TONEEL

Is liefde genoeg?

Na de zondeval

In 1964 bezoekt de schrijver Arthur Miller met zijn derde vrouw, de Magnum-fotograaf Inge Morath, het concentratiekamp Mauthausen. Daarop verslaat hij voor de New York Herald Tribune het proces tegen de kampbeulen van Auschwitz in Frankfurt. Die twee gebeurtenissen slaan een bom­krater in zijn schrijverschap. Incident in Vichy is erdoor ontstaan, een scherpe analyse van antisemitisme als haat gebaseerd op gekwadrateerde vreemdelingenangst (het stuk wordt na de komende Dodenherdenking gelezen door acteurs van Toneelgroep Amsterdam). Bij dat gezelschap speelt men nu After the Fall, het andere stuk dat Miller schreef als reflectie op zijn reis naar het Avondland. Na de zondeval ontstond in 1964/1965 in een unieke samenspraak met de toneelspelers en regisseur Elia Kazan, met wie Miller zich had verzoend na diens verraad tijdens de McCarthy-heksenjacht. Het stuk lijkt de tussenbalans van een schrijver, het bleek een eindafrekening: afgezien van The Price (1968) heeft Miller na After the Fall geen toneelstuk meer geschreven met de impact van zijn eerdere werk. Beladen was het stuk ook door de wending halverwege, waarin de monologiserende zelfanalyse over bedrog en verraad overgaat in een genadeloze sectie op de relatie tussen de ik-figuur, de advocaat Quentin en het muziekidool Maggie. Alle pogingen van Miller om dat relaas niet te laten lijken op het in pillen en drank verzopen huwelijk van hem met Marilyn Monroe, tussen 1956 en 1961, liepen schipbreuk. Miller had het filmscenario geschreven voor Monroe’s laatste film (The Misfits), haar met raadselen omgeven dood (zelfmoord? moordcomplot?) was nog te vers toen After the Fall in première ging. De anekdotes over­schaduwden kortom de plot, het stuk staat sindsdien als ‘slecht’ en ‘mislukt’ in de boeken. Eric de Vroedt koos het voor zijn debuut in de grote zaal. Tot zo ver de feiten.

Ik-figuur Quentin wroet in de oorsprongen van zijn schuldgevoel. Tot-ie draden uit de muur trekt die wijzen op zijn eigen collaboratie. Hij beliegt achtereenvolgens zijn familie, de eerste vrouw in zijn leven, zijn politieke geestverwanten, ja zelfs de krassen op zijn joodse ziel zijn misschien zelfverminkingen uit narcistische overwegingen. Dat eerste deel is een schaamteloze stapeldoos aan verwarringen. Vervolgens worden al die draden samengetrokken in de verwoestende relatie met Maggie, de vrouw die Quentin zegt te willen redden, een ambitie die háár ondergang wordt en waaruit hij zich redt met de gruwelijkste zin uit het stuk: ‘Ik ben je Verlosser niet en ik ben niet je hulplijn – jij gaat mij niet doden, Maggie.’

De radeloze wanhoop waarin Quentin en Maggie in die laatste drie kwartier van de voorstelling tegenover elkaar staan, zorgt ervoor dat veel van de brokstukken uit de uren (?) daarvoor op hun plek vallen. Wat Fedja van Huêt en Karina Smulders daar laten zien aan in elkaar geschroefde en zeer precies bij elkaar geacteerde afdrukken van hoe mensen liefhebben en hoe mensen elkaar pijn doen, dat hoort hors concours tot het beste en meest door elkaar rammelende toneelspelersgenot dat ik in tijden op een Nederlands podium heb meegemaakt. Elke zin is een kerf. ‘Maar liefde, is liefde genoeg? Welke liefde – ik weet hoe te doden – ze was ten dode opgeschreven, maar helpt dat? Of is het mogelijk dat dit niet absurd is voor een mens? (…) Ik hou van alles, iedereen! En toch laat ik ze mislukken, en doodgaan zodat ik kan leven, en geven ze mij en geven ze elkaar een woord, een blik, een waarheid, een leugen – met zoveel liefde.’

Nog te zien in Rotterdam, Maastricht, Eindhoven, Groningen. Volgend seizoen terug op het repertoire – dit is een dienstbevel! www.toneelgroepamsterdam.nl