Israëlische daklozen lijden onder noodweer

Tel Aviv – Er zijn in twintig jaar tijd niet zulke hevige stormen en regenbuien geweest in Israël als in de afgelopen maand. De tent van Vladimir heeft ze ternauwernood doorstaan. Sinds twee weken verblijft hij in daklozenkamp Arlozorov, vernoemd naar het nabijgelegen treinstation in het hart van Tel Aviv. Hier wonen zo’n zeventig mensen – vooral mannen – in tenten en hutten.

‘Wil je thee?’ Op een tafeltje staan een onafgemaakt spel backgammon en plastic bekertjes. De vloer is bedekt met een laag modder. ‘Ga jij maar hier zitten’, zegt ‘Vlad’, terwijl hij naar de zompige bank wijst. ‘Aan de zijkant is het nog wel droog.’

Het tentenkamp werd in 2011 door de Occupy-beweging opgezet en is nu volledig overgenomen door daklozen. De gemeente heeft inmiddels besloten dat het kamp ontruimd moet worden, maar de bewoners kunnen nergens terecht. Er zijn geen overheidsvoorzieningen voor daklozen; buurtbewoners en liefdadigheidsorganisaties schenken voedsel en kleding.

Hoewel de meeste kampbewoners hier terecht zijn gekomen vanwege verslaving of psychiatrische problemen heeft de 29-jarige Vlad naar eigen zeggen vooral pech gehad. Door een verkeersongeluk kon hij enkele maanden niet werken. Hij nam een lening bij de bank die hij niet kon aflossen en verloor uiteindelijk zijn huis. De geboren Rus heeft nauwelijks familieleden in Israël op wie hij kan terugvallen. Zijn verzorgde gebit, schone handen en merkkleding onderschrijven dat hij hier een vreemde eend in de bijt is. Vlad is niet van plan om lang in Arlozorov te blijven. ‘Ik heb nu wat zwarte klusjes, dus ik kom hier weer uit’, zegt hij opgewekt. ‘Tot die tijd probeer ik wat voor de mensen hier te doen. Kom, dan laat ik je de keuken zien die ik aan het bouwen ben.’ Hij loopt naar een open plek die is afgezet met houten schotten en zeil. Kleding hangt in de stromende regen aan een waslijn.

‘Hier komt dus het fornuis’, legt Vlad uit. ‘Zie je die paal die ik daar heb neergezet? Dat was een verkeersbord van het kruispunt hiernaast.’ Hij zegt het met gepaste trots. De dikke gele kabels die naar het elektriciteitshuisje op de stoep lopen, verraden waar de stroom vandaan komt. ‘We tappen niet te veel af, hoor, anders gaat het opvallen’, grijnst Vlad. ‘Ik doe dit niet voor mezelf, maar omdat ik iets wil achterlaten voor de jongens. Ik weet zeker dat ik hier binnen een week weg ben.’