Jood zijn in Frankrijk

‘Is hier geen beveiliging?’

Frankrijk heeft te maken met een toenemend aantal antisemitische geweldsdaden en bedreigingen. Rabbijn Delphine Horvilleur probeert op vaak onorthodoxe wijze groepen bij elkaar te krijgen.

Rabbijn Delphine Horvilleur op de uitvaart van de Franse schrijver- regisseur Marceline Loridan-Ivens. Parijs, september 2018 © Philippe Lopez / AFP / ANP

In het westen van Parijs, aan de linkeroever van de Seine, ligt een wijk vol hoogbouw. De Eiffeltoren is vlakbij, maar doemt alleen op bij het oversteken van een brede boulevard. Een groot deel van de straten wordt opgeslokt door een winkelcentrum. In een van die overdekte straten staat een beveiliger voor de dubbele voordeur van een hoekig pand. Wie naar binnen wil moet wachten tot de eerste deur is dichtgevallen, pas daarna gaat de tweede open.

Binnen buigt de 44-jarige rabbijn Delphine Horvilleur zich over een microfoon. ‘Ik heb een klacht: we hebben niets te drinken’, zegt ze. ‘Is er niet iets van wodka?’ Iemand reikt een doorzichtige fles aan. De rabbijn schenkt twee plastic bekers vol en geeft er een aan haar collega, de lange man die naast haar op het podium een gebed staat te zingen. Zodra hij klaar is, tikken ze de bekers tegen elkaar en slaan de inhoud achterover.

Een man in een lang wit hemd loopt langs de synagogegangers met een dienblad vol shotglaasjes eau de vie. Op een van de houten klapstoelen zit een man in een jurk. Hij heeft lippenstift op zijn lippen en een pruik op zijn hoofd. Iemand anders heeft zich verstopt achter een masker met het gezicht van de Franse president Emmanuel Macron.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch De Groene-redacteuren Margreet Fogteloo en Rosa van Gool. Ze kijken onder meer naar Jodenhaat in linkse en progressieve kringen. Onze podcast is elke vrijdag gratis beschikbaar

Het is Poerim en dat betekent dat de rabbijnen voorlezen uit het boek van Esther, de joodse vrouw die met de koning van Susa trouwt en ontdekt dat zijn adviseur Haman alle joden uit het koninkrijk wil uitmoorden. Elke keer dat de naam Haman valt, klinkt vanaf de klapstoeltjes kabaal. Kinderen gillen. Rateltjes ratelen, telkens opnieuw. De doorzichtige fles op de preekstoel wordt leger en leger.

‘Volgens een mop kun je joodse feesten in drie zinnen samenvatten’, zegt Delphine Horvilleur als ze de avond voor het feest van Poerim voor een volle bioscoopzaal staat. ‘Ze wilden ons doden. We zijn gered. Wat eten we?’ Bij Chanoeka is het olie, in allerlei vormen, bij Pesach is het tarwe, in de vorm van matses, en bij Poerim is het alcohol, heel veel alcohol. ‘We drinken tot we geen dorst meer hebben en misschien daarna nog meer. Totdat we niet meer weten waarom we er zijn, wat we doen of wie wie is. Totdat we het verschil niet meer zien tussen de een en de ander, tussen de held van het verhaal en de slechterik. We laten alle regels varen en duiken in een vorm van verwarring.’

In de rode bioscoopstoelen voor de rabbijn zitten mannen met keppeltjes naast moeders met tienerdochters en twintigers die na het lezen van Horvilleurs boeken nieuwsgierig zijn geworden naar haar maandelijkse makhloket, een bijeenkomst waarbij de deelnemers een joodse tekst bespreken. Toen Horvilleur ruim een jaar geleden met die bijeenkomsten begon, kon ze nog tussen de groepjes deelnemers door lopen om mee te denken. Inmiddels is zelfs een bioscoopzaal te klein. De online kaartverkoop was binnen twee uur uitverkocht.

