De armoede- maar de bevolking wil het niet weten

Israëls andere vijand

Welke regering Israël ook gaat leiden, er dringt zich een agendapunt op dat niet meer genegeerd kan worden. En dit keer is dat niet de veiligheid.

JERUZALEM – Veel Israëliërs willen het liever niet weten, maar nu kunnen ze er niet meer omheen. Eén op de vier landgenoten leeft onder de armoedegrens. Onder kinderen is dat zelfs één op de drie. Met 1,5 miljoen armen op een bevolking van 6,2 miljoen is Israël zo langzamerhand een verpauperd land. Tijdens de campagnes voor de parlementsverkiezingen van dinsdag kwam het schrijnende vraagstuk even in de spotlights. «Vechten tegen terreur en armoede verslaan», luidde de campagneleuze van de Arbeiderspartij. De ultraorthodoxe wijk Mea Shearim in Jeruzalem is een onwerkelijke wereld. De wegen zijn altijd verstopt en je hoort er onafgebroken drammerig getoeter. Een mengeling van eeuwenoude traditie en moderne realiteit. Schichtige mannen met pijpenkrullen, hoge zwarte hoeden, lange donkere jassen en hoog opgetrokken kousen schieten door de straten. Maar ook mobiele telefoons, walkmans en mountainbikes zijn hier ingeburgerd. Achter bevuilde winkelruiten blinken zilveren menorakandelaren.

Schijn bedriegt, want de streng religieuze joden zijn alles behalve rijk. Armoede heeft deze wijk in de greep. Orthodoxe gezinshoofden werken niet, maar bestuderen de thora. Hun inkomen is afhankelijk van subsidies, maar daar is de laatste jaren flink op bezuinigd. Orthodoxen hebben vaak enorme families, die ze bijna niet meer kunnen voeden. Inmiddels leeft meer dan de helft van de orthodoxe joden onder de armoedegrens. Daarom zijn er allerlei liefdadigheidsprojecten in Mea Shearim. Van een markt waar je goedkoop kunt winkelen tot de gaarkeukens, sinds enkele jaren een wijdverbreid fenomeen in Israël.

De gaarkeukens zijn voor velen een laatste toevluchtsoord. Je vindt ze tegenwoordig in heel Israël. Voor de deur van gaarkeuken Hazon Yeshaya in Mea Shearim staan om half twaalf ’s middags tientallen hongerige mensen ongeduldig te wachten op hun maaltijd. Voor de deur staan voornamelijk ouderen. Een enkel jong gezin. Gezonde mensen schamen zich diep dat ze hier moeten aankloppen. Een seniele vrouw vraagt voortdurend wanneer ze haar Poerim-pakket krijgt. Op Poerim en andere joodse feestdagen zorgen sommige keukens voor extra voedselpakketten. Een bebaarde man op leeftijd schreeuwt hysterisch dat hij eigenlijk miljonair is. In de eetzaal brengt een grijsaard met trillende handen een soepkom naar zijn mond en begint te slurpen. Op de eettafels liggen na afloop nauwelijks etensresten. Een krom oud vrouwtje met een hoofddoek verzamelt de weinige restjes in een piepschuimen bakje. Voor de katten, zegt ze.

Abraham Israël, de oprichter van Hazon Yeshaya, woonde als kind in Frankrijk, waar hij met zijn familie was veroordeeld tot de gaarkeukens. In 1997 vertrok Abraham naar Israël. Hij was ontzet dat ook in het «beloofde land» de armoede overweldigend was. Zijn eigen armoedige kindertijd indachtig besloot hij de armen te voeden en opende een gaarkeuken. «Dat is nu negen jaar geleden. Toen kwamen hier zeventien mensen, nu eten er maandelijks 7500 mensen in mijn gaarkeukens, door het hele land. En elke dag worden het er meer.»

Abrahams soepkeuken is een succesverhaal. Er zijn 38 vestigingen. Dit Jeruzalemse filiaal heeft naast een eetzaal ook een gratis tandartskliniek en een kappersschool. Jonge alleenstaande vrouwen leren in een klein klaslokaal het vak op oude pruiken.

Yanir Sharaf en Ofer Sardeh, twee gescheiden mannen van midden veertig, eten dagelijks in Hazon Yeshaya. Ze leven al jaren noodgedwongen in een pension voor alleenstaanden, dat bijna verzwolgen wordt door de klimop, eveneens in de wijk Mea Shearim. Ze zijn niet zo streng orthodox als hun meeste buren.

Yanir is met zijn 47 jaar een relatief jonge klant van de gaarkeuken. Toch eet hij er nu al tien jaar. Op de regering hoeft hij niet te rekenen, zegt hij. Zijn vriend Ofer is verbitterd: «We worden behandeld als nummers in een statistiek. Je krijgt zestienhonderd sjekel (290 euro) en verder moet je je mond houden.» Zijn duim en wijsvinger draait hij een kwartslag voor zijn mond. Het bijstandsgeld dat Ofer ontvangt moet hij bovendien bijna geheel afstaan aan alimentatie. Hij is grimeur van beroep, maar al jaren kan hij niet meer aan de slag.

