Essay: Over collectieve gerichtheid

Islam en religieuze tolerantie

In Europa kwam religieuze tolerantie tot stand doordat van de vrijheid van religie een individueel recht werd gemaakt. In moslimlanden richt de religieuze tolerantie zich niet op het individu maar op het collectief: de overheid garandeert de vrijheid van religie en het is aan de religieuze minderheid om dit verder in te vullen.

Afgelopen zomer sprak ik met een Arabische juriste op een conferentie over vrouwenrecht in het islamitische familierecht. Ze was in de vijftig, moslim en een gedreven feministe, die haar juridische opleiding in Engeland had genoten en een bloeiende internationale advocatenpraktijk runt in Koeweit. Toen zij hoorde dat alle Nederlanders voor de wet gelijk zijn, en dat Nederlandse moslims dus geen eigen familierecht hebben, reageerde zij verontwaardigd: «Maar dat is onrechtvaardig! Als ik in Nederland zou wonen, zou ik de zaak onmiddellijk voorleggen aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens!» Mijn uitleg over gelijke behandeling van alle burgers ongeacht hun religie wimpelde zij af. «Het betreft hier een essentieel recht van de mens.»

Hier was sprake van een ware botsing van culturen. Wij snapten beiden niet wat de ander nu bezielde. Pas toen ik mij in de achtergronden van het islamitisch familierecht ging verdiepen, begreep ik haar beweegredenen. Volgens de islam is het familierecht namelijk direct gerelateerd aan de vrijheid van religie. Dit geldt niet alleen voor moslims, maar ook voor christenen en joden. Het niet toelaten van eigen familierecht is in de gedachtegang van de islam een inbreuk op de vrijheid van religie.

Deze regel gaat terug tot aan het begin van de islam in de zevende eeuw. De moslims van het Arabisch Schier eiland hadden in korte tijd het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Perzië veroverd. De bewoners van deze streken waren geen moslim maar vaak christen, joods of zoro astrisch. Van gedwongen bekering tot de islam was echter geen sprake, want dat wordt door de islam expliciet verboden. Maar er speelden ook overwegingen van financiële aard een rol: niet-moslimse inwoners van het islamitische rijk dienden een aparte belasting te betalen, en hun bekering tot de islam zou een inkomstenderving voor de schatkist betekenen. In de eerste eeuwen van de islam vormden de moslimse heersers dus een religieuze minderheid in hun eigen rijk. De bekering tot de islam raakte daarna in een stroomversnelling, en werd volgens historici vooral gedreven door pragmatische motieven: toegang tot de macht en ontslag van de speciale belastingplicht.

Niet alleen preekte de islam het verbod op dwang in bekeringen, maar ook de vrijheid van religie. De monotheïsten onder de niet-moslims — christenen en joden — behielden hun gebedsplaatsen en konden vrijelijk hun erediensten houden. Dit was een voordeel van de aparte status van de niet-moslims. Een nadeel was dat zij zich vaak allerlei vormen van discriminatie moesten laten welgevallen: zij moesten bepaalde kleding dragen, mochten geen paard rijden en geen overheidsfuncties bekleden. In incidentele gevallen was zelfs sprake van vervolging. Overigens verschilden deze praktijken per land en periode. In het algemeen zijn historici het erover eens dat niet-moslims een redelijke mate van vrijheid en tolerantie genoten.

Inmiddels is in de moslimwereld het onderscheid naar religie afgeschaft: iedereen is staatsburger, ongeacht zijn of haar religie. Maar de vrijheid van religie wordt in de meeste moslim landen nog steeds op dezelfde wijze toegepast, en de autonomie op het gebied van religieuze aangelegen heden én familierecht is voor de niet-moslimse minderheden gehandhaafd. Alleen al in Syrië hebben elf christelijke geloofsrichtingen elk hun eigen familiewet en rechtbank.

Als we dit vergelijken met de ontwikkelingen in Europa, dan krijgen we een heel ander plaatje te zien. Afgezien van de Arabisch-moslimse «Moren» in Spanje en een joodse diaspora over het continent had de gemiddelde Europeaan niet of nauwelijks te maken met niet-christenen. De notie van religieuze tolerantie kwam pas aan de orde in de twaalfde eeuw, toen er sprake was van christelijke ketters en afvalligen. Maar op een praktische invulling van het begrip tolerantie moest men nog vier eeuwen wachten, toen katholieke en protestantse facties elkaar gingen bestrijden.

