DE OPVATTINGEN VAN GEWONE MOSLIMS

Islam zonder pijn

Met het boek Wie spreekt namens de islam? wil John Esposito bijdragen aan een realistische beeldvorming over de islam. De Amerikaanse professor islamkunde toont in zijn jarenlange onderzoek ‘wat 1,3 miljard moslims werkelijk denken’. Hoe reëel is dat?

DE AANSLAG OP de Twin Towers heeft de westerse wereld gedwongen tot een enorme inhaalslag in haar kennis over de islam. De relatieve onwetendheid tot dan toe maakte plaats voor een beeld van een agressieve, intolerante, vrouwenonderdrukkende godsdienst die op geen enkele manier met democratie en westerse waarden te verenigen is. Het extremisme van een minderheid domineerde de beeldvorming over de islam, maar dat is niet zo verwonderlijk. In naam van Allah vonden aanslagen plaats. Van de zwijgende moslimmeerderheid hoorden en merkten we ondertussen weinig.
De vele boeken, studierapporten, debatten, internetfora en informatiesites hebben in de afgelopen zeven jaar zowel de kennis over de islam vergroot als grote verwarring veroorzaakt – en daarmee de polarisatie aangewakkerd. Want met welk geluid wil je meegaan? Is dat, in Nederland, Frits Bolkestein of Job Cohen? Tariq Ramadan of Ahmed Marcouch? Ayaan Hirsi Ali? Arabist Hans Jansen of Ruud Peters? Is de schoffering van de rechterlijke macht door advocaat Enait, die niet wenste op te staan voor de rechter, een exotisch incident of de voorbode van een nieuwe generatie moslimjuristen die in zijn kielzog treedt? Wie en wat is de islam nu eigenlijk? En vooral ook: wie spreekt er namens de islam?
Deze complexe vraag vormde voor Amerikaanse onderzoekers de basis van een grootschalig onderzoek onder moslims, dat dit jaar als boek verscheen met de titel Who Speaks for Islam? What a Billion Muslims Really Think en deze week in Nederlandse vertaling uitkomt als Wie spreekt namens de islam? Wat een miljard moslims werkelijk denken. De auteurs John Esposito en Dalia Mogahed worden gedreven door ‘een grote behoefte aan een genuanceerd, realistisch beeld over de islam’. In hun inleiding motiveren zij hun omvangrijke studie als volgt: ‘Zijn de negatieve opvattingen over de islam en het toenemende geweld voorboden van een onafwendbare totale oorlog tussen het Westen en de 1,3 miljard moslims? Iets essentieels ontbreekt in deze kakofonie van meningen, namelijk de werkelijke opvattingen van de gewone moslims. Aangezien er zo veel op het spel staat, voor zowel het Westen als voor de moslimgemeenschappen – het gaat om de toekomst van de wereld – wordt het tijd het debat te democratiseren.’
Een groot team van wetenschappers van het onderzoeksinstituut Gallup stelde zich met het wereldwijde onderzoek onder moslims ten doel het gezicht te tonen van miljoenen gewone moslims, die lijden onder het beeld over hun geloof dat wordt gedomineerd door de terroristische minderheid. Tussen 2001 en 2007 hielden de onderzoekers van Gallup meer dan vijftigduizend interviews in 35 landen waar overwegend moslims wonen of waar een substantiële moslimpopulatie woont. De ruim vijftigduizend moslims werden vragen gesteld over hoe ze denken over democratie, vrouwenemancipatie, werk en terrorisme, over hun beeld van Amerika en de westerse wereld en over hoe ze denken over de relatie tussen moslims en de westerse samenleving in de toekomst. De gesprekken vonden zowel telefonisch plaats als face to face. De resultaten zijn gepresenteerd als statistisch valide voor meer dan negentig procent van de 1,3 miljard moslims, met een foutmarge van plus of min drie punten. Dat maakt het volgens de auteurs tot het grootste en meest uitgebreide onderzoek naar hedendaagse moslims dat ooit is uitgevoerd. De data zijn onder leiding van de Amerikaan John Esposito, als professor islamstudies verbonden aan Georgetown University, geïnterpreteerd en verwerkt tot dit boek. Medeauteur is Dalia Mogahed, een gehoofddoekte moslima, senior analist en uitvoerend directeur van het Centrum voor Moslimstudies van Gallup. Espositio zal zijn bevindingen deze week in een forumdiscussie tijdens het symposium Moslims: de vooroordelen voorbij op de Universiteit van Tilburg toelichten.