Dat geldt ook voor Yanir. Ooit verdiende hij goed als administrateur bij de lokale rechtbank: «Het is moeilijk zonder vrouw, kind en een baan. Slecht voor de geest. Alsof je niet echt deel uitmaakt van de samenleving.» Het werkloosheidspercentage ligt boven de tien.

Ofer, de grimeur, spreekt gefrustreerd: «Ik heb motivatie en energie. Ik wil werken, ik kan werken, maar er is geen andere mogelijkheid dan zitten en afwachten. Ik vind dit niks.» Ofer plukt aan zijn grijze stoppelbaard: «Eten is het probleem niet. Het echte probleem is een slaapplek, een douche, kleren, gezelschap, begrip en hulp. Ik ben een eenzame vos in de woestijn.»

Israël werd op socialistisch-zionistische grondvesten gesticht, met de bijna communistische kibboets als ideale levensstijl. Maar economische neergang deed de socialistische idealen stilletjes verschralen. Vorig jaar kwamen er honderdduizend armen bij. Econoom dr. Mumi Dahan werkt aan de Hebrew University in Jeruzalem. Ooit werkte hij voor de Israëlische Nationale Bank en het ministerie van Financiën. Nu houdt hij zich vooral bezig met het armoedevraagstuk: «Er bestaat geen twijfel dat de bestedingen aan veiligheid een enorme last vormen. We kunnen minder besteden dan welk land ook aan sociale kosten. We geven tien procent van ons bruto nationaal product aan veiligheid. Dat is een zware last. Maar op dit moment zijn de defensie-uitgaven veel lager dan tijdens het conflict met Egypte in de jaren zeventig. Toen vormden de defensie-uitgaven meer dan twintig procent van ons bnp.»

Er zijn andere redenen voor de groei van de armoede de laatste tien jaar. De twee Palestijnse opstanden (de eerste intifada vanaf 1987 en de tweede vanaf 2000) behoren daartoe. De toeristische sector is met zeventig procent gekrompen. Het toerisme kwam onlangs weer een beetje op gang, vanwege een relatief rustige periode. Ook de opkomst van China als economische wereldmacht schaadt Israël. De technologische sector is belangrijk voor het land. Israël kan wat dat betreft niet opboksen tegen China, dat een buitengewoon groot aantal hoogopgeleide technici aflevert.

Er is nóg een oorzaak, een oorzaak van vlees en bloed: Benjamin Netanyahu, de voormalige minister van Financiën die nu leider is van de Likud-partij. Om de economie te reanimeren koos Netanyahu voor drastische bezuiniging, legt Mumi Dahan uit: «Dat ging vooral ten koste van het sociale stelsel. Tien, twintig jaar geleden was de bijstand in Israël vergelijkbaar met veel Europese landen. Nu zitten we dichter bij een type overheid die op de Amerikaanse lijkt: een kleine overheid en zeer lage bijstandsuitkeringen. Sommige uitkeringen zijn de afgelopen jaren met vijftig procent gekort.»

Mumi’s stem slaat een beetje over. De armoede treft voornamelijk twee groepen: Arabieren en ultraorthodoxen. Dat is volgens Dahan ook meteen de reden dat het vraagstuk minder breed leeft dan je zou verwachten: «Orthodoxen en Arabieren zijn geïsoleerd van de rest van de samenleving. Ze hebben hun eigen wijken, kranten en leefgemeenschappen. Wie niet in hun wereld verkeert, zal de armoede niet snel zien.»

Voor sommige Israëliërs biedt de thora de beste verklaring voor de armoede. Die zou niets minder zijn dan een beproeving die te vergelijken is met de tocht van het joodse volk door de Sinaï. God zond Mozes naar Egypte om de joden te bevrijden uit de slavernij en hen terug te loodsen naar Israël. Mozes koos niet voor de snelste route door de Sinaï. Veertig jaren trokken de joden door de woestijn, onder de meest barre omstandigheden. Onderweg stierven tallozen van hitte, dorst en uitputting. Volgens deze verklaring zou Mozes’ doel een survival of the fittest geweest zijn: weg met de slavenmentaliteit, slechts de krachtigste telgen van het joodse volk moesten overblijven om zo het land Israël tot bloei te brengen.

Werkzoekende gaarkeukenklanten als Yanir en Ofer zouden in deze visie ronddolen in hun eigen woestijn. Hun barre zoektocht naar werk en een beter leven zou moeten leiden tot een nieuwe, sterke, arbeidslustige Israëlische generatie. Die laat vooralsnog op zich wachten. Als de trend van verarming doorzet, leven in 2009 twee miljoen Israëliërs in armoede.