Aan de niet-christenen hebben de Europeanen zich weinig gelegen laten liggen. De joden werden niet gedwongen zich te bekeren, maar de paus behield zich het recht voor om voor te schrijven wat de correcte uitleg van het joodse geloof was. Een historicus schreef dat de joden werden behandeld met «een mengeling van tolerantie en vervolging». Hetzelfde gold voor de mudéjares, de Spaanse moslims die in de gebieden woonden die tijdens de katholieke Reconquista waren veroverd op de Arabische machthebbers. Zij verdwenen na 1499 echter van het Europese toneel, nadat zij in dat jaar de keus hadden gekregen tussen bekering tot het christendom of emigratie.

Religieuze tolerantie had in Europa dus niet zozeer te maken met niet-christenen, als wel met andersoortige christenen. De Europese tolerantie kreeg om die reden een totaal andere vorm dan de islamitische variant. Om de geloofsconflicten in Europa te bezweren, was niet gekozen voor het toekennen van speciale rechten aan bepaalde geloofsgemeenschappen, maar voor de scheiding van kerk en staat. Religieuze tolerantie werd bewerkstelligd door de vrijheid van religie tot een individueel recht te maken. Deze tolerantie ontwikkelde zich tot het huidige liberalisme, dat de nadruk legt op individuele vrijheden.

In de moslimlanden richt de religieuze tolerantie zich niet op het individu, maar op het collectief: de overheid garandeert de vrijheid van religie en het is aan de religieuze minderheid om dit verder in te vullen. Zowel in het Europese als in het islamitische geval bemoeit de staat zich niet met de wijze waarop aan de religie inhoud wordt gegeven, maar garandeert men slechts de algemene vrijheid ervan. Een van de belangrijkste verschillen tussen deze twee benaderingen is de vrijheid van keuze. De religieuze gemeenschappen in de islamitische opvatting zijn geen gezelligheidsverenigingen of politieke partijen. Lidmaatschap is voorbestemd op basis van religie. Opzegging kan alleen door bekering.

Dit klinkt voor ons westerlingen als een gevangenis. Maar voor veel Arabieren — niet alleen moslims, maar ook joden en christenen — is de religie van de persoon tevens diens identiteit. Bekering is niet een persoonlijke beslissing, maar heeft verregaande sociale consequenties. De schok die men in de Arabische wereld voelt over de bekering van een geloofsgenoot tot een andere religie is misschien wel het best te vergelijken met die van travestie of een sekseverandering in het Westen. Religieuze tolerantie in de islam heeft daarom niet te maken met keuzevrijheid, maar met de garantie van een recht, namelijk het recht van het individu om tot zijn geloofsgemeenschap te mogen behoren en het recht om de regels van deze gemeenschap toegepast te krijgen.

Als ditzelfde individu echter de religie van zijn geloofsgemeenschap wil afzweren of anders wil uitleggen, heeft hij een probleem. De religieuze tolerantie houdt op bij de grenzen van de gemeenschap, en strekt zich niet uit tot haar individuele leden. Een christen die door zijn kerk wordt uitgemaakt voor godslasteraar zal vergeefs aankloppen bij de (moslimse) staat, en de vrijheid van religie inroepen die zoveel moslimlanden in hun grondwet hebben opgenomen. De staat zal zijn schouders ophalen en terugverwijzen naar de kerk van de geloofsgemeenschap: díe heeft het alleenrecht op de interpretatie van de kerkleer. De staat mag daar niet aankomen. Dat is immers strijdig met de vrijheid van religie.

Nu komt dit soort gevallen nauwelijks voor. Of dat nu is omdat de niet-moslims zelf zeer vrome lieden zijn, of omdat ze als minderheid solidair blijven met wat hen bindt (religie), of omdat de kerken er geen toestand van maken als een van hun leden er afwijkende ideeën op nahoudt — dat is niet bekend. Het is echter wat anders als een moslim zulke streken uithaalt. De islam is in de meeste moslimlanden de staatsgodsdienst, en wie zich profeet- of godlasterend uitlaat, of de islam op een té liberale manier interpreteert, komt al snel in aanraking met het staatsapparaat.

De Egyptische professor Nasr Aboe Zaid heeft dit in 1996 mogen meemaken. Als gelovig moslim had hij academische boeken geschreven over hoe de koran in zijn eigen tijd en context gezien moest worden. Het Egyptische Hof van Cassatie achtte dit strijdig met de orthodoxie van de islam, en Aboe Zaid werd bij vonnis «daarom» aangemerkt als afvallige van de islam. De grondwettelijke vrijheid van religie hielp hem niet. Integendeel: deze vrijheid betekende dat de islam zelf mag vaststellen wat de regels van zijn geloofsleer zijn, en hoe deze overtreden kunnen worden. Aboe Zaid, zo luidde de redenering, had zich als moslim te houden aan deze regels.

