Islamitisch politiek denken

«Anders dan vaak wordt verondersteld, blijken de belemmeringen voor democratisering en mensenrechten in veel islamitische landen meestal weinig met de islam zelf van doen te hebben», schrijft het wrr-bestuur in de aanbevelingsbrief bij zijn rapport Dynamiek in islamitisch activisme.

Met andere woorden: waar maken de aanstichters van de zogenaamde «islam-discussie» van tegenwoordig zich druk om? Met de publicatie van het rapport stelt de wrr zich op het standpunt dat die hele discussie onnodig is: de maatschappelijke problemen van islamitische landen en die van islamitische immigranten in het Westen zijn van niet-godsdienstige aard, de religieuze boventoon van de discussie is onterecht en wie een «botsing van beschavingen» vreest, ziet spoken.

Het rapport maakt die conclusie helaas niet waar. De auteur heeft naar eigen zeggen willen onderzoeken of het islamitisch activisme «aanknopingspunten» biedt voor het verminderen van spanningen en voor het versterken van democratisering en mensenrechten binnen moslimlanden. Welnu, die aanknopingspunten zijn er vanzelfsprekend. De gemiddelde krantenlezer vindt het bewijs dagelijks op zijn voorpagina. De wezensvraag is of die aanknopingspunten voldoende zijn om politieke verandering te bewerkstelligen.

Een afgeleide vraag is of hervormingstendensen kunnen voorkomen dat een radicale minderheid de toon zet en de spanningen verhoogt, respectievelijk de democratisering tegenhoudt in kernlanden als Indonesië, Egypte, Pakistan en Iran. De islamitische wereld in zijn geheel en de Arabische landen in het bijzonder zijn namelijk bijna altijd door minderheden geregeerd. Vooruitstrevende, democratische denkers en activisten zijn er in die wereld ook altijd geweest. Ze werden opgehangen, levenslang opgesloten of verbannen naar het Westen. En hoe kunstmatig de term «botsing van beschavingen» ook mag zijn, hij kan reële betekenis krijgen indien maar genoeg mensen erin geloven. De uitkomst zal in hoge mate afhangen van het antwoord op de twee bovengenoemde vragen.

De deelstudie «De ontwikkeling van het islamitisch-politiek denken» erkent de sterk regressieve tendens binnen de hedendaagse islam, geïnspireerd door oude en nieuwe restauratieve denkers van de afgelopen honderd jaar zoals Mawlana Mawdudi, Said Qutb en ayatollah Ruhollah Khomeini. Zij gaat echter gemakkelijk voorbij aan de hindermacht van hun volgelingen en hun hermetische, bij de populaire verbeelding aansluitende denkbeelden omtrent vroomheid, gerechtigheid en de verderfelijke invloed van de (westerse) moderniteit. Zij legt – ook naar eigen zeggen van de auteur – eenzijdig de nadruk op «ons» welgevallige hervormingsdenkers: «Er zijn ook denkers die juist de nadruk leggen op een positief verband tussen islam, democratie en mensenrechten. Vanwege het belang voor de vraagstelling wordt hier vooral aan hun opvattingen aandacht geschonken. De keuze van de hier opgevoerde denkers berust niet op hun invloed of aanhang, maar op hun inhoudelijke bijdrage aan het ontdoen van de islam van zijn traditionalistische en legalistische interpretatie.»

Hier maakt de auteur zich schuldig aan essentialisme. Je kunt het hem moeilijk kwalijk nemen, want de hervormingsdenkers zijn veruit de interessantste. De bespreking van hun denkbeelden en dilemma’s in dit hoofdstuk behoort tot de sterkste passages in het rapport en zelfs in de gehele Nederlandstalige literatuur over islamitische filosofie. Maar het geloof in de kracht van de «gematigde» elementen in de islam dat eruit spreekt, gaat een stap te ver. Het doet denken aan de soms goed, maar vaker apologetisch bedoelde pogingen van vroegere generaties communisten om de «bedoelingen» van Karl Marx te scheiden van hun uitwerking. De onbevlekte status van Marx is natuurlijk niet vol te houden in het licht van Stalins Goelag of Mao Zedongs Grote Proletarische Culturele Revolutie, en dat geldt mutatis mutandis ook voor de onbevlekte status van het islamitisch activisme. De islamistische afschuw van het Westen is de jongste en meest virulente vorm van wat Ian Buruma en Avishai Margalit «occidentalisme» noemen: de neiging van niet-westerse culturen om het Westen als oorzaak van al hun problemen aan te wijzen (Occidentalism: A Short History of Anti-Westernism, 2004). Zoals de spaarzame islamitische bijdragen aan de anti-globaliseringsbeweging bewijzen, is dat activisme ook in zijn vreedzaamste, meest democratische vorm diep doortrokken van de negentiende-eeuwse confrontatie van islam en westers imperialisme en de moeizame politieke emancipatie van de Arabische wereld in de twintigste eeuw. Het draagt er alle sporen van, variërend van een afkeer van de westerse «grote stad» tot een verachting voor moderne techniek en arbeidsrelaties die de «goddelijke ziel» van de mens aanvreten en hem tot een «robot» reduceren.