Isaac newton

Isaac Newton (1642-1727) geldt als de grootste natuurkundige van dit millennium. Maar wie zich daarbij iemand voorstelt die strikt logisch en empirisch te werk gaat, heeft het mis. De man was diep religieus en zocht op klassieke middeleeuwse manier naar de Steen der Wijzen.

IEDEREEN KENT de afbeelding van een nadenkende Newton die ziet dat er een appel van de boom valt. Volgens de legende was dit het moment dat de belangrijkste natuurkundige van dit millennium het inzicht kreeg dat er een zwaartekracht is die er niet alleen voor zorgt dat een appel van de boom valt maar ook dat de planeten in elliptische banen om de zon bewegen. Een inzicht dat de wereld veranderde. Isaac Newton is misschien wel de meest invloedrijke natuurwetenschapper ooit. Zijn natuurkundige theorieën en wiskundige technieken waren zijn tijd ver vooruit en maakten de weg vrij voor de industriële revolutie. Vaak wordt Newton daarom afgebeeld als een wijze, nobele wetenschapper, die naast een enorme wereldbol in een dik boek zit te bladeren. Het beeld dat de laatste decennia echter naar boven komt is meer dat van een briljante ‘mad scientist’, die tijdens zijn zoektocht naar de Goddelijke waarheid per ongeluk een paar krachtige theorieën formuleerde. NEWTON WAS een onorthodoxe zonderling. Een contactgestoorde religieuze man, die zich bezighield met alchimie, waarschijnlijk homoseksueel was en ook nog eens leed aan hypochondrie. Hij beeldde zich in chronisch ziek te zijn en dronk, 'om weer gezond te worden’ een zelf gecreëerde 'Lacatellus balsem’: een combinatie van terpentijn, rozenwater, bijenwas, olijfolie, wijn en sandelhout. Hij hield zich verder graag bezig met pietluttige godsdienstige kwesties, zoals de vraag hoe lang de eerste dagen van de Schepping duurden, toen er nog geen aarde was. (De definitie van een dag is tenslotte de tijd die die aarde nodig heeft om om zijn eigen as te draaien. Dus zonder aarde geen dag.) Newton verwierp het concept van de Heilige Drie-eenheid. Oké, dat Jezus van water wijn kon maken, onbevlekt ontvangen was en uit de dood kon herrijzen, was onbegrijpelijk maar niet onlogisch. Dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest één waren, ging er echter niet in bij Newton. Eén is niet gelijk aan drie, en drie is niet gelijk aan één - zo simpel was het in de mathematische geest van het genie. Mede daarom distantieerde hij zich van de rooms-katholieke en de daaraan verwante anglicaanse doctrine, en werd hij in het geniep aanhanger van een ketterse sekte, die de heilige Drie-eenheid verwierp. Wat wellicht de grootste verbazing wekt is dat de natuurkundige zich bezighield met occulte alchimische experimenten. Jarenlang was hij dagelijks te vinden in zijn geheime laboratorium, waar hij, met behulp van eeuwenoude receptenboeken, lood, kwik en bijtende zuren, probeerde om het geheim van de Steen der Wijzen te ontrafelen, de steen die het vermogen had om van lood goud te maken. OM TE BEGRIJPEN dat een groot wetenschapper als Newton zich bezighield met ketterse bijbelstudies, kwakzalverij en alchimie, moeten we ons verdiepen in zijn wereldbeeld. De wetenschapper geloofde in een universele waarheid. Hij zag de wereld als een cryptogram, bedacht door de Almachtige, en was ervan overtuigd dat de oude bijbelse volkeren de sleutel hadden tot alle raadsels. Een gedeelte van deze wijsheid was doorgesijpeld in de esoterische (alchimische) filosofieën en in de Heilige Schrift. Newton had zich tot doel gesteld om de Goddelijke kennis te herontdekken. Het leven was voor hem een raadsel dat opgelost moest worden. De code kon worden gekraakt door een combinatie van bijbelstudie, alchimische experimenten en de wiskunde. De wiskunde was dus slechts een van de manieren om te komen tot de Goddelijke waarheid. Het bleek de meest vruchtbare. Newtons wiskundige werk heeft de tand des tijds doorstaan. Hij vond technieken, zoals integratie en differentiatie, die nog steeds de mathematische basisgereedschappen vormen van iedere zichzelf respecterende, exacte wetenschap. Newtons alchimische en bijbelse studies, zoals van de