‘It’s showtime, folks!’

Twee theatermakers kampen met een psychose, de een ziet het gezicht van de dood in de vorm van een beeldschone blondine, de ander neemt zijn alter-ego te pas en te onpas waar en weet niet goed of hij die – het is de gevederde superheld Birdman – moet haten of liefhebben.

De regisseurs hebben de woorden gemeen die de eerste ’s ochtends vroeg spreekt wanneer hij zichzelf in de spiegel ziet: ‘It’s showtime, folks!’ Het probleem is dat ze allebei niet meer weten of showtime het drama van het echte leven betreft of dat van fictie.

Of het zo bedoeld is weet ik niet, maar de geest van Bob Fosse die in 1979 zijn artistieke leven verwerkte in het semi-autobiografische All That Jazz is constant voelbaar in Birdman, de film van Alejandro González Iñárritu die vorige week negen Oscar-nominaties kreeg waaronder die voor beste film. Birdman heeft ritme te over, gecreëerd door constante percussie op de achtergrond en het enkele steadicam shot waarmee de film ogenschijnlijk is opgenomen. Birdman bruist, net als All That Jazz waarin de dwingende vormgeving correleert met zang- en dansacts die even verleidelijk als wrang zijn. Wát een beat, ja, maar de jazz heeft structuur noch richting. Wat het hele punt is. In Fosse’s film wordt choreograaf en cineast Joe Gideon (Roy Scheider) getroffen door een hartinfarct. Terwijl hij in het ziekenhuis ligt flitst zijn destructieve leven in hallucinante episodes voor zijn ogen voorbij, waarbij hij in gesprek raakt met Angelique (Jessica Lange), een engel des doods. Centrale vraag: wat voor zin had zijn leven? De titel zegt het al: all that jazz, een uitdrukking die zoiets betekent als ‘en dat soort dingen’. Je krijgt er geen vat op; het leven heeft geen substantie.

Dat is precies waarmee Riggan Thomson (Michael Keaton), uit de gratie gevallen als ster van Hollywood-blockbusters, worstelt in Birdman terwijl hij op Broadway een stuk probeert op te voeren in een poging zijn carrière te redden. Zelfs de titel van het Raymond Carver-verhaal dat Thomson voor het theater verwerkt, suggereert willekeur: What We Talk About When We Talk About Love. Waar praten we dan over? ‘Dat soort dingen’? Iets duidelijker wordt het in een fabuleuze scène waarin een gek Macbeth citeert buiten het theater waar Riggan aan het werk is: ‘Life’s but a walking shadow, a poor player/ That struts and frets his hour upon the stage/ And then is heard no more./ It is a tale/ Told by an idiot, full of sound and fury,/ Signifying nothing.’ Riggan kijkt verschrikt toe terwijl de man oreert. Het is zijn nachtmerrie: het menselijk bestaan als gebakken lucht, gespeend van betekenis.

Birdman heeft wél antwoorden. Terwijl Riggan worstelt met zowel het stuk als met zijn mede-acteurs (Naomi Watts en Edward Norton) fluistert de superheld hem dingen in: vergeet dit gedoe met theater, maak een comeback op het witte doek. Het is alsof Riggan laveert tussen de droomwereld van de cinema en het realisme van het theater. Veel staat op het spel. Collega Norton wil meer werkelijkheid in het stuk. In een confrontatie met hem ‘zoekt’ Riggan naar authenticiteit in zijn acteerstijl door een verhaal te vertellen over hoe hij als kind werd mishandeld door zijn vader. Wanneer Norton vol bewondering zegt: kijk, dát is wat ik bedoel, antwoordt Riggan triomfantelijk: maar ik heb het allemaal ter plekke verzonnen. Een vechtpartij tussen Riggan en Norton volgt, Fight Club-stijl, waardoor het tafereel een existentieel karakter krijgt. Het leven is absurdistisch, en iedere speurtocht naar betekenis is bij voorbaat tot mislukken gedoemd. It’s showtime, folks!


Beeld: Michael Keaton als Riggan Thomson in Birdman, door Alejandro González Iñárritu (20th Century Fox)