Essay: Alleen een compromis kan redding brengen

Israël bestrijdt zichzelf

Politicoloog András Krahl meent dat Israël zijn reden van bestaan nodeloos ondermijnt. Alleen door een historisch compromis met de Palestijnen kan Israël de triomf van het zionisme bekronen en veilig stellen.

«Als ik niet voor mijzelf ben, wie is er dan voor mij?

Als ik uitsluitend voor mijzelf ben, waarvoor ben ik dan?

Zo niet nu, wanneer dan?»

(Hillel)

Het zionisme en de daaruit voortgekomen staat Israël vertegenwoordigen voor mij het meest waardevolle dat de moderne Joodse geschiedenis heeft voortgebracht. Het Israëlische bezettings- en repressiebeleid daarentegen zie ik niet alleen als grof onrecht tegenover de Palestijnen, maar ook als de ernstigste, ja, enige werkelijk effectieve bedreiging van de fundamentele belangen en op lange termijn zelfs het voortbestaan van de staat Israël.

Deze twee sentimenten vormen allerminst een contradictie. Ze zijn eerder een onverbrekelijke twee-eenheid. In een cruciale periode (tussen mijn vijftiende en dertigste) vormden zionisme en Israël voor mij een persoonlijke levensinzet. De eerste kiemen van mijn opstelling werden in Nederland gelegd tijdens mijn actieve periode in de zionistisch-socialistische jeugdbeweging Haboniem. Tot volle wasdom is mijn visie gekomen door mijn ervaringen als Israëliër tussen 1968 en 1974, de tijd van Israëls overwinningsdronken periode na de Zesdaagse Oorlog die tot een bitter einde werd gebracht met de Jom Kippoer Oorlog. Het verdere verloop van het conflict heeft mijn beeld alleen maar bevestigd en verder reliëf gegeven.

Voor mij is het glashelder dat de beslissende verantwoordelijkheid voor het fiasco van het Oslo-proces en voor de huidige acute crisis bij Israël ligt. En de sleutel voor een voor beide zijden aanvaardbaar historisch compromis eveneens.

De Israëlische leiding — gesteund door een overgroot deel van een geïndoctrineerd en in het nauw gebracht volk — weigert echter deze sleutel te gebruiken. Dat de Palestijnen en hun bondgenoten Israël toch alleen maar willen vernietigen, is daarbij het voorwendsel. De werkelijke reden is dat Israël goed beseft dat het veel sterker is en dat het bovendien verregaande steun van de Verenigde Staten heeft.

De voosheid van deze Israëlische houding is in verleden en heden al gebleken en ze zal in de toekomst nog duidelijker aan de dag treden. Juist mensen die overtuigd zijn van de fundamentele gerechtvaardigdheid van het zionistische project, moeten de door Israël ingeslagen historische dwaalweg aan de kaak stellen. Deze overtuigingen komen niet voort uit louter logische redeneringen en zijn ook niet rechtstreeks uit «hogere» ethische principes afgeleid. Ze wortelen in onze achtergrond, persoonlijkheid en levensloop. In ons leven komen we, vaak al in een vrij vroeg stadium, tot uiteenlopende «emotionele investeringen» die van groot belang zijn. Ervaringen zorgen ervoor dat deze posities soms worden bijgesteld. Meestal worden ze echter koppig gehandhaafd en verdedigd. Op zijn Amerikaans: «Where you stand, very much depends on where you sit.»

Ik kom uit een sterk geassimileerd Hongaars-Joods milieu. Mijn vader is in een nazikamp omgekomen toen ik anderhalf was. Ik heb hem dus nooit bewust gekend. Na de Hongaarse Revolutie van 1956 ben ik op dertienjarige leeftijd met mijn moeder naar Nederland gekomen. «Jodendom» zei mij niet veel, «Jood zijn» des te meer. Van het Jodendom als godsdienst stond ik ver. Aan een levende Joodse cultuur had ik geen deel, aan nostalgische folklore beslist geen behoefte.

«Jood zijn» daarentegen ervoer ik als centraal en vanzelfsprekend tegelijk. Het betekende zelfbewustzijn. Staan voor wie je bent, zonder je ervoor te schamen of je erop te laten voorstaan. Vervolging en vernietiging te boven komen. Je er niet onder laten krijgen. Volwaardig mens zijn. Een gevoel ook van lotsverbondenheid. Het verlangen van dat «Jood zijn» iets positiefs te maken.