De deelnemers hebben een uitdraai gekregen van een hoofdstuk uit het boek van Esther. Het is de enige bijbeltekst waarin de naam van God niet genoemd wordt, legt de rabbijn uit. ‘Het boek gaat over de vraag: wat als God deze keer niet ingrijpt in het verhaal? Wat moet er dan van ons worden? Jullie begrijpen dat het onmiddellijk een politieke vraag is. Wie is in ballingschap in staat om de veiligheid van de joden te garanderen? Het is een vraag die een duidelijke hedendaagse weerklank heeft.’

In Frankrijk, waar de grootste joodse gemeenschap van Europa woont, is antisemitisme terug in de actualiteit. Het ministerie van Binnenlandse Zaken registreerde 541 antisemitische geweldsdaden en bedreigingen in 2018. Het is een forse stijging ten opzichte van 2017 en 2016, al lag het aantal in die jaren juist lager dan voorheen.

Maar het is niet alleen de frequentie, maar vooral ook de aard van de gewelddaden die de aandacht trekt. Op 23 maart 2018 werd een 85-jarige joodse vrouw neergestoken en verbrand in haar Parijse appartement. Een van de daders was haar islamitische buurjongen. Een jaar eerder werd in een appartement in dezelfde wijk een 65-jarige joodse vrouw vermoord. Franse kranten berichten over Franse joden die wegtrekken uit de banlieues, naar wijken waar meer joden wonen of zelfs het land uit, naar Israël.

En dan zijn er nog de incidenten rond de demonstranten van de gele-hesjesbeweging, die sinds november 2018 elke zaterdag de straat op gaan om te protesteren tegen president Emmanuel Macron. Op een van die zaterdagen schreeuwden demonstranten antisemitische leuzen tegen de joodse filosoof Alain Finkielkraut. Op een andere zaterdag hield een groep demonstranten hun ene arm stijf langs hun lichaam en de hand van de andere arm strak voor de schouder van de gestrekte arm. Het was een soort omgekeerde Hitlergroet, bedacht door Dieudonné M’bala M’bala, een komiek die meerdere keren is vervolgd en veroordeeld voor onder andere ‘raciale belediging en haatzaaien’.

Hoe is het om joods te zijn in dit klimaat? Wie een tijdje meeloopt met rabbijn Horvilleur merkt al gauw dat die vraag niet eenduidig te beantwoorden is. In haar synagoge zitten mannen en vrouwen naast elkaar. Zestiger Lucien Gattino is alleen gekomen en vertelt dat hij nooit slachtoffer is geweest van antisemitisch geweld. Hij eet niet koosjer en draagt geen keppeltje. Hij gelooft niet eens in God, zegt hij. Hij was ook al jaren niet in een synagoge geweest, maar sinds hij kortgeleden met pensioen is heeft hij veel tijd. En hij was in de buurt. Daar zit hij nu dus, tijdens het feest van Poerim, met een geleend keppeltje van de synagoge op zijn achterhoofd te kijken naar het toneelstuk over Esther.

De jonge vrouw die Esther speelt blijkt een bekeerling. Vanwege haar donkere huidskleur associëren mensen haar niet gauw met het jodendom, zal ze later zeggen. Als haar zoontje bij het verlaten van de synagoge zijn keppeltje wil ophouden, protesteert ze. ‘Beter van niet’, zegt ze. ‘Voor de zekerheid.’

Horvilleur is achter op het podium op een stoel gaan zitten en kijkt lachend naar de acteurs. Ze heeft zich verkleed. Uit haar pruik steken grote hoorns en om haar schouders hangt een schapenvacht. Op een bordje rond haar nek is in blokletters het woord ‘EMISSAIRE’ geschreven. Ze is verkleed als bouc émissaire: als zondebok.

