenfabriek’.

Kasja Ollongren, de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, verklaarde diezelfde dag dat ook Nederland het doelwit van Russische desinformatie is, onder meer via een fake overheidswebsite over de aanslag op de MH17. ‘Het gebruik van betaalde commentatoren en politieke internetbots om regeringspropaganda te verspreiden werd gepionierd door China en Rusland, maar is nu wereldwijd gegaan’, zegt Michael J. Abramowitz, directeur van Freedom House. ‘Deze tactieken verspreiden zich razendsnel en hun effect op de democratie is potentieel verwoestend.’

Van Spanje tot Zuid-Afrika, van Denemarken tot Griekenland, overal wordt het politieke klimaat grimmiger, kost het steeds meer moeite om een civiel debat te voeren, coalities te vormen en compromissen te sluiten. En langzaam begint duidelijk te worden dat het internet hier een belangrijke rol in speelt. Dat het internet geen machtsvrije publieke ruimte is geworden, en dat de ‘cyberdemocratie’ er heel anders uitziet dan de founding fathers van het internet zich voorstelden.

***

De gelegenheid maakt de dief, en de mogelijkheden op het internet voor dit soort praktijken zijn riant, omdat het internet vrijwel niet gereguleerd is. Dat was immers onmogelijk?

Niet alle uitwassen zijn de verantwoordelijkheid van de internetbedrijven, maar vrijuit gaan zij zeker niet. ‘Microtargeting’ en gedragsbeïnvloeding zijn de hoekstenen van hun verdienmodel. Een krant of televisiestation heeft enkele honderden adverteerders per jaar, Facebook heeft er vijf miljoen. Tijdens de hoorzittingen over dit onderwerp onlangs op Capitol Hill moest de woordvoerder van Facebook erkennen dat zij niet weten wie dat allemaal zijn, ook omdat er vaak meerdere partijen tussen zitten. Het verifiëren van al die actoren zou een industrie op zichzelf zijn en het adverteren op Facebook aanzienlijk duurder maken. Maar niemand heeft dit ooit van Facebook verlangd, en dus doen zij het niet. Het afbeelden van een vrouwelijke tepel is op Facebook nog steeds streng verboden, een atavisme van twee mediarevoluties geleden, toen de jeugd beschermd moest worden tegen zedenverwildering door Hollywood. Nieuwe wetgeving is nooit ontwikkeld. Internet was immers een ‘ander land’?

Dit denken sloot perfect aan op de tijdgeest. De opkomst van internet viel samen met het neoliberale marktdenken van de jaren tachtig. Reguleren, overheidsbemoeienis, het was hopeloos uit de mode. Dereguleren, dat was de trend. En: als overheid moet je innovatie bevorderen, bijvoorbeeld door jonge, veelbelovende startups niet lastig te vallen met regeltjes en voorschriften.

Zo is het vaker gegaan. In de negentiende eeuw kregen de eerste grote spoorwegmaatschappijen ontheffing van allerlei aansprakelijkheden, bijvoorbeeld voor bedrijfsongevallen, want de voortgang was heilig. Honderd jaar later gebeurde hetzelfde met de burgerluchtvaart, die moest gestimuleerd en ondersteund worden, met als gevolg dat vliegmaatschappijen nog steeds geen accijns op kerosine betalen. Facebook, Amazon, Google en Apple behoren inmiddels tot de grootste bedrijven ter wereld, maar zij genieten nog steeds de voorrechten van een kwetsbare startup.

Een van de gevolgen is het juridische vacuüm dat digitale piraterij mogelijk maakte. Silicon Valley heeft van begin af aan immuniteit geclaimd voor schendingen van het auteursrecht. De speciale aard van dit nieuwe medium maakte het onmogelijk auteursrechten te beschermen of respecteren, claimden zij. Dit is onzin. Silicon Valley heeft stelselmatig gewerkt aan het ondermijnen van drm (digital rights management, copyrightbescherming) op films, boeken en muziek, niet omdat het in belang van de consument was, zoals beweerd werd, maar omdat het de expansie hinderde. De thuispiraterij was een killer application van het internet, een drijvende kracht achter de penetratie. Daarom werd begin jaren negentig de wet ‘47USC 230’ ingevoerd, die internetproviders vrijstelt van enigerlei aansprakelijkheid voor schending van auteursrechten, ‘to preserve the vibrant and competitive free market that presently exists for the Internet and other interactive computer services, unfettered by Federal or State regulation’. Dat is internetregulering, ja, maar in de zin van deregulering.