Tekenend voor deze levenshouding was de verandering in mijn moeders zelfbeeld als gevolg van de shoah. Bij volkstellingen in Hongarije werd altijd gevraagd naar de etnische groep waartoe men zich rekende. Bij tellingen voor de Tweede Wereldoorlog vulde zij steevast «Hongaar» in. Bij de eerste volkstelling na de oorlog werd dit «Jood».

Kort gezegd maakten het zionisme en de staat Israël voor mij een menswaardig bestaan als Jood na de shoah mogelijk en wenselijk. Tegelijkertijd bood het mij een houvast, een uitkomst in de dubbele crisis van puberteit en «aanpassing» in Nederland. Ik ging op aliyah, «steeg op» naar Israël. Ik maakte deel uit van de samenleving: kibboets, stad, leger, oorlog, huwelijk. Ik verliet Israël in 1974, niet om politieke maar om persoonlijke redenen. Maar mijn betrokkenheid heb ik nooit opgegeven.

Het politieke zionisme is bovenal een radicale poging tot normalisering van de betrekkingen van het Joodse volk met andere volkeren. Het is een antwoord op de «condition Juive» in het Europa van de tweede helft van de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw. Het is de nationale bevrijdingsbeweging van het Joodse volk, tot ontwikkeling gekomen onder invloed van Europese nationale bewegingen en met wortels in Verlichting en Romantiek.

De grondgedachte is simpel. De moderne wereld is er een van nationale staten. Zonder hun eigen nationale staat zullen de Joden voor altijd vreemdelingen in deze wereld zijn. Willen ze als collectief een behoorlijke plaats verwerven, dan moeten ze een eigen staat in eigen land hebben. Zelfemancipatie op collectief en nationaal niveau.

Dit is de kern van het zionisme; niet minder, niet meer. Niet minder: niet simpelweg een toevluchtsoord «op humanitaire gronden» voor arme, vervolgde Joden. Niet meer ook: geen portaal naar het Messiaanse tijdperk, geen «Licht voor de Volkeren», geen garantie voor een rechtvaardige, «progressieve», «socialistische» samenleving.

Het revolutionaire, ja, het grootse van het zionisme ligt voor mij in het feit dat het een lucide, gewaagde en non-conformistische analyse van de Joodse situatie in de westerse wereld gaf. Het durfde onder ogen te zien dat simpele «aanpassing» niet helpt. Het zag in dat het moderne antisemitisme geen primitief overblijfsel was uit lang vervlogen tijden, maar juist een reactie op het «doordringen» van Joden in de moderne maatschappij. Het was ook een breuk met en opstand tegen de gangbare passieve houding van de Joodse orthodoxie. Het heft werd in eigen hand genomen, het eigen lot beïnvloed.

Het is een feit dat slechts een minderheid van de Joden zionist was. Maar volgens mij hadden de zionisten het meest heldere en minst illusoire antwoord op de problemen waarvoor de Joden zich in «The Age of Extremes» van de twintigste eeuw gesteld zagen.

Twee principiële tegenwerpingen worden vaak tegen het zionisme in stelling gebracht. Ik vind ze onterecht en aanvaard ze niet: «Joden vormen helemaal geen volk, geen natie» en «Het feit dat ze tweeduizend jaar geleden in Eretz Israël/Palestina hebben gewoond geeft de Joden geen recht op dat land in deze tijd».

Mijn korte antwoord is: het feit dat de Joden een afwijkende geschiedenis hebben, uit hun land zijn verdreven of weggetrokken, ontneemt hen geenszins het recht te claimen een volk en een natie te zijn en evenmin het recht om terug te keren naar het land waar ze door de eeuwen heen een diffuse maar aanwijsbare band mee hebben bewaard. Wie hun die rechten ontzegt doet de Joden tekort.

Een derde bezwaar is echter van een andere orde: «Hoe het ook zij, daar wonen nu sinds meer dan duizend jaar anderen. Het is niet geoorloofd hen te verdringen.» Daarmee zijn we bij de kern van het Israëlisch-Palestijns conflict beland.

Ik ben geen idealist. Ik geloof niet in een fundamenteel harmonische wereld. In de gegeven situatie was een gewelddadig conflict tussen Joden en Palestijnen onvermijdelijk. Twee volkeren, twee nationale bewegingen, stonden hier lijnrecht tegenover elkaar, strijdend om hetzelfde land. In die zin was het inderdaad een existentieel conflict. Het is zonder voorbeeld in de geschiedenis dat een volk zijn plaats vrijwillig afstaat aan een ander. Wie Palestijnen kwalijk neemt dat ze het zionistische project uit alle macht bestreden, doet de Palestijnen onrecht. Wie Joden kwalijk neemt dat ze hun rechten opeisten ten koste van de Palestijnen, doet de Joden onrecht.