Delphine Horvilleur is een van de drie vrouwelijke rabbijnen van Frankrijk. Ze is niet alleen te vinden in de synagoge, maar ook in televisiestudio’s, boekwinkels, bibliotheken, jury’s van feministische prijzen en politieke debatten. Ze wil een publiek bereiken buiten de joodse gemeenschap. ‘Ik geloof dat we niet in bubbels moeten leven, we moeten weten wat anderen doen’, zegt ze. ‘In haat zit vaak een element van onwetendheid. Als ik andere mensen ontmoet, ontstaat er iets gemeenschappelijks en vanaf dat moment wordt het ingewikkelder voor ze om over joden te spreken alsof er een totaliteit is. Ze gaan ook mijn gezicht voor zich zien.’

‘Als antisemitisme opkomt, als de haat voor de ander groeit, dan is dat een test voor de natie, haar waardigheid en haar grootsheid’

Toch twijfelde ze even toen ze in Straatsburg werd uitgenodigd voor een debatavond met het thema ‘kunnen we leven zonder geloof?’. ‘Dat kwam door het thema dat jullie gekozen hadden’, zegt Horvilleur vanaf het podium, een kartonnen koffiebeker in haar hand. ‘Geloven. Ik heb een hekel aan dat onderwerp.’ De zaal begint te lachen. ‘Als mensen mij een vrouw van het geloof noemen, heb ik de neiging me om te draaien om te zien of ze het niet tegen iemand anders hebben’, zegt de rabbijn. ‘Ik begrijp niet precies wat dat betekent: geloven.’

Horvilleur groeide op in een gezin waarin de joodse cultuur sterk aanwezig was. Haar ouders aten koosjer en bezochten de synagoge. Haar vader was arts, haar moeder onderwijzer. Ze waren kort na haar geboorte verhuisd van Nancy naar Épernay, een provinciaal stadje in het noordoosten van Frankrijk, waar Horvilleur op school de enige joodse was. ‘Ik begon me daardoor al heel jong vragen te stellen over mijn identiteit’, zegt ze. ‘Waarin was ik hetzelfde als de anderen? Wat maakte me anders dan de rest?’

Wat een joodse identiteit eigenlijk inhield, was ook ingewikkeld. Haar vader, afkomstig uit een familie van Franse joden, hechtte grote waarde aan de ideeën van de Franse republiek. De familie van haar moeder kwam uit Oost-Europa, uit Hongarije en Slowakije. Het was een migrantenfamilie, ontworteld door het geweld van de Tweede Wereldoorlog. ‘Ik had al die verschillende stemmen in mijn hoofd’, zegt Horvilleur. ‘En ik vroeg me af wat dat allemaal betekende.’

Ze raakte geïnteresseerd in het verhaal van Abraham, die de Hebreeuwse identiteit kreeg op het moment dat hij het huis van zijn vader voorgoed verliet. De eerste Hebreeuw, de vader van de joden, ontleende die identiteit dus niet aan zijn afkomst, maar aan het feit dat hij daarmee gebroken had, dat hij op pad was gegaan. Wat betekende dat?

Horvilleur ging naar Israël om geneeskunde te studeren en keerde een paar jaar later terug naar Frankrijk voor een opleiding journalistiek. Ze kreeg een baan op de wetenschapsredactie van de publieke televisiezender France 2 in Parijs. Het was ergens in deze periode dat ze voor het eerst in aanraking kwam met het progressieve jodendom uit de Verenigde Staten. ‘Ik was altijd al geïnteresseerd in de joodse teksten en de cultuur, maar ik dacht dat ik niet religieus kon zijn’, zegt ze. ‘Ik ben niet orthodox. Toen ik het progressieve jodendom ontdekte begreep ik dat ik de cultuur kon verbinden met een religieuze houding. Ik dacht: nu kan ik de teksten bestuderen.’

In Frankrijk, waar binnen de joodse gemeenschap het orthodoxe jodendom dominant is, kon dat niet. Van alle studiecentra waar ze zich aanmeldde, was er niet een bereid een vrouw toe te laten. Horvilleur vertrok naar New York. Toen ze terugkwam werd ze door de Liberale Joodse Beweging aangesteld als rabbijn van de synagoge in de straat onder het winkelcentrum, waar ze regelmatig op pumps achter de preekstoel staat en praat over feminisme. Of ze zingt met gesloten ogen, haar krullen naar achteren geworpen, met haar hand het ritme mee slaand op het hout.

