De toekomst van de islam

Is hun bloed geen bloed?

Gek genoeg besteedt Edward Said er in zijn Orientalism (1978) geen woord aan, maar in Fellini’s Amarcord (1973) wemelt het van de exotische stereotypen. Je ligt dubbel als je die dikke kaboutersjeik ziet arriveren bij het hotel, met in zijn kielzog een sliert bont gesluierde meisjes. Bewaakt door krijsende en met kromzwaard zwaaiende lijfwachten maken de sluiers buikdansend hun opwachting; intussen achtervolgt en besnuffelt de sjeik een paar blanke serveersters als een boeketje exotische bloemen. Je lacht erom omdat het satire is, meesterlijke spot via de karikatuur.
We zijn nu bijna vier decennia verder en wie de dagelijkse kranten en tv-programma’s bekijkt, snakt naar een beetje Fellini. Moslims zijn fanatiek, geil, lui, gewelddadig, misogyn en sinds de herontdekking van het middeleeuwse taqqiya notoire leugenaars bovendien - zo ongeveer is het plaatje. Maar waar Fellini met een knipoog de kijker in ’t ootje neemt, staat ons debat stijf van kommer en beven. Toen ik een keer naar de grote varkensredder Paul Cliteur knipoogde dat hij de aanwezigheid van moslims juist zou moeten toejuichen omdat een grote moslimbevolking de perfecte oplossing is voor de door hem verfoeide varkens-bio-industrie, kon er geen lachje van af. En als Pauw & Witteman het islamitische gedachtegoed aan de kijker willen uitleggen, verschijnt er aan tafel een type dat weggelopen lijkt uit een Duizend-en-één-nacht-griezelsprookje. Komt het nog goed met de polderislam? Ik moet voorzichtig zijn, want voorspellingen doen over een godsdienst is voorbehouden aan sterrenwichelaars, koffiedikkijkers en een trits columnisten die in ieder multicultureel incident de eerste contouren van het moslimkalifaat zien opdoemen.
Wat zei de profeet eigenlijk zelf? Ergens in een Mekkaanse hadith beweert Mohammed dat er een tijd komt dat zijn boodschap nog maar gedragen wordt door een handjevol volgelingen, de rest is hopeloos verloren. Of dit een troost is voor Geert & Co weet ik niet, Mohammed zei er namelijk niet bij wanneer. Tot die tijd zullen we ons moeten vermaken met islamcolumns door islamleken die onophoudelijk boven hun theewater wiebelen. Terwijl in academische kringen gezaghebbende arabisten en islamologen nauwelijks nog worden gepolst of al lang zijn afgehaakt omdat ze wel wat beters te doen hebben. Hun plaats is ingeruild voor een clubje in toga getooide PVV-buiksprekers.
Intussen, terwijl kunst & cultuur de nek wordt omgedraaid, mag een partijleider kwekken als een fascist. Maar hem een fascist noemen, dat gaat te ver, dat is een staaltje zelfislamisering en dhimmitude van heb ik jou daar. Zoiets overkwam Anil Ramdas en Rob Riemen, twee nette intellectuelen die zo stom waren geweest het beest bij de naam te noemen. Maar o jee, niet het beest is angstwekkend, welnee, deze twee heren!
Taal schept zijn eigen demonen. In de krochten van de samenleving is iets smeulende. Een vuurtje dat precies appelleert aan de nachtmerries van zijn vijand, er als het ware uit is geboren: een groeiende groep kwezels die inmiddels zo murw is geslagen dat hun niets anders rest dan schouderophalend Nederland de rug toe te keren of anderszins terug te meppen met eenzelfde zweep: oorlogstaal. Dan spreekt men ras van Nederlanders als ‘een stelletje zionistische varkens bij wie racisme aan het DNA kleeft’ en wordt de hoofddoek strakker geknoopt. Zodat we precies belanden waar het rechts-populisme ons wil hebben: op het front van een (vooralsnog mediamieke) guerrillaoorlog. Van enige kennismaking, handreiking, begrip, verstandhouding is nauwelijks nog sprake, niet vanwege gebrek aan tijd of zin, maar vanuit een soort grondprincipe: wie dialogiseert, die capituleert.
Zoals elk principe werkt ook dit principe wederkerig. Zo ken ik een goed geschoolde kwezel die koppig op ieder sollicitatiegesprek in baard en djellaba verschijnt, en vervolgens in zijn buurtkroegje moord en brand schreeuwt omdat hij wéér niet aan de bak is gekomen. Dit soort islamdom is ten dode opgeschreven, juist omdat het niet meer is dan een petitio principi: het blijft steken in zijn eigen verkondiging. De anachronistische riten en voorschriften die deze kwezels in ere houden, vormen niet het pronkstuk van de islam, maar zijn er de laatste overblijfselen van. Anderzijds: ik wacht nog steeds op het diepte-interview met een Taliban- of Hamas-strijder. Hebben deze mensen soms geen ziel, geen geschiedenis? Is hun bloed soms geen bloed? Ja, ook zij hebben een verhaal, een verhaal dat misschien ongemakkelijk maakt, ons misschien uitdaagt, prikkelt en, wie weet, zelfs bekeert.
Hoe dan ook, vroeg of laat moeten we uit onze loopgraven kruipen. 'Soft’ en 'dialoog’ verdienen weer een prominente plek in ons vocabulaire, en het 'kopje thee’ dient onverwijld gerehabiliteerd. En natuurlijk, de mensheid als één grote familie is een utopie die voortkomt uit de meest middelmatige logica; ieder mens leeft als een wilde in zijn hol. Toch moeten we, om schimmel en verzuring tegen te gaan, af en toe de kop buiten de deur steken.
Zoiets moois overkwam bijvoorbeeld de Amerikaan Daniel Everett. In zijn Don’t Sleep, There Are Snakes lees je hoe hij op een broeierige lenteavond in 1977 met zijn gezin neerstreek in de woeste bossen aan de mond van de Amazone. Everett kwam een kopje geestverruimende thee drinken met het kleine volk Pirahã. Hij had een praktisch doel: hun zieltjes winnen via het licht van Here Jezus, Everett was namelijk een zendingswerker. Maar niet de Pirahã’s werden bekeerd - Everett werd bekeerd. De schoonheid van de Pirahã-taal, hun intelligente en mystieke kijk op het leven, hun goedgemutstheid en hulpvaardigheid: het trof Everett in het hart. De Pirahã’s zeiden: je mag bij ons blijven, we vinden je aardig, maar je moet niet steeds over Jezus beginnen.
Een leerzame geschiedenis van een man wiens gelijkhebberigheid wreed werd verstoord toen hij eenmaal uit zijn hol kroop. Verplichte kost voor alle discussianten, moslims en niet-moslims.

Mohammed Benzakour (1972) is columnist en dichter. Zijn meest recente boek is Stinkende heelmeesters (De Geus, 2008)