Film

Is Brokeback Mountain een homofilm?

In verhalen over mannen blijkt De Grote Liefde doorgaans bedrieglijk, een verloren zaak, een hersenspinsel. In Brokeback Mountain, Ang Lee’s gevoelige, bombastische bewerking van Annie Proulx’ verhaal uit 1997, is het een natuurkracht. Twee straatarme cowboys, herders van een kudde schapen op een berg in Wyoming, ergens tegen de boomgrens aan, worden meegesleurd in een liefde voor elkaar waarvan ze geen idee hebben hoe ze die moeten benoemen, laat staan hoe ze ermee om moeten gaan. Geen van beiden ziet zichzelf als «homo», integendeel. Ze geven de berg de eer voor én de schuld van de affaire die in de volgende twintig jaar hun leven een af en toe opflakkerende grandeur verleent en die ze ook, uiteindelijk, op de knieën dwingt.

Is Brokeback Mountain, zoals overal wordt geroepen, Hollywoods eerste gay liefdes verhaal? Het antwoord – met positieve bedoeling, denk ik – is ja wat het liefdesverhaal betreft, en nee wat «gay» betreft. Voor alle duidelijkheid: de film is even open in het tonen van seks tussen mannen als in het gebruik van ouderwets romantische filmconventies. De sterren van de film zijn onbeschaamd glamourous; Jake Gyllenhaal staat met zijn grote bruine ogen even ver af van Proulx’ kleine Jack Twist, met zijn hazentanden, als Heath Ledger met zijn hoekige kaken van haar Ennis del Mar, «sjofel, met een wat ingevallen borst». In hun op maat gemaakte jeans en hun gestreken flanellen shirts lijken Gyllenhaal en Ledger meer op fotomodellen in een Wrangler-reclame dan op teenagers die te arm zijn om nieuwe laarzen te kunnen kopen. En toch voelt de film nergens synthetisch, zoals het afgrijselijke Making Love (1982), of lullig, zoals in homoporno. Integendeel: de buitensporig grote screen presence van de twee sterren geeft Lee de mogelijkheid op het scherm tot leven te brengen wat in essentie een loflied is op de mannelijkheid.

Want mannelijk is deze film. Ledgers verbijsterende rol onthult een onverdachte bron van tederheid in een personage dat zijn emoties liever met geweld dan met woorden uit. Zijn Ennis del Mar is even monolithisch als het berglandschap, waarin hij Jack Twist voor het eerst neukt, met dezelfde handigheid, botheid en doelgerichtheid die hij tentoonspreidt als hij een eland schiet. («Het geweer… gaat… af!!») kreunt Jack ten antwoord – in het boek, niet in de film.) Ennis’ verbazing over de affaire, zo ongemakkelijk, zo intens, weerspiegelt een fundamentele bescheidenheid, die keer op keer in botsing komt met Jacks bereidheid risico’s te nemen. Het is Jack die steeds opnieuw voorstelt samen een ranch te beginnen, een plan waar Ennis alleen maar pragmatisch op reageert, of zelfs angstig, ook als zijn vrouw Alma van hem gescheiden is. In plaats daarvan beperkt hij de relatie tot jacht- en vistripjes, twee of drie keer per jaar. Het is alsof hij gelooft dat zij niet beter verdienen.

Dezelfde «ze kunnen allemaal mijn rug op»-branie die Jack doet dromen van een «zoet leven» met Ennis, brengt hem ertoe seks met andere mannen te zoeken, iets waar Ennis niet over peinst. Waarschijnlijk is het de teleurstelling over het feit dat hij door Ennis zo kort gehouden wordt die Jack naar de louche schijnwereld van Juarez voert, waar hij in een cruciale scène een hustler oppikt en met hem in de letterlijke duisternis van een steegje verdwijnt. Die scène is verwarrend, niet alleen omdat die zo’n groot contrast vormt met Jack en Ennis’ stevige en verheven liefdesspel boven op de bergtop, maar ook omdat Lee daarmee zijn enige uitstap maakt naar het nachtlandschap van de grote stad, het traditionele decor van de gay film in de jaren zeventig en tachtig, van Nighthawks en Taxi zum Klo tot Cruising. Het is maar een moment, maar seks wordt daar getoond als vervreemdend en emotieloos, een bleek surrogaat voor verbondenheid.