Emmanuel Macron, zijn vrouw Brigitte Macron en Delphine Horvilleur bij de uitreiking van de Simone Veil Prijs aan Aissa Doumara Ngatansou (naast Macron) in het Élysée. Parijs, 8 maart © HAMILTON-POOL / SIPA / HH

In Straatsburg is Horvilleur na het debat aan een tafel voor het raam in de hal gaan zitten en signeert boeken. Achter haar torent de punt van een kathedraal boven de gebouwen uit. Daarachter ligt de Jodenstraat. Het is een van de plekken waar de geschiedenis van de joden en de geschiedenis van de jodenhaat samenkomen. Een gedenksteen aan een muur herdenkt de synagoge die eerst op nummer 15 was gevestigd en later op nummer 30, en het joodse badhuis op nummer 19. Tot 1349, staat op de steen. Toen kwam de pest. In het middeleeuwse Straatsburg ging het gerucht dat de joden de ziekte verspreidden. Bange inwoners lieten de lokale machthebbers aftreden, omcirkelden de joodse wijk en dreven de joden naar de begraafplaats verderop, waar ze ze levend verbrandden.

Na dat bloedbad was het nog honderden jaren verboden voor joden om in Straatsburg te overnachten. In de dorpen rond de stad ontstonden joodse gemeenschappen. Zo ook in Quatzenheim, dat twintig kilometer ten westen van Straatsburg ligt. Het is een klein dorp met boerderijen en een joodse begraafplaats die ooit aan de rand van het dorp lag en inmiddels is omringd door nieuwbouwwoningen. Op 18 februari, de vooravond van een landelijke demonstratie tegen antisemitisme, klommen onbekende daders over de bakstenen muur van de begraafplaats en bekladden 96 van de 245 grafstenen.

Het is een lage muur. ‘Een beetje sport en je bent er zo overheen’, zegt Francis Bloch, de begraafplaatsbeheerder. Hij vertelt dat de bewoners van de buurhuizen niks gehoord hadden die nacht. ‘Het was volle maan, dus ze hebben rustig kunnen doorwerken. Als je met z’n drieën of vieren bent en je bent een beetje geoefend, dan heb je die hakenkruizen zo gezet. Ik denk dat het schoonmaken langer duurde.’

Bloch is net vanuit Straatsburg naar Quatzenheim gereden en heeft de sleutel van de begraafplaats opgehaald bij de boerderij die er tegenover staat. Familieleden die een graf willen bezoeken, weten waar ze de sleutel kunnen vinden. De poort zit altijd op slot. Onder het sleutelgat is een ondefinieerbare groene vlek achtergebleven, waarin nog vaag een hakenkruis te herkennen is. ‘We zullen het moeten verven’, zegt Bloch.

Hij opent het hek en loopt naar binnen. De begraafplaats van Quatzenheim ligt op een helling. Beneden steken de oudste grafstenen scheef uit het hoge gras. Boven, tussen het nieuwste graf en de omheining, is weinig ruimte over, hoogstens genoeg voor een handvol graven. Genoeg, waarschijnlijk. Het dorp telt tegenwoordig nog slechts één joodse inwoner. Het oudste graf stamt uit 1795, toen de eerste joden in Quatzenheim kwamen wonen. Ze zouden een synagoge krijgen die groot genoeg was voor honderd man, en een badhuis, een joodse school en een joodse slager. Op een gegeven moment woonden er evenveel joodse als christelijke kinderen in het dorp. Een tijdlang hadden ze zelfs een rabbijn. ‘Na de Eerste Wereldoorlog is een deel van de gemeenschap naar Zuid-Amerika vertrokken’, zegt Bloch. ‘Een ander deel is uitgeroeid tijdens de Tweede Wereldoorlog.’