De internetbedrijven zijn ware haviken als het om hun eigen intellectuele eigendom gaat, zie de honderden lawsuits die ze hebben lopen ter bescherming van hun octrooien, maar het copyright van anderen interesseert ze totaal niet. In 2012 werden in het Amerikaanse parlement twee wetsontwerpen ingediend, de Stop Online Piracy Act (sopa) en de Protect Intellectual Property Act (pipa), beide bedoeld om internetaanbieders aansprakelijk te maken voor copyrightschendingen. De internetbedrijven reageerden woedend en dreigden met een blackout. De bescherming van het intellectueel eigendom van schrijvers, musici en filmers zou een ‘aantasting van de vrijheid van het internet’ zijn. Als in de echte wereld een wet tegen winkeldiefstal zou worden voorgesteld als aantasting van het recht op proletarisch winkelen zou iedereen in lachen uitbarsten, in de internetwereld is dit soort tactisch anarchisme heel normaal. Washington schrok zich een hoedje en beide wetsvoorstellen werden schielijk ingetrokken. Senator Christopher Dodd, die de wetten steunde, noemde de reactie van Silicon Valley ‘the greatest backlash I’ve ever seen’.

Zo is de rolverdeling: Silicon Valley predikt de ‘disruptie’, maar uitsluitend in één richting.

Of neem anonimiteit. Anonimiteit geldt in het gewone maatschappelijk verkeer doorgaans als onwenselijk. Wie zaken wil doen of ergens lid van wil worden zal zich moeten legitimeren. Anonieme ingezonden brieven worden door kranten niet geplaatst. Voor creditcardtransacties was vanouds een handtekening vereist. Toen kwam het internet en hoefde het ineens niet meer. Op internet is anonimiteit vreemd genoeg iets heel gewoons geworden. Het is een manier om je privacy af te schermen, maar het is ook een uitnodiging tot dubieuze praktijken.

Medium groene art2

Of neem kwaliteitsstandaarden op het gebied van dienstverlening: hoteliers en taxichauffeurs moeten diploma’s en vergunningen hebben, een snorder van Uber en een amateurherbergier van Airbnb kunnen zo aan de slag.

Mededinging: Facebook heeft een marktaandeel van 77 procent in mobiele sociale media. Amazon heeft zeventig procent van de markt voor ebooks. Google heeft 88 procent marktaandeel in online zoeken en adverteren, en Android (van Google) heeft een marktaandeel van tachtig procent. Toch houden zij vol dat zij geen monopolie zijn. Zij profiteren van de neoliberale vernauwing die zich in de jaren tachtig voordeed in het denken over monopolies: niet het marktaandeel van een bedrijf is doorslaggevend, zoals vroeger, maar de vraag of het concurrenten actief tegenwerkt.

‘Groepen die erop uit zijn om onze democratie te infiltreren hebben in de sociale media een genereuze gastheer gevonden’
***

Google kreeg onlangs een boete van 2,7 miljard dollar van de Europese Mededingingsautoriteit, omdat het zijn eigen shoppingsite voorrang geeft bij zoekresultaten. In Amerika wordt de soep minder heet gegeten. Telefoongigant AT&T moest in 1984 nog opsplitsen vanwege monopolisme, Microsoft had een vergelijkbaar monopolie op de browsermarkt en kwam er in 2001 met een schikking vanaf. Zolang niet kan worden bewezen dat de Grote Drie – Google, Facebook en Amazon, bijgenaamd The Web Trust – actief concurrenten tegenwerken, kunnen zij theoretisch doorgroeien tot honderd procent marktaandeel.

‘Wij hebben er als samenleving voor gekozen [onze vrijheid] te beperken in ruil voor bescherming door een autoriteit’, zei Ronald Prins onlangs nadat hij de Innovatieprijs voor de Rechtshandhaving kreeg toegekend. Prins is een oud-hacker en oprichter van Fox-IT, dat Nederlandse staatsgeheimen beveiligt. ‘Zo mogen agenten wapens dragen, terwijl burgers daarvoor vervolgd worden. Noem het een sociaal contract met de staat. Op internet is het echter veel minder duidelijk. Zodra we ons daar begeven, lijken er opeens andere regels te gelden. Je kunt elkaar uitschelden zonder gevolgen. De autoriteit is daar ver te zoeken. Hier geldt het recht van de sterkste of slimste. Een sociaal contract ontbreekt. Op het internet leven wij nog in de pre-historie.’