Een van de regels van de islam is dat bekering tot een andere religie niet is toegestaan. Vroeger riskeerde men de doodstraf, tegenwoordig heeft het alleen consequenties op het gebied van familierecht: een afvallige mag niet trouwen of erven — hij bestaat eigenlijk niet. Het is daarom niet vreemd dat een van de gronden voor asielaanvragen uit de Arabische wereld luidt: bekering van islam tot christendom. Maar hier speelt iets vreemds. Ik heb in 1997 in Egypte onderzoek gedaan naar dergelijke «bekeerde moslims» en het bleek dat slechts een klein percentage van hen zich hadden bekeerd uit religieuze overwegingen.

De meerderheid van de bekeerde moslims in Egypte had al een andere bekering achter de rug, namelijk van het christendom naar de islam. Zij waren dus in feite «terugbekeerd». Maar waarom? Hier bracht het systeem van meerdere familiewetten antwoord. Het is namelijk zeer moeilijk om onder een christelijke familiewet te scheiden — de katholieke wet verbiedt het zelfs zonder meer. Dan blijft er voor de wanhopige echtgenoot maar één oplossing over: bekering tot de islam, zodat automatisch het familierecht van moslims van toepassing wordt. Scheiding is dan stukken makkelijker. Maar als de tot de islam bekeerde christen vervolgens weer zijn of haar zondagse kerkbezoeken hervat, kan een jaloerse echtgenoot of vervelende buurman wel eens roet in het eten gooien, en aangifte doen. En dan wordt de persoon in kwestie aangemerkt als een moslim die te kerke gaat, en dus een afvallige van de islam is.

Dergelijke kwesties hebben dus niets met geloof te maken. Of toch wel? Want het is op basis van religie dat er juridische vrijheden zijn gegeven, en misbruik van het juridische systeem leidt weer tot religieuze repercussies. De cirkel is rond, en het individu is de dupe. Dat is de keerzijde van de religieuze tolerantie zoals uitgedragen door de islam.

Een voordeel van het religieuze «zuilen»-systeem zoals dit geldt volgens de islam, is echter weer dat men niet zo gebukt gaat onder de integratieproblematiek zoals West-Europa die nu ondervindt met zijn moslimse inwoners. Laat ik hiervoor ter illustratie het voorbeeld van Syrië opvoeren, een land met een veelvoud aan sektarische en etnische verschillen, maar waar een volgens vriend en vijand hoge mate van religieuze tolerantie heerst, in elk geval ten aanzien van de niet-moslims.

Het is om deze reden dat Syrië in mei 2001 de paus zo'n warm welkom bereidde. Het pauselijk bezoek werd met beide handen aangegrepen om het slechte internationale imago van Syrië op te vijzelen. Het land is trots op zijn religieuze tolerantie en excuses zoals de paus die aan de joden heeft gemaakt tijdens zijn bezoek aan Israël en aan de orthodoxen tijdens zijn bezoek aan Griekenland, waren in Syrië niet aan de orde. Er werd een mis gehouden voor de Syrische katholieken waarbij de liturgieën in alle talen werden gesproken — Aramees, Armeens, Syrisch, Chaldeens en Arabisch. Maar de benaming voor God was in alle talen hetzelfde: Allah.

Het is deze vrijheid van religie waar Syrië prat op gaat. Christenen in Syrië worden niet mishandeld, gediscrimineerd of vervolgd vanwege hun geloof. Integendeel. Op vrijdag klinkt de oproep tot gebed van de minaretten en kan men terecht bij de christelijke winkeliers voor de weekendinkopen, en op zondag klinkt het klokgelui en doet men de boodschappen bij de moslimse winkeliers. Kruizen en korans, iedere gelovige kan er in het openbaar mee rondlopen. Christenen mogen dan meesmuilend naar zwaar gesluierde moslimvrouwen kijken, en conser vatieve moslims mogen meewarig naar de christelijke (maar ook moslimse!) vrouwen kijken van wie de kleding niets aan de verbeelding overlaat, feit is dat zij samen het straatbeeld vormen.

De vraag is echter of deze tolerantie van overheidswege is opgelegd, of ook werkelijk zo wordt beleefd. Want onder de oppervlakte van deze seculiere maatschappij schuilt een diep religieuze samen leving. Met andersgelovigen wordt weliswaar broederlijk samengeleefd, maar het blijven «anderen.» Weinigen zullen informeren naar andermans religie. Is dat nu vrijwillige tolerantie of het staatsideologische taboe op religie? Ik vermoed beide. Want uit de diepe religieuze overtuiging van ieder sekte-, kerk- of moskeelid vloeit een superioriteitsgevoel voort ten opzichte van de ander. Dat betekent dat de soennimoslim meent dat de christenen het volledig mis hebben, maar hij zal daar zijn schouders over ophalen; net zo goed als de katholiek hooghartig-onverschillig staat tegenover de moslim. Ze kunnen collega’s zijn, buren en zelfs vrienden, maar over religie zullen ze het niet hebben.