Is het zo?

Van herkenning in de literatuur word je gelukkig. Dat geluk kan identificatie inhouden, maar hoeft niet persoonsgebonden te zijn. Zo is het! denk je, blij om de waarheid of schoonheid die gloort. Maar wat ís dan die waarheid, die schoonheid? Het is jammer dat in eigen woorden na te vertellen, want het was juist goed zoals het er stond. Wil een ander je leeservaring begrijpen, dan is precisie geboden, zeker bij poëzie, die kracht ontleent aan verdichting.

Wie goed leest, doet aan close reading. Er zijn veel Nederlandse dichters die zich daartoe lenen, die volop ‘zo is het’-gedachten wekken.
Zie Rutger Kopland. Hij groeit naarmate je hem beter leest, en als essayist doet hij niet anders dan goed lezen. Deze (ex-)psychiater is gewend zorgvuldig te zijn. Ook als hij speculeert gaat hij stap voor stap te werk. Hij is zo concreet mogelijk en zingt zich niet los van zijn onderwerp. Hij is zelfs zo belijdend sober dat het soms lijkt of hij een beeldenstorm predikt. Maar er gloort van alles bij hem. De euforie is gedempt, maar ze is er, als je goed leest.
Vorig jaar was hij gastdocent poëzie in Groningen, een gelegenheid die hij benutte door de poëtica van jongere collega’s te onderzoeken op esthetische ervaringen; eerder, in Het mechaniek van de ontroering, had hij dat al met de zijne gedaan. De keus viel op Esther Jansma, Frank Koenegracht, K. Michel, Tonnus Oosterhoff en Martin Reints. Hij maakte per brief zijn analyse, zij antwoordden en vervolgens werden beide brieven door de auteurs zelf in de collegezaal voorgelezen.
Het buitengewone resultaat, aangevuld met twee aulalezingen, kan worden nagelezen in Mooi, maar dat is het woord niet.
Weg met het 'ik begrijp het wel zo ongeveer’; hoed je voor projecties en associaties; je kunt op z'n minst aandachtig zijn voor je gaat invullen en interpreteren. Dat is Koplands les, en hij heeft natuurlijk gelijk. Zijn eigen manier van lezen is het aanstekelijke bewijs. Het enige wat beklemt is de 'zo is het’-teneur, ex cathedra. Niet dat Kopland gelijk wil hebben, maar hij spint zijn onderwerp wel erg in. Poëzie geeft haar geheimen nooit prijs. Na een vaststelling horen nieuwe vragen te rijzen. 'Mooi’ was het woord niet, maar ook Koplands beschouwingen zijn betrekkelijk.
Deze reserve meen ik ook bij de betrokkenen te bespeuren. Ze zijn erkentelijk voor de aandacht, ze zijn bewonderend, verrast, gevleid. Ze laten zich alleen niet in de 'zo is het’-hoek zetten. Ze waken ervoor een dekkende Kopland-lezing over hun poëzie gelegd te krijgen en zo zelf Koplandjes te worden. Een bundel is van al zijn lezers: de maker is erin opgegaan en per definitie vogelvrij. Voor iedereen. Dus wordt er geschrokken bij zo'n precieze maar ook uitsluitende lezing. K. Michel lijkt liefst onder de grond te willen kruipen - ík ben er niet, hoor -, Koenegracht slaat terug met nieuwe poëzie, de geestige Oosterhoff stelt na veel hoffelijks, de meester zelf citerend: 'We zoeken nog naar de juiste formules’.
De mooiste schrikreacties komen van Reints en ansma. Jansma, aangeslagen, duikt in het besproken gedicht en ontvouwt ontwapenend ernstig haar eigen, nog preciezere lezing. En Reints gaat gauw op de bèta-toer, de kant uit van het schone denken en de toetsbare formules. Goed beschouwd stuk voor stuk geschenken voor Kopland. Een ware vader weet de losworsteling van zijn troetelkinderen te waarderen.