De «erfzonde van het zionisme», zoals Benjamin Beit Hallahmi het heeft genoemd, ligt voor mij dan ook níet in het feit dat het land Israël (Israël binnen de «Groene Lijn») met geweld is afgenomen van de Palestijnen. Binnen de context was dit onvermijdelijk, een existentieel noodzakelijk onrecht. De werkelijke «erfzonde», waarmee het zionisme en Israël zichzelf nodeloos blijven opzadelen, is Israëls koppige weigering de triomf van het zionisme te bekronen en veilig te stellen door middel van een historisch compromis met de Palestijnen.

Twee elementen staan een dergelijk historisch compromis in de weg. Het eerste heeft te maken met de ontkenning van de andere kant. De weigering te erkennen dat de voor Joden zo rechtvaardige triomf van het zionisme voor Palestijnen een onverdiende catastrofe was. De weigering toe te geven dat Israël op de ruïnes van een andere samenleving was opgebouwd.

Het tweede element is Israëls intensivering van het conflict in de vorm van bezetting en kolonisatie. Zolang Israël niet bereid is zijn opstelling in deze twee opzichten te herzien is er geen einde aan het conflict, geen verzoening mogelijk.

«It takes two to tango», zullen velen tegenwerpen. Zeker, in alle stadia van het conflict valt er op de Palestijnen ook nogal wat aan te merken. Dat is echter niet van belang voor de richting waarin een redelijke oplossing moet worden gezocht. Israël is de sterkere, de bovenliggende, de onderdrukkende partij. De Palestijnen de zwakkere, de verliezende, de bezette partij.

«Een natie», zei de Franse denker Ernest Renan, «is een groep mensen verenigd door misvattingen over het verleden en haat jegens hun buren.» Elk volk, elke politieke cultuur heeft zijn eigen mythes. Israël is geen uitzondering. Het is illustratief de Israëlische mythologie en de historische werkelijkheid op twee belangrijke gebieden naast elkaar te zetten: de rechten van Palestijnen en de bereidheid tot vrede op basis van een compromis.

Ik herinner aan de lange voorgeschiedenis van Golda Meirs notoire uitspraak uit de jaren zeventig: «Palestijnen, wie zijn dat? Ik ben een Palestijn.» «Voor het volk zonder land een land zonder volk», luidde een bekende zionistische slagzin. De enigszins afwijkende werkelijkheid werd ooit samengevat in een telegram van twee Weense rabbijnen, die eind negentiende eeuw naar Palestina waren uitgezonden om de kansen van het zionisme te onderzoeken. «De bruid is schoon», seinden zij terug, «maar ze is getrouwd met een andere man.»

Anders dan vaak beweerd, waren de zionisten dus allerminst onbekend met de aanwezigheid van een significante en gewortelde Arabische bevolking. Maar de gangbare benadering was er een van ontkenning, gebaseerd op wishful thinking.

Al in een zeer vroeg stadium werden in het gedachtegoed en politieke optreden van Theodor Herzl twee fundamentele kenmerken van het zionistische, en later het Israëlische beleid zichtbaar. Enerzijds het niet erkennen van een Palestijnse nationale entiteit, anderzijds het streven naar een bondgenootschap met een relevante externe mogendheid. Het officiële zionisme prefereerde ervan uit te gaan dat de Arabieren van Palestina (de Palestijnen) politiek passief zouden blijven, zich niet noemenswaardig tegen het zionistisch project zouden verzetten en geen nationale aspiraties ten toon zouden spreiden.

Veel lucider en ook eerlijker in dit opzicht was de revisionistische leider Ze’ev Jabotinsky. In twee invloedrijke essays betoogde hij in 1923 dat de Palestijnse Arabieren nooit uit eigen beweging met het zionistische project zouden instemmen. Zulks juist omdat zij niet zomaar een verzameling van bijeengeraapte individuen waren, maar een geïntegreerde samenleving vormden. Hun land beschouwden zij als eigen nationaal bezit. Ze waren niet bereid het aan anderen af te staan.