Hoe dit boek op waarde te schatten? Alleen al bij de titel bekruipen je gevoelens van twijfel. Het getuigt van lef dat je met een onderzoek denkt hard te kunnen maken wat een miljard moslims werkelijk denken. Het klinkt pretentieus en het is misschien ook wel beledigend. Als dit voor christenen of joden zou zijn onderzocht, schiet je eerder in de lach. Kan dat dan wél voor moslims? Bevestig je daarmee juist niet het beeld van een monolithische godsdienst, een geloof waarin geen plaats is voor diversiteit en pluriformiteit?
Wie het boek leest, trekt evenwel niet deze conclusie. De moslimwereld wordt neergezet als even divers als de joodse en christelijke gemeenschap. Moslims zijn eigenlijk net gewone mensen met gewone dromen en wensen. Deze bevindingen maken het boek voorspelbaar braaf: niets is anders dan bij andere religieuze wereldburgers. Alleen, er is een kleine groep extremisten die het nu zo voor iedereen heeft verpest.
De conclusie van het onderzoek is echter wél belangrijk: het grote deel van de moslims – 93 procent – wijst extremisme volledig af en vindt dat een conflict tussen de moslimgemeenschap en de westerse gemeenschap absoluut niet onvermijdbaar is. Voor deze overgrote meerderheid is beleid dat getuigt van respect voor de islam belangrijker dan religieuze principes. Maar tegelijk worstel je met het duizelingwekkende getal van 1,3 miljard individuen van wie nog altijd zeven procent (91 miljoen mensen) wél bereid is tot geweld.
Op de methode valt wetenschappelijk niet veel af te dingen, stelt desgevraagd een aantal Nederlandse wetenschappers, onder wie Jean Tillie, hoogleraar aan het Instituut voor Migratie en Etnische Studies aan de Universiteit van Amsterdam. Maar cijfers zeggen niet alles over de praktijk.
Hoewel het boek in het gepolariseerde discours een tegenwicht biedt aan het eenzijdige beeld van de islam en de inhoud interessant genoeg is om te lezen (zie de volgende pagina’s) is het onderzoek ook een gemiste kans. Wat opvalt is dat alle grote vragen wel worden gesteld, maar dat er niet wordt doorgevraagd. Als bijvoorbeeld blijkt dat het merendeel vrije meningsuiting belangrijk vindt, waarom is dan kritiek op de islam zo moeizaam en soms zelfs levensbedreigend? Waarom leiden discussies over het geloof telkens tot verstarring? Als wordt geklaagd over de negatieve beeldvorming van de islam door het Westen, waarom wordt dan niet ook gerefereerd aan de virulente antisemitische propaganda in de moslimwereld of aan het gebrek aan persvrijheid in veel moslimlanden? Waarom geen vragen stellen naar de wijze waarop afvalligen binnen de gemeenschap worden verstoten of vrouwen worden gediscrimineerd?
Als de onderzoekers zo veel mensen hebben kunnen bereiken – en dat is zeker uniek – dan is het doodzonde dat niet is geprobeerd om hen op de pijnpunten binnen de islam te laten reflecteren. Het was van grote meerwaarde geweest als de ondervraagde moslims de hand in eigen boezem hadden kunnen steken. Uit dit onderzoek komen de moslimlanden vooral naar voren als slachtoffer van het kolonialisme en de Amerikaanse buitenlandpolitiek, lijden moslima’s in hun emancipatiebehoefte vooral onder westerse feministen die hun de les lezen, wordt de islam gedemoniseerd door negatieve westerse beeldvorming en kan de relatie met het Westen volgens moslims vooral worden verbeterd als het meer respect toont voor hun religie. Het gebrek aan met vragen gestuurde zelfreflectie heeft veel weg van wensdenken. Moslims willen wel vooruitgang, en het zal best lukken, alleen als het Westen minder denigrerend omgaat met de islam.
Zou dit wellicht te maken kunnen hebben met het gezichtspunt van de onderzoekers zelf? John Esposito staat bekend als een groot kenner van de islam en hij schrijft al sinds begin jaren tachtig over dit onderwerp. Maar volgens de Amerikaanse pers heeft hij zich met dit boek overschreeuwd in zijn eeuwige gelijk dat ‘er echt helemaal niets mis is met de islam’. Als oprichter en directeur van het Prince Alwaleed Bin Talal Center for Muslim-Christian Understanding aan Georgetown University wordt hij bovendien voor onderzoek betaald door Arabische connecties in het Midden-Oosten. Hij doet daar zelf overigens niet geheimzinnig over. Het bevestigt andermaal dat dit onderwerp blijft schreeuwen om objectiviteit. Geen dubbele tongen, maar de feiten.

Fragmenten uit Wie spreekt namens de islam? zijn te lezen op de volgende pagina’s