Dat is in de verste verte niet het effect van de overige scènes van Brokeback Mountain. Misschien is er juist een vrouw voor nodig om een verhaal te bedenken waarin twee mannen seks en liefde ervaren als een enkele blikseminslag, waardoor ze voor het leven aan elkaar vast gelast worden. Het proza in Proulx’ stoere, elliptische verhaal wordt aangedreven door een motor die even onvoorspelbaar is als die in Jack Twists rammelende pick-up. Ze benadert scènes vaak als het ware «in z’n achteruit», waar een conventionelere schrijver die rechttoe, rechtaan zou neerzetten. De scenaristen, Larry McMurtry en Diana Ossana, hebben een groot deel van haar visionaire obstakels gladgestreken en ze hebben het verhaal directer gemaakt. Daarbij is maar weinig verloren gegaan. Sterker nog, omdat ze een aantal onderdelen die Proulx alleen maar aanstipt gedramatiseerd hebben, hebben ze het compacte middendeel van de film, waarin de evolutie en teloorgang van Jack en Ennis’ relatie wordt verteld, kunnen uitbouwen. In een wel heel slimme coup smelten zij twee terloopse referenties – één aan de vrouw van een rancher, met wie Jack zegt een affaire te hebben, een andere aan een buurman-rancher, met wie hij gesproken heeft over het heropenen van de zaak van zijn vader – samen tot een belangrijke draad in het verhaal.

In de tweede helft van Brokeback Mountain wisselen scènes van dagelijkse huiselijke droefenis – en een enkele triomf – af met de trips die Jack en Ennis samen in de bergen maken. Naarmate ze ouder worden (en Gyllenhaal een buikje en een jaren-zeventig-snor krijgt), raakt in die trips de seks steeds verder op de achtergrond. Ze kibbelen, in wat het best kan worden beschreven als een vorm van echtelijke genoegzaamheid. Wat beide mannen willen, zo wordt duidelijk, is wat Ennis ze niet durft te geven: de bestendigheid van elkanders gezelschap. Het is een van de meest welsprekende pleidooien voor het homohuwelijk dat ik ooit heb gezien.

En toch, met uitzondering van die ene scène in Juarez is er eigenlijk niets in Brokeback Mountain dat «homoseksueel» van de daken schreeuwt. Geen van beide helden heeft bezwaar tegen seks met vrouwen; Lee maakt nergens ook maar een terloopse verwijzing naar wat tegenwoordig gay culture of gay identity wordt genoemd. In het boek vraagt Ennis op een bepaald moment aan Jack: «Overkomt dit ook andere mensen?» En Jack antwoordt: «Niet in Wyoming, en als het toch gebeurt, weet ik niet wat ze doen. Misschien gaan ze naar Denver.» McMurtry en Ossana hebben die ene vermelding van het grotestadsleven wijselijk uit het script weggelaten, omdat die niet zozeer de idee van mannelijke verbondenheid verkleint, als wel vergroot; omdat die suggereert dat de grens tussen vriendschap en passie wel eens veel vager kan zijn dan ze lijkt. De mannelijkheid gaat emoties niet uit de weg, maar geeft er juist een scherpere rand aan. Ledger bereikt dat door zijn acteren te doordrenken met de deadpan ingehouden tederheid van de Hollywood-westernsterren van na 1950. Het is zijn stoïcisme dat de film voortstuwt, en dat nergens ontroerender is dan wanneer hij zijn standaardregel uitspreekt: «If you can’t fix it, you’ve got to stand it.»

Geen van de uitgangspunten van Brokeback Mountain is openlijk homoseksueel. Komt dat omdat de film zich per se niet wilde onderwerpen aan de clichés van de zogenoemde gay cinema en gay televisie? Misschien. Hoe dan ook verdienen McMurtry, Ossana en Lee lof voor hun vasthoudendheid (het duurde zeven jaar voor ze de film konden maken) en voor hun weigering om Proulx’ sobere, compromisloze visie te offeren. Uiteindelijk is Brokeback Mountain niet een verhaal over de liefde waarvan de naam niet mag worden uitgesproken, maar over een liefde die niet weet hoe ze haar naam moet uitspreken. En juist de kleine woordenschat maakt de film zo welsprekend. Opstijgend van vlaktes waar ze levens leiden van geploeter en geregelde vernedering worden Ennis en Jack, tegen wil en dank, de helden van een verhaal waarvan ze geen idee hebben hoe ze ’t zouden moeten vertellen. De wereld breekt hun ruggengraat, maar in deze dappere, je zou zelfs kunnen zeggen «masculinistische» film, zijn ze even iconisch als de berg.

© David Leavitt 2005 (vertaling Koen Kleijn)