Hieruit volgde noodzakelijkerwijs dat de zionistische onderneming alleen kon slagen onder bescherming van een ondoordringbare «IJzeren Muur»: een eigen militaire macht, sterk en afschrikwekkend genoeg om de Palestijnen en hun Arabische broeders voorgoed ervan te overtuigen dat het zionistische project niet met geweld verhinderd of teruggedraaid kon worden. Pas nadat ze dit hadden begrepen, konden er onderhandelingen over nationale en burgerrechten volgen.

Dit brengt me bij het vraagstuk van bereidheid tot compromis en vrede. Het Israëlische verhaal luidt: «Een klein volk dat uit alle macht moet vechten om zijn blote bestaan tegen onverzoenlijke vijanden die het de zee in willen drijven.»

De historische werkelijkheid sinds 1948 laat daarentegen een aanhoudend Israëlisch streven zien zoveel mogelijk land en water te behouden met verantwoordelijkheid voor zo weinig mogelijk Palestijnen op dat land. De aanhoudende verkondiging «wij willen niets anders dan vrede» staat tegenover voortdurende verwerping van Arabische vredesinitiatieven. Voorbeelden? Golda Meirs afwijzing van Sadats voorstel voor een historische doorbraak in 1971. Dayans uitspraak «Liever Sharm el-Sheikh zonder vrede, dan vrede zonder Sharm el-Sheikh.»

De opstelling van deze illustere leiders heeft Israël de semi-catastrofe van de Jom Kippoer Oorlog opgeleverd. De PLO maakte in de jaren zeventig vage en vanaf midden jaren tachtig zeer uitgesproken ouvertures naar Israël. Tot Oslo werden ze door Israël botweg afgewezen, daarna in een ultimatief quasi-vredesproces misbruikt.

Tijdens de tweede intifada werden door Saoedi-Arabië en later de Arabische Liga plannen gelanceerd om Israël te erkennen en de betrekkingen te normaliseren in ruil voor een terugtrekking uit de bezette gebieden en een werkbare Palestijnse staat. Israël verwaardigde zich nauwelijks tot een antwoord.

Als Israël werkelijk naar vrede verlangt, waarom heeft het dan sinds zijn historische overwinning in 1967 niet alles gedaan om, vanuit een positie van kracht en met alle aandacht voor werkelijke veiligheidsbelangen, tot een aanvaardbaar compromis te komen? Het meest voor de hand liggende antwoord lijkt mij dat Israëlische leiders zich een omgekeerde en perverse variant van de doctrine van de «IJzeren Muur» hebben eigengemaakt. «Als we ze maar hard en lang genoeg blijven slaan, zullen ze zich wel moeten schikken.»

Van Gandhi wordt verteld dat hij op de pompeuze vraag van een Britse journalist «What do you think of European civilization?» minzaam antwoordde: «Would be a good idea indeed.»

Voor het vredesproces geldt hetzelfde: het voornaamste wat erover gezegd dient te worden, is dat het nog niet heeft plaatsgevonden. Wat doorgaans met grote vanzelfsprekendheid als «het vredesproces» wordt aangeduid, heeft een werkelijke vrede eerder belemmerd dan bevorderd.

De akkoorden van Oslo waren niet het begin van een billijk historisch compromis tussen twee volkeren, tussen twee nationale bewegingen. Naar inhoud en toon waren ze een eenzijdig dictaat: expliciet en gedetailleerd over Palestijnse verplichtingen, vaag en summier omtrent Palestijnse rechten.

De Israëlische leiders wilden na de eerste intifada het «Palestijnse probleem» oplossen tegen een minimumprijs. Een beslissend deel van de Palestijnse leiding was bereid de akkoorden te aanvaarden, op goede zowel als minder fraaie gronden. Israëls strategische greep op de bezette gebieden werd juist versterkt door een zorgvuldige uitbouw van nederzettingen met de bijbehorende infrastructuur van verbindingswegen. Ook de greep op het dagelijkse leven van de bevolking werd aanzienlijk geïntensiveerd. Het Palestijnse Gezag kreeg de ondankbare politietaak de ontevredenheid in bedwang te houden.

Barak geloofde «Oslo». Maar zijn benadering was ambitieuzer: vrede op bevel, gebaseerd op zijn «edelmoedige aanbod» in Camp David. Dit aanbod ging ontegenzeggelijk verder dan enig ander Israëlisch leider bereid was te doen.