Naar aanleiding van de zich opstapelende berichten over politieke manipulatie via het internet in Amerika en Europa weerklinkt nu opnieuw de roep tot regulering. Om de Grote Drie te zien als wat zij in werkelijkheid zijn: een trust, zoals de oppermachtige spoorweg- en olieconglomeraten van eind negentiende eeuw. Om afscheid te nemen van het internetexceptionalisme.

De techbedrijven zien de bui hangen. Zij zijn onmetelijk rijk en voor onweerstaanbare honoraria huren zij oud-politici om in Washington en Brussel de lobby te versterken (zie Uber en Neelie Kroes). Ook public relations is iets waar de techbedrijven uiterst bedreven in zijn. Ineens maken zij mooie gebaren om te bewijzen dat zij wel degelijk publiek dienstbaar zijn. Facebook huurde honderden journalisten als factcheckers om te helpen bij het bestrijden van fake nieuws, Uber begon project ‘Movement’. Via hun taxivloot beschikken zij over interessante mobiliteitsdata, die zij nu beschikbaar stellen aan lokale overheden om te gebruiken bij hun verkeersplanning. Sceptici doen dit af als doorzichtige pr, en de eerste berichten dat het anti-fake-nieuwsoffensief van Facebook geen soelaas biedt, druppelen al binnen.

De eenvoudigste remedie tegen kwaadaardige infiltratie is om te doen wat autoritaire regimes doen: bepaalde delen van het internet gewoon afsluiten. De een noemt het ‘filteren’, de ander ‘censuur’. De vrije toegankelijkheid van het internet wordt bijgehouden door Freedom House. De cijfers zijn opmerkelijk. Van de 87 procent van het internet die werd onderzocht, is slechts 23 procent volledig vrij! 36 procent is gecensureerd, 28 procent is gedeeltelijk gecensureerd. Niet alleen Rusland, China, Noord-Korea en Turkije ‘filteren’, ook landen als Brazilië, India, Mexico, Nigeria en Indonesië.

Voorstellen om ook in Amerika en Europa bepaalde blokkades in te stellen, zullen door vrije-marktfundamentalisten onmiddellijk worden geframed als censuur. Dan zullen de tycoons op sneakers het tactisch anarchisme weer in stelling brengen, en een armada van lobbyisten en pr-geschut in de vaart brengen om zo’n ingreep te verijdelen. De publieke opinie is verdeeld: 49 procent van de Amerikanen vindt reguleren van het internet een goed idee, 51 procent is tegen.

***

Maar dat het internetexceptionalisme zijn beste tijd gehad heeft, begint nu wel door te dringen in Silicon Valley. Pierre Omidyar, de eerder genoemde oprichter van eBay, is een denktank begonnen om het probleem te bestuderen. ‘Deze technologie mag ons dan op allerlei manieren samenbrengen, door het te gelde maken en manipuleren van informatie worden wij uiteen gedreven’, schreef hij onlangs in The Washington Post. ‘Groepen die erop uit zijn om onze democratie te infiltreren hebben in de sociale media een genereuze gastheer gevonden, maar het wordt tijd dat deze onwelkome gasten het feest verlaten.’

Een van de manieren die bestudeerd worden, ook binnen de Democratische Partij, is om het internet te beschouwen als een nutsvoorziening. Voor het modale westerse huishouden is internet inmiddels een eerste levensbehoefte, dus het is niet zo’n vreemde gedachte om het rijtje gas, water, licht, post en telefoon uit te breiden met ‘data’.

‘Waarom zien de autoriteiten internet nog steeds niet als openbare ruimte?’ vroeg Ronald Prins zich af in zijn eerder geciteerde toespraak. ‘Zeker nu online het recht van de sterkste geldt, hebben we een autoriteit nodig om ons daar te beschermen.’

Er is weinig tegenin te brengen. De meeste nutsvoorzieningen van vandaag begonnen ooit als private enterprise. De Publieke Omroep ontstond uit een activiteit van Philips, de ptt en de Nederlandse Spoorwegen waren particuliere ondernemingen die werden omgevormd tot staatsbedrijf. Later werden zij weliswaar weer geprivatiseerd, maar met behoud van hun publieke opdracht. Als je van het waterbedrijf mag verwachten dat er geen modder uit de kraan komt, mag je van een internetprovider misschien ook eisen dat hij geen giftige informatie verspreidt. Zei Mark Zuckerberg zelf niet dat Facebook een ‘utility’ is?

