TONEEL: Marija

Isaak Babels front

De titelheldin Marija is in het toneelstuk Marija (1935) van Isaak Babel (1894-1940) als personage afwezig.

Het stuk speelt in het postrevolutionaire Rusland van 1920, tijdens de wrede burgeroorlog van de ‘roden’ tegen de ‘witten’. Marija is aan het front, in het zuiden, nabij Odessa, bij de ‘roden’. In de vijfde van de acht scènes waaruit het stuk bestaat wordt een jubelende brief van Marija voorgelezen aan haar vader, de stamoudste van het geslacht Moekovnin, die moet huilen omdat hij zijn kind niet meer begrijpt, omdat hij niets meer van de ‘nieuwe wereldorde’ snapt. De scène speelt, zoals het hele stuk, in Petersburg, waar honger, willekeur en terreur heersen. Ludmilla, de permanent door de wanorde zwierende opportunistische zus van Marija, is ondertussen verkracht, besmet met syf en gearresteerd.

In scène 6, de kortste in het stuk en de gruwelijkste van de voorstelling, wordt ze verhoord en gemarteld. In scène 7 probeert vader Moekovnin zijn dochter Marija aan de telefoon te krijgen om Ludmilla uit de klauwen van de ‘roden’ te redden. Vergeefs. Er komt niemand aan de telefoon. En er valt niemand meer te redden.

In Düsseldorf heeft de grote regisseur Andrea Breth, die met een andere voorstelling binnenkort naar het Holland Festival komt, het toneelstuk Marija van Isaak Babel uitgegraven, als nieuw gelezen en in een voorstelling van een kleine twee uur geënsceneerd als een verbluffend tijdsstuk, door vormgever Raimund Voigt middels een curieus en filmisch hyperrealisme geplaatst in de tijd waarin het speelt. Door de intensiteit van het acteren en de intelligente lezing van het stuk is de voorstelling een tijdloos feuilleton geworden over de profiteurs van de chaos, over vernedering en rancune als krachtlijnen in de geschiedenis van het Avondland. Breth: ‘Het is verbluffend goed geschreven met geweldige dialogen over een tijd waarin mensen onder invloed van angst en honger in rap tempo veranderden in verschrikkelijke monsters.’

Babel wist waar hij het over had. Als oorlogsverslaggever reisde hij met de bolsjewieken­horden mee, overdag schreef hij propagandistische frontberichten. ’s Nachts schreef de kleine jood uit Odessa op wat hij werkelijk had gezien, de onvoorstelbare gruwelen, moord en doodslag en pogroms waarmee de revolutie haar bloedige gang ging. In 1926 verscheen de verhalencyclus die bij ons de titel Rode Ruiterij kreeg. Stalin c.s. waren not amused, om het mild uit te drukken; in 1936 (het stuk Marija was net gepubliceerd en meteen verboden) werd Babel gearresteerd, gruwelijk gefolterd, zoals zijn buurman in de Loebjanka-gevangenis, de toneelregisseur Vsevolod Meyerhold, en net als deze in januari 1940 in een ultrakort proces ter dood veroordeeld, de volgende dag met een nekschot afgemaakt en in een massagraf met ongebluste kalk gegooid. Marija ging pas in de jaren zestig van de vorige eeuw in première, buiten Rusland, ook in Nederland (1969, Haagse Comedie).

De voorstelling die nu in Düsseldorf speelt is verbluffend, ook en vooral door Andrea Breths mensenregie, tot en met die laatste scène, als de pijn in het huis van de Moekovnins is overgeschilderd en het gestichte proletariaat van hogerhand in de woning is ingekwartierd. Buiten klinkt de marsmuziek van de nieuwe tijden, binnen zit de hoogzwangere nieuwe bewoonster. Het zou haar finest hour moeten zijn. Maar stilletjes en met de kersverse radeloosheid nog op haar gezicht, huilt ze. Grandioos Andrea Breth-theater!


16, 21 en 27 mei steeds om 19.30 uur te zien in het Grosses Haus van Schauspielhaus Düsseldorf, www.duesseldorfer-schauspielhaus.de