Het was echter het tegendeel van edelmoedig. Het hield een eis tot vergaande Palestijnse capitulatie in. De Palestijnen hadden allang afstand gedaan van 78 procent van het historische gebied door de staat Israël te erkennen. Ze zouden weliswaar een groot deel van de bezette gebieden terugkrijgen en daarin hun staat kunnen stichten. Maar deze staat zou een variant op de Bantoestan-formule worden. Nederzettingsblokken, verbindingswegen, «tijdelijke» Israëlische controle over tien procent van de Westoever en Israëlische zeggenschap over het Palestijnse luchtruim zouden Israëls strategische beheersing van het gehele gebied garanderen. Er zou vooral geen sprake zijn van erkenning van het onrecht dat de Palestijnen was aangedaan, hoewel dit juist de reden is voor de Palestijnen om hun recht op terugkeer te benadrukken. Het aanbod omtrent Jeruzalem bleef eveneens onder de maat. De voorstellen werden bovendien niet officieel gedaan, maar slechts als «bespreekbaar» naar voren geschoven. Geen zichzelf respecterend Palestijns, Israëlisch of ander politiek leider zou op deze grondslag zijn claims hebben opgegeven.

Met zijn luidkeels verkondigde bewering dat «wij geen partner voor vrede hebben» en met zijn repressie na het uitbreken van de tweede intifada, heeft Barak het vredesproces en het toch al zwakke Israëlische «vredeskamp» een slag zonder weerga toegebracht. Het is zeer de vraag of herstel in een nieuwe vorm mogelijk is. Het conflict is moedwillig tot zijn «primitieve» kern teruggebracht.

De drijvende kracht op de achtergrond is het plan dat door de Israëlische militaire en veiligheidstop medio jaren negentig is opgesteld. Dit plan is binnen en buiten Israël gedocumenteerd, onder andere in de populaire krant Ma’ariv. Het doel is ervoor te zorgen dat het vredesproces niet «uit de hand loopt». De middelen? «Flexibele» herbezetting van Palestijnse gebieden, ontwrichting van de Palestijnse samenleving, verstikking van de Palestijnse economie, fysieke liquidatie of politieke neutralisatie van de Palestijnse leiding.

Voorlopig kiest Israël ervoor de kerndoelstelling van het zionisme — normalisering van de verhouding tussen Joden en andere volkeren — te ondergraven. Men keert nadrukkelijker terug naar de door zionisten zo verfoeide «gettomentaliteit» van «wij» tegen de «rest». Dit «getto» is voor de verandering van eigen makelij en bovendien een militaire mogendheid van belang. Daar valt zeker niet mee te spotten.

«Wie het licht ziet aan het einde van de tunnel, wordt wel heel gauw door de trein overreden.» Deze optimistische Servische uitspraak, geboren in de uitzichtloze jaren van de recente Joegoslavische successieoorlogen, geldt helaas ook voor het Midden-Oosten. De «Road Map» in de huidige vorm is een zoveelste futiele poging het conflict op te lossen zonder het voornaamste obstakel, de onwil van de sterkste partij, aan te pakken. Nieuwe intifada’s lijken waarschijnlijk.

Een oplossing is niet zo moeilijk als vaak wordt beweerd. De voornaamste voorwaarden zijn bekend. Erkenning van Israëls deel van de verantwoordelijkheid voor de nationale tragedie van de Palestijnen. Genoegdoening door een erkenning van het Palestijnse recht op terugkeer in principe ook naar Israël, gekoppeld aan een verplichting van Palestijnse zijde dit recht op beperkte schaal uit te oefenen om politieke en sociale ontwrichting in Israël te voorkomen. Twee levensvatbare staten met volledige wederzijdse erkenning en veiligheidsgaranties. Jeruzalem als hoofdstad van beide staten. Ontmanteling van het Israëlische project in de bezette gebieden en politiek onschadelijk maken van de kolonistenbeweging. Want het wordt steeds duidelijker. Een einde aan terreur als politiek middel kan slechts volgen als de bewegingen die dit wapen gebruiken worden erkend als serieuze politieke krachten met legitieme eisen. Pas dan kan de minderheid die Israël echt niet accepteert effectief worden bestreden.

Enkele van deze inzichten zijn ook bij grote delen van het Israëlische vredeskamp taboe. Ze zullen daarom pas worden aanvaard na aanzienlijk meer beproevingen: als Israël wordt gedwongen in te zien dat de «IJzeren Muur» slechts defensief kan worden gebruikt. Massieve druk uit vooral Amerika maar ook uit Europa is hierbij onmisbaar. Helaas zal deze druk pas na nog veel meer troebelen volgen. Zo niet nu, wanneer dan?

Uitgeverij Contact: Een Ander Joods Geluid. Kritische opvattingen over Israël. András Krahl heeft een hoofdstuk geschreven.