Blochs eigen ouders kwamen kort na de Tweede Wereldoorlog in het dorp wonen, vertelt de begraafplaatsbeheerder. Zijn moeder had de oorlog ondergedoken doorgebracht. Zijn vader was als Frans soldaat krijgsgevangene geworden van de Duitsers en had juist daardoor de oorlog overleefd. In Quatzenheim ontstond weer een kleine joodse gemeenschap. De synagoge was verwoest, maar in het pand ernaast was een ruimte waar ze samen de feestdagen vierden. Sabbat vierde iedereen thuis. Met de andere dorpelingen waren er nooit problemen. Bloch ging naar de openbare school en vertrok later naar Straatsburg om rechten te studeren. Hij werkte er als advocaat en woont er nu, na zijn pensioen, nog steeds. Zijn vrouw zou nooit in Quatzenheim willen wonen, zegt hij, en hijzelf eigenlijk ook niet meer. Hun zoons wonen ook in Straatsburg en komen iedere vrijdag met hun vrouwen langs om Sabbat te vieren. Vanavond ook. Hij heeft het bijbehorende brood al klaarliggen in de achterbak.

Bloch loopt de helling op, richting de nieuwere graven. Vanaf de overkant van de weg komt het geluid van een zingende mannenstem aanwaaien. De beheerder neuriet zachtjes mee. ‘Johnny Hallyday’, zegt hij dan. ‘Ik heb vergeten te leven.’

Toen de begraafplaatsbeheerder op 19 februari vanuit Straatsburg was komen aanrijden, was de politie al ter plaatse en de begraafplaats verboden terrein. Bloch liep via de buitenkant van de muur de helling op. Boven bleef hij staan en zag dat het graf van zijn ouders was bespoten met blauwe blokletters. ‘Marmer is poreus’, zegt Bloch. ‘Alles trekt erin.’ De beheerder heeft de camera van zijn telefoon op het graf van zijn ouders gericht. Het is een breed graf met goudkleurige letters: Charles Bloch 1913-1992. Irene Bloch, geboren Roos, 1922-1994. Als hij een stap naar links zet, weerspiegelen cirkelvormige poetsvlekken op het lichtgrijze marmer. Als hij naar rechts stapt, worden de blokletters weer zichtbaar, lange, donkere strepen in de lichtgrijze steen. ‘PLAN KAIERGI’ staat er.

‘De laatste jaren duikt het antisemitisme op waar je het niet verwacht. Veel ouders zijn beschermend geworden’

Bloch denkt dat het een verwijzing is naar Richard Coudenhove-Kalergi, een schrijver en politicus die in 1925 voorspelde dat de witte Europeanen zouden verdwijnen. De man van de toekomst zou een mengelmoes van rassen zijn. De daders komen uit de extreemrechtse hoek, vermoedt Bloch, maar veel meer weet hij niet. Er zijn geen verdachten opgespoord. ‘Als het niet om mijn ouders ging had ik het ook erg gevonden’, zegt hij als hij even later terugloopt naar zijn auto. ‘Ze vallen mensen aan die er zelf niet meer zijn.’

Hij was een tijdlang blijven staan kijken, die ochtend op de helling, vertelt de begraafplaatsbeheerder. Om hem heen hadden inwoners uit het dorp gestaan. ‘Ook zij waren verbijsterd’, zegt hij. ‘Niemand begreep hoe dit kon gebeuren.’

Die avond van 19 februari sprak Horvilleur in Parijs tijdens de demonstratie tegen antisemitisme een menigte toe. ‘Als antisemitisme opkomt’, zei ze vanaf een podium op het Place de la Republique, ‘als de haat voor de ander groeit, dan is dat een test voor de natie, voor haar waardigheid en haar grootsheid.’ De twintigduizend demonstranten luisterden zwijgend toe.