bouwtekeningen van de tempel van koning Salomon en de daaruit voortvloeiende voorspelling dat de wereld ergens in het komende millennium eindigt, vinden minder weerklank bij de meeste van onze tijdgenoten. Newtons zoektocht langs wiskundige weg, bracht hem wereldfaam, zijn zoektocht langs alchimische en bijbelse weg is door veel biografen beschaamd terzijde geschoven of weggemoffeld. In tegenstelling tot in vroeger eeuwen wordt de natuurkunde tegenwoordig door velen gezien als tegenpool van een religieus wereldbeeld. Dit terwijl de man die daarvoor verantwoordelijk is, juist esoterische en religieuze interesses koppelde aan een diep wiskundig inzicht. Deze unieke combinatie gaf hem de intellectuele ruimte om zijn natuurkundige theorieën de glans te geven, die ze nog steeds hebben. Het aanvaarden van esoterische verschijnselen gaf Newton de gelegenheid om het zwaartekrachtprincipe te formuleren, gebaseerd op gedegen wiskunde en uitgaande van een goddelijke kracht die op afstand werkt, zonder materieel contact. (Er zit bijvoorbeeld geen elastiek tussen de aarde en de maan.) TOT IN NEWTONS tijd omarmden velen het wereldbeeld van Aristoteles, dat behelst dat alle materie uit de vier elementen vuur, aarde, water en lucht bestaat. Deze elementen zoeken naar hun natuurlijke plaats in de ruimte. Water valt door lucht naar beneden; aarde valt door water naar beneden; en vuur valt door de lucht naar boven. Een appel bestaat voornamelijk uit water en aarde, en zal dus door de lucht naar beneden vallen. De planeten en de zon zijn hemelse lichamen die cirkelvormige banen rond de aarde maken doordat ze continu worden voortgeduwd door de Onbewogen Beweger. Dit aristotelische beeld werd door de katholieke Kerk dankbaar overgenomen. De Onbewogen Beweger werd God genoemd, en de loop der planeten werd gezien als een bewijs van Zijn bestaan. Toen Newton aan zijn theorie werkte, was er al flink aan dit ouderwetse wereldbeeld gemorreld door mensen als Copernicus, Galilei, Descartes en onze eigen Huygens. Vooral de laatste twee waren aanhangers van een modern mechanisch wereldbeeld, waarin alles was te beschrijven in termen van botsende deeltjes. Volgens hen was het heelal een enorm mechanisch uurwerk. Alles had een oorzaak en een gevolg, en stond via deeltjes in contact met elkaar. Descartes dacht bijvoorbeeld dat de loop der planeten kon worden verklaard door wervelingen in een soort hemelse materie. Zoals takjes in het water cirkelvormige bewegingen maken rond een waterwervel. Een van de grootste gaven van Newton was dat hij juist niet strikt 'mechanisch’ en 'modern’ dacht. Daarom had hij geen celeste materie nodig om te verklaren waarom de maan om de aarde draait. Newton stelde dat alle objecten een aantrekkende kracht op elkaar uitoefenen. Zowel de boom als de aarde trekken aan een vallende appel, en andersom. De appel valt naar de aarde omdat de aarde zoveel meer massa heeft dan de boom. Newton week niet af van de middeleeuwse aanname dat God verantwoordelijk was voor de beweging van de planeten en de materie. Hij beschreef slechts hoe God dit deed: via de gravitatie. NEWTONS zwaartekrachttheorie werd door de volgelingen van de 'ware’ mechanistische filosofie aanvankelijk gezien als verraad. Een terugkeer naar middeleeuwse opvattingen. Dat Newton met zo'n occulte 'niet-mechanische’ kracht durfde te komen, lag in het feit dat hij een vreemde, geniale man was, met een middeleeuws godsbeeld en een voorliefde voor alchimie. Newton steeg kortom tot grote hoogten door een combinatie van mathematisch en logisch inzicht aan de ene kant en godsdienstige en alchimische interesses aan de andere. Het feit dat Newton met één been in de diep-religieuze en occulte Middeleeuwen stond, zorgde ervoor dat hij zijn theorieën kon vervolmaken. Met zijn Principia mathematica (1687) brak een nieuw tijdperk aan. Newtons 'goddelijke’ zwaartekracht bleek een betere beschrijving van de werkelijkheid te geven dan de rationele mechanische verklaringen van zijn verlichte tijdgenoten. Esoterie, religie en wiskunde bleken voor Newton de ideale alchimische mix te zijn.