Een eerste stap in deze richting werd in 2015 door de regering-Obama gezet met de Open Internet Order (oio), een wet die de ‘neutraliteit’ van het net garandeert. Beheerders van het netwerk bemoeien zich niet met de inhoud, werken voor elke aanbieder (‘common carrier’) en leveren de best mogelijke service (‘best effort’), net als een nutsbedrijf. Ook Nederland heeft inmiddels zo’n wet. Veel internetproviders zitten ook in de telecom, kpn en Ziggo zouden gebaat zijn bij het blokkeren van concurrerende alternatieven als Skype, Facetime en Whatsapp, maar dat is nu strafbaar.

Marktfundamentalisten en overheidshaters beschouwen dit als ‘overregulering’, en Donald Trump is dan ook van plan de Open Internet Order terug te draaien. Adjit Pai, zijn nieuwe directeur van de Federal Communications Commission, het Amerikaanse Commissariaat voor de Media, maakte het plan reeds bekend. Goed nieuws voor grote aanbieders die voorrang willen, zoals YouTube en Netflix, evenals Verizon, Pai’s oude werkgever, ook een telecom-internet-combinatie die veel belang heeft bij het terugdraaien van de oio.

***

Het opbreken van monopolies en het reguleren van de media is in de VS vanouds een geloofsartikel van links geweest, in de jaren twintig en dertig wonnen de Democraten er verkiezingen mee. De Fairness Doctrine was de Republikeinen een doorn in het oog, en in 1987 zag Ronald Reagan zijn kans en schafte hem af. Argument: de wet creëert een rechtsongelijkheid, de gedrukte media worden immers niet op deze manier gereguleerd, en de schaarste aan etherfrequenties is voorbij – beide waar. Het einde van de Fairness Doctrine had verstrekkende gevolgen: radio- en tv-stations konden zich ongegeneerd overgeven aan eenzijdigheid. Zo ontstond Talk Radio, een voedingsbodem voor rechts-rabiate mediapersoonlijkheden als Rush Limbaugh, Glenn Beck en Sean Hannity. Ook Fox News profiteerde en volgens sommige commentatoren legde het einde van de Fairness Doctrine uiteindelijk de basis voor de verkiezingsoverwinning van Donald Trump. Het is ironisch dat uitgerekend Fox News nu het motto ‘fair and balanced’ voert: de oorspronkelijke opdracht aan alle elektronische media, verbasterd tot de loze claim van één speler, die hem bovendien aan zijn laars lapt.

Volgens Adjit Pai is de oio niets anders dan een poging van de Democraten om terug te keren naar de trustbusting van de jaren dertig. Pai is voor een ‘light touch’-benadering: de overheid moet alleen ingrijpen als het internet ‘kapot’ is. Dat ís het dus, zeggen critici naar aanleiding van de recente uitwassen, maar als medeplichtige én begunstigde van die uitwassen ziet rechts Amerika dat anders. De alt right-beweging, een belangrijk onderdeel van Trumps basis, heeft het fake nieuws zo ongeveer uitgevonden, en juist het gebrek aan regulering en transparantie gaf Cambridge Analytica, Vladimir Poetin en Julian Assange de mogelijkheid om Donald Trump te helpen de verkiezingen te winnen.

Ingrijpende maatregelen zijn voorlopig dus niet te verwachten. Als het gaat om het reguleren van big business hebben Brussel en Washington de laatste jaren sowieso weinig klaargemaakt. In 2008 explodeerde de wereld wegens een gebrek aan regulering van de financiële industrie, en negen jaar later is er nog vrijwel niets gebeurd. Pogingen om de Duitse auto-industrie emissienormen op te leggen faalden jarenlang, zie de dieselfraude-affaire. U en ik zijn misschien onder de indruk van 2,7 miljard dollar boete, maar in de directiekamer van Google werd het vonnis begroet met de woorden: ‘We’ve won!’ Voor Google, Amazon en Facebook zijn zulke bedragen lunchmoney.

Waarschijnlijk zal het probleem dus wel geparkeerd worden op de bekende neoliberale vluchtheuvel genaamd ‘zelfregulering’. Hetgeen, zoals bekend, een oxymoron is. Zoals het woord ‘cyberdemocratie’ dat ook dreigt te worden.