Toen Delphine Horvilleur jong was, zweeg ze soms over haar joodse achtergrond. Achteraf weet ze niet goed waar dat vandaan kwam. Niemand had haar gewaarschuwd. Toch voelde ze dat het gevaarlijk kon zijn. Er waren opmerkingen. ‘Je eet als een jood’, hoorde ze wel eens als iemand zijn eten niet wilde delen. Of: ‘Niet joods doen’, als iemand gierig was. ‘Ik reageerde er niet op’, zegt Horvilleur. ‘De mensen die dat zeiden waren geen antisemieten. Het was onderdeel van de cultuur. Ik was me ervan bewust dat antisemitisme deel uitmaakte van de wereld om me heen en ik was wantrouwend.’

Voor haar eigen kinderen is dat anders, denkt de rabbijn. Ze groeien op in een ‘joodsere’ omgeving, in Parijs, met een moeder die rabbijn is. Toch stond ze erop dat haar zoon iets anders zou aantrekken toen hij laatst in een shirt met een Hebreeuwse print naar school wilde gaan. ‘De laatste jaren duikt het antisemitisme op waar je het niet verwacht, je ziet hakenkruizen in chique wijken’, zegt ze. ‘Veel ouders zijn beschermend geworden. Dat lijkt me normaal.’

In een boekwinkel in de Parijse voorstad Montreuil is de achterdeur op slot gedaan. De voordeur schuift bij iedere nieuwe klant open en dicht. ‘Is er geen beveiliging?’ vraagt een bejaarde vrouw. ‘En dat terwijl de aankondiging zo groot in de etalage hangt?’

Delphine Horvilleur komt haar nieuwste boek presenteren: Réflexions sur la question antisémite. De rabbijn is ervoor in de joodse geschriften gedoken om te zien hoe daar over jodenhaat wordt geschreven. Met welke verhalen geven de rabbijnen hun ervaringen door? En wat zeggen zij over de jodenhater?

Een van de eerste personages die ze tegenkwam was Haman, de jodenhater uit het boek van Esther. Hij blijkt een afstammeling van Amalek, die de joden in een eerder bijbelverhaal van achteren aanvalt als ze net uit de slavernij zijn bevrijd en Egypte verlaten. En Amalek blijkt een afstammeling van Esau, de gespierde tweelingbroer uit het verhaal van Jacob en Esau, die vechten om de zegen van hun stervende vader. Als eerstgeborene heeft Esau er recht op, maar zijn broertje Jacob, een moederskind, krijgt hem via een list.

Later, als de joden in het Romeinse Rijk wonen, noemen ze de Romeinen in de teksten van de Talmoed vaak ‘kinderen van Esau’. Het verbaast Horvilleur. Waarom zou je voor het beschrijven van je onderdrukkers een bijbelpersonage kiezen uit een familieruzie? Misschien omdat in datzelfde verhaal staat dat Esau uiteindelijk ten onder zal gaan, schrijft ze. Of omdat de broers symbool staan voor twee verschillende archetypes: de een sterk en mannelijk, de ander zonder macht of kracht, maar met zijn intellect als wapen.

In antisemitische verhalen wordt de jood vaak afgeschilderd als minder mannelijk, schrijft Horvilleur. De rabbijnen zijn niet alleen van dat stereotype op de hoogte, maar lijken er juist een rolmodel van gemaakt te hebben. In hun verhalen zetten ze hun wijze man tegenover gespierde gladiatoren en laten hem winnen met behulp van een list.

Over Amalek, de afstammeling van de gespierde Esau, staat in de bijbel trouwens een merkwaardige waarschuwing: ‘Je moet de herinnering aan Amalek uitwissen: vergeet dat niet.’ ‘Misschien hangt de veerkracht van een mens wel af van dat subtiele gebod’, schrijft Horvilleur. ‘Herinner je wat je is overkomen, verzeker je ervan de herinnering aan het verleden te behouden, maar laat het verleden niet verteld worden door de schreeuwende stem van Amalek. Laat de haat van wie je heeft geslagen of overmand niet alles zeggen over wie je bent.’

