Is hiermee het onderwerp gesloten?

De vraag is zo oud als het fenomeen: hebben ‘we’ of ‘ze’ het geweten? Het antwoord heeft in de loop van ruim 65 jaar het volledige spectrum doorlopen, van stellige ontkenning naar even stellige bevestiging. Mede daardoor is het nooit bevredigend beantwoord en bleef de consensus onder specialisten ambivalent.

Niemand beweert dat ‘men’ niets geweten heeft, niemand beweert dat diezelfde men goed op de hoogte was. Gevolg hiervan is dat het debat eerder gaat over het ‘we’ en het ‘het’ dan over het weten. Wie waren die ‘wij’? In de eerste tientallen jaren na de oorlog werden daarmee zonder uitzondering de Duitsers bedoeld en werd hun ‘nicht gewusst’ honend als smoesje afgedaan. Vanaf ongeveer 1970 gebeurde hetzelfde, zij het minder stellig, waar het geallieerde machthebbers en andere politieke hotemetoten betrof. De publicatie van While Six Million Died van Arthur Morse in 1968 en die van The Terrible Secret van Walter Laqueur in 1980 overtuigden velen ervan dat de westerse machten heel wat boter op het hoofd hadden. Sinds een jaar of vijftien à twintig is de groep van ‘weters’ in het publiek discours nog verder uitgedijd, naar eigenlijk zo goed als iedereen die destijds bij zinnen was. De in Nederland meest uitgesproken vertolking van deze visie is het boek van Ies Vuijsje uit 2006, Tegen beter weten in. Belangrijkste stelling hiervan is dat de kennis van de shoah opzettelijk werd verdrongen. Conclusie: ‘iedereen’ is schuldig.

Zoals gezegd hebben specialisten laatst­genoemde stelling nooit aanvaard. Zij zou onvoldoende rekening houden met de toenmalige complexiteit. Vuijsje’s in de media met enthousiasme ontvangen boek werd door de kenners dan ook neergesabeld. Maar hoe het nu precies zat, wat er wel waar was en wat niet, ze wisten het niet. Dat gold ook voor de Leidse historicus Bart van der Boom, auteur onder meer van een boek over Den Haag in oorlogstijd en van een kleiner boek over de stemming in diezelfde tijd. Vuijsje’s publicatie deed hem besluiten de vraag tot op de bodem uit te spitten. Ruim vijf jaar later ligt er het resultaat: ‘Wij weten niets van hun lot’: Gewone Nederlanders en de Holocaust. Een belangrijk boek.

‘Gewone Nederlanders’, zij zijn naast het lot van hun joodse tijdgenoten de hoofdpersonen van Van der Booms studie. Daarmee is meteen het belangrijkste methodologische probleem gegeven: hoe kunnen we achterhalen wat gewone Nederlanders weten of geweten hebben? Sinds 1945 is het in toenemende mate gebruik de publieke opinie via enquêtes te bevragen, maar dat fenomeen bestond destijds nauwelijks, minder nog omdat het tijden waren van oorlog en dictatuur. Hoe dan de publieke mening peilen? Je zou de media kunnen raadplegen. Maar zijn journalisten gewone Nederlanders? En hoe betrouwbaar zijn media in oorlogstijd? Je zou ook interviews kunnen houden. Nadeel daarvan weer is dat ook het geheugen onbetrouwbaar is. Blijft eigenlijk maar één bron – en die was dan ook uitgangspunt van deze studie: dagboeken. Het gelukkig toeval wil dat er daarvan in Nederland heel wat bewaard zijn gebleven en op dit moment al zo’n tweeduizend beschikbaar zijn – in handschrift, uitgave of digitaal. Van die tweeduizend werden er door Van der Boom en zijn studenten 450 bekeken en 164 geselecteerd. Die selectie vormt de basis van dit onderzoek.

Nu is het eenvoudig bij dagboeken, zeker als het er maar zo weinig zijn, kanttekeningen te plaatsen. Hier staat tegenover dat die kanttekeningen in het niet vallen bij het verheugende feit dat de dagboeken bestaan. Terecht dan ook dat Van der Boom hierop zijn onderzoek baseert. Het is dit of niets. Over de uitkomst laat hij vervolgens geen twijfel bestaan. In één zin gezegd: men heeft het niet geweten. ‘Bij gebrek aan heldere, frequente en gezaghebbende informatie was weten geen optie (…) De gewone Nederlander wist niets over het lot van de joden. Maar hij vermoedde, veronderstelde, vreesde wel iets (…) Niemand zag de deportatie van de joden als een onschuldige operatie. Dat zij slecht behandeld zouden worden, dat er op termijn veel doden zouden vallen, was vanzelfsprekend. De vraag was hóé slecht, hoevéél doden en op welke termijn. Dat was allemaal hoogst onzeker.’

‘Doet dit alles ertoe?’ Dit is de vraag waarmee Van der Boom het hoofdstuk opent dat volgt op geciteerde conclusie. Zijn antwoord is ja, het doet er zeer veel toe. Daarin heeft hij zonder twijfel gelijk. Want stel dat Vuijsje c.s. gelijk zouden hebben en men het inderdaad geweten had: dan waren de Nederlanders van destijds collectief medeplichtig – geen moordenaars maar handlangers. Stel dat de gewone joden het geweten hadden: dan zijn zij onbegrijpelijk en waren laffe stommelingen. Maar zo is het dus niet, gelukkig maar. ‘De onwetendheid over Auschwitz is een onmisbare sleutel tot hét raadsel van de bezettingstijd’, schrijft Van der Boom. ‘Het feit dat de Nederlandse maatschappij niet in verzet kwam tegen een vervolging die zij wel verafschuwde; het feit dat zowel omstanders als slachtoffers bleven gehoorzamen.’

Is hiermee het onderwerp gesloten? Wat betreft het oorlogsverhaal wel, denk ik. Er komt vast nog nieuwe informatie, maar wat de conclusie betreft zal er niet veel meer veranderen. Anders ligt het met de conclusie die we op basis hiervan weer moeten trekken, en die met geschiedschrijving niets maar met actuele politiek alles te maken heeft: dat je wat betreft het optreden van dictators, legers of collectieven nauwelijks cynisch of voorzichtig genoeg kunt zijn; zij zijn tot veel ernstiger daden in staat dan een normaal mens in normale omstandigheden zich kan indenken.

Bart van der Boom, ‘Wij weten niets van hun lot’: Gewone Nederlanders en de Holocaust. Boom, 535 blz., € 29,90