‘Vertel nog iets over Haman?’ vraagt de interviewer in de boekenwinkel. De rabbijn begint te vertellen over Poerim, als de verklede synagogegangers joelend de naam van de jodenhater proberen te overstemmen, iedere keer als die genoemd wordt. ‘We vertellen het verhaal van een poging tot genocide en dat doen we op een carnavaleske manier’, zegt Horvilleur. ‘Dat lijkt verwarrend, maar het is niet onbeduidend. Het is een ontzettend sterk veerkrachtsmiddel.’

Er is een andere reden waarom het boek van Esther interessant is, zegt de rabbijn. In dat boek staat de koning van Susa tussen de joden en de jodenhater in. ‘Die machtsdriehoek zie je ook op andere momenten in de geschiedenis terug’, zegt Horvilleur. ‘In de antisemitische retoriek wordt joden vaak verweten dat ze een nabijheid cultiveren met de macht en dat is niet helemaal onjuist. De joden hebben op verschillende momenten geprobeerd een nabijheid met de macht te creëren, maar ze deden dat omdat hun overleving ervan afhankelijk was. Op de momenten dat de macht de joden in de steek liet, waren de joden verloren, dat heeft de geschiedenis aangetoond. Ze werden uitgeroeid of moesten het territorium verlaten. Het is belangrijk om dat in te zien.’

Je ziet die machtsdriehoek soms onverwacht opduiken, zegt de rabbijn, zoals de afgelopen maanden in Frankrijk, toen demonstranten met gele hesjes plaatsnamen op rotondes door het hele land. ‘Veel mensen waren verbaasd toen op protestborden op die rotondes opeens de joden opdoken’, zegt ze. ‘Er komt een protest op tegen de macht, oké, dat kan in iedere democratie gebeuren, maar wat hebben de joden daarmee te maken? Waarom klinkt er: “Macron, hoer van de joden”? Het lijkt alsof de jood op verschillende momenten in de geschiedenis een naam wordt van iets wat weinig met de joden zelf te maken heeft. De naam van iets wat de anderen verhindert zichzelf te zijn, van hen die iets hebben wat de anderen niet hebben, hen die geconfisqueerd hebben wat de anderen hoorden te hebben.’

Ze wil nog iets belangrijks zeggen, zegt de rabbijn tegen haar publiek in de boekenwinkel. ‘Dit boek is niet gericht aan de joden, want ik geloof niet dat het aan de joden is om tegen het antisemitisme te strijden. In ieder geval niet meer dan de anderen. Ik denk dat iedereen tegen het antisemitisme moet strijden en moet proberen het beter te begrijpen, want het antisemitisme gaat niet alleen over de plek van de jood in de samenleving. Het is een voorloper van een algemene ontbinding van een samenleving, van een angst voor de ander, van geweld tegen de ander. De jood is de eerste die die naam krijgt, maar uiteindelijk kunnen we allemaal voor iemand de ander worden.’

Een zaterdag in Parijs. Voor treinstation Gare de l’Est maakt een mensenmenigte zich op om richting de Eiffeltoren te lopen. Het is de twintigste zaterdag dat ze in hun gele hesjes gaan protesteren. ‘We zijn er allemaal’, roept een veertigjarige vrouw door een megafoon. Een priester heeft een afbeelding van Maria meegenomen. Een man met opgeschoren haar heeft een sticker op zijn rug geplakt. ‘Geen racist, geen antisemiet, geen seksist, geen homofoob’, staat erop. De zon schijnt fel, de meute komt in beweging.

Naast de Eiffeltoren, het eindpunt van de protestmars, in de synagoge met de dubbele voordeur, viert Delphine Horvilleur de bar mitswa en bat mitswa van twee tieners, een jongen en een meisje. Ze hebben allebei een stuk uit de thora voorgelezen en hun eigen interpretatie van de tekst voorgedragen. De rabbijn is onder de indruk van hun analyses. ‘Jullie hebben de druk opgevoerd voor jullie opvolgers’, zegt ze. Ze kijkt naar het balkon, waar haar zoon zit. Volgende week is hij aan de beurt.