Amerika wordt progressiever

It’s the people, stupid!

Als je de presidentskandidaten hoort, zou je het niet zeggen, maar er is iets veranderd in de Verenigde Staten. Amerikanen lijken meer te gedogen en te verwachten van hun overheid.

Medium nyc159876

Er borrelt iets in Amerika. Never mind de fantasieloze presidentskandidaten, vergeet de politieke herrijzenis van president Barack Obama, negeer de winst van de Republikeinen in 2014 en de liberale oprispingen van het Supreme Court. Overweeg wat er zich afspeelt op het niveau van de burger, wat de mensen vinden, wat de kiezers bezighoudt.

Neem de veelbekeken video van Elizabeth Warren, gemaakt in augustus 2011, waarin ze in voor politici ongebruikelijk heldere termen vertelt waarvoor je een overheid hebt. ‘Er is niemand in dit land die op z’n eentje rijk is geworden, niemand. U heeft een fabriek gebouwd? Good for you. Maar laat ik er duidelijk over zijn. U heeft uw goederen naar de markt gebracht over wegen die wij met z’n allen betaald hebben. U heeft werknemers aangenomen die zijn opgeleid op kosten van de rest van ons. Uw fabriek was veilig omdat de rest van ons betaalde voor politie en brandweerlieden.’

‘Gefeliciteerd met uw succes’, zegt Warren, ‘houd er flink wat aan over, maar een deel van uw winst moet geherinvesteerd worden. Dat is deel van ons sociaal contract.’

Elizabeth Warren is inmiddels senator voor de staat Massachusetts en de lieveling van progressieve Amerikanen. Zij is de enige die structureel en consistent pleit voor regulering van banken en financiële instellingen. Zij is de enige die een coherent verhaal heeft over de rol van de overheid en kan uitleggen waarom belastingen een teken van beschaving zijn. Warren is te verstandig om president te willen worden, maar ze verwoordt wat veel Amerikanen vinden: het is tijd om op te houden met de nu al decennia durende anti-overheidsretoriek.

Wat is hier aan de hand? Hebben de Democraten hun eigen Tea Party, zoals simpele zielen menen? Is dit populisme van links, zoals Wall Street gromt en, wat minder luid, zoals ook de acolieten van Hillary Clinton grommen? Geen van beide. Wat we hier zien, is de terugkeer van gematigd progressief denken na een lange periode waarin de markt heilig was, de burgers vooral aan zichzelf dachten en de samenleving als los zand uiteen was gevallen.

Sinds het veelbesproken boek Capital in the Twenty-First Century van Thomas Piketty staat ongelijkheid ook in de Verenigde Staten hoog op de agenda. Het onderwerp was niet nieuw, maar Piketty zorgde voor een dieper bewustzijn. Hij toonde dat verlaging van de hoogste belastingschijf onder president Ronald Reagan er enkel toe leidde dat de grootverdieners zich extra inspanden om zo veel mogelijk dollars binnen te harken – ze hielden er immers veel meer aan over. Sinds die tijd is ook inkomen uit vermogen zo laag belast dat Warren Buffett, een van de rijkste mannen ter wereld, klaagt dat hij procentueel minder belasting betaalt dan zijn secretaresse.

De tolerantie voor deze excessen lijkt af te nemen. Een paar opiniepeilingen van de afgelopen maanden geven een idee. In een New York Times/CBS-onderzoek stelt tweederde deel van de Amerikanen dat rijkdom gelijkmatiger verdeeld zou moeten zijn. Het aantal Amerikanen dat vindt dat ‘iedereen een gelijke kans heeft om vooruit te komen’ is sinds begin 2014 met zeventien procentpunten gedaald. Zes van de tien ondervraagden zeggen dat alleen mensen aan de top die kans hebben, 57 procent wil dat ‘de overheid meer [doet] om de kloof tussen arm en rijk te verkleinen’.

We zijn hier getuige van een wreed ontwaken uit de Amerikaanse droom. Het idee dat iedereen die ‘hard werkt en goed zijn best doet’ vooruit kan komen, zoals president Bill Clinton het ooit formuleerde, was altijd al een wassen neus, een collectief beleefde mythe die mensen met hun lot verzoende. Als het niet lukte, dan lag het immers aan jezelf. Steeds minder Amerikanen geloven die nonsens. Steeds minder Amerikanen vertrouwen op de vooruitgang tussen generaties, de zekerheid dat hun kinderen het beter zullen hebben dan zij. Ze weten dat het niet zo is.

Vier van de vijf Amerikanen vinden dat werkgevers betaald ouderschaps- en ziekteverlof zouden moeten verschaffen, tot voor kort beschouwd als gevaarlijk eurosocialisme. Ze vinden dat bedrijven in de dienstverlening met continudiensten minstens twee weken van tevoren werkschema’s moeten vastleggen of anders extra moeten betalen. Er is brede steun voor Obama’s voorstel om de inkomensgrens te verdubbelen waarboven bedrijven verplicht extra moeten betalen als werknemers overwerk moeten verrichten, direct van belang voor vijf miljoen Amerikanen. Belangrijker is dat de voorspelbare tegenargumenten, dat dit alles economische groei frustreert en Amerika op een achterstand zet, steeds minder geloofd worden.

Interessant in dit verband zijn de ontwikkelingen rond het minimumloon. Iedereen weet dat je van de huidige 7,25 dollar per uur niet kunt leven; het levert zo’n vijftienduizend dollar per jaar op. Zelfs het notoir uitbuiterige Walmart, de grootste winkelketen van Amerika, heeft zijn startloon nu verhoogd tot negen dollar. In sommige steden, zoals Seattle, Los Angeles en San Francisco, stijgt het lokale minimumloon geleidelijk naar vijftien dollar. Anders dan de zakenlobby altijd beweerde, kost dat nauwelijks banen. In een toch al krap bemande dienstensector kun je niet goed bezuinigen op de hamburgerflippers, koffiemakers of caissières.

Zeven van de tien Amerikanen zijn voor een federaal minimumloon van tien dollar en tien cent. President Obama pleitte daar al voor in zijn State of the Union van 2014 en hij heeft het per executive order opgelegd aan bedrijven die voor de federale overheid werken. Zelfs onder Republikeinen is de helft van de ondervraagden ervoor. De boodschap is helder: het is tijd om de lonen aan de onderkant van het loongebouw op te trekken.

Steeds minder Amerikanen vertrouwen erop dat hun kinderen het beter zullen hebben dan zij. Ze weten dat het niet zo is

Lange tijd konden anti-overheidspropagandisten Amerikanen bang maken met belastingverhogingen, of, positiever gezegd, hun lagere belastingen voorspiegelen. Een meerderheid van de Amerikanen blijkt nu voor het verhogen van de belastingen voor de rijken. De helft wil zelfs een maximuminkomen opleggen. Ook de helft van de Amerikanen met een ‘hoger inkomen’ vindt dat inkomen en rijkdom beter verdeeld moeten worden.

De analyse van The New York Times sloeg de spijker op de kop: gewone burgers staan inmiddels zo ver af van die grootverdieners dat ze geen moeite hebben paal en perk te stellen aan hun inkomens. Het altijd al onzinnige argument dat Amerikanen grote inkomensverschillen tolereren omdat ze denken zelf ooit zo rijk te worden, heeft zijn kracht verloren. Je zou het revolutionair kunnen noemen. Of realistisch.

Ook successiebelasting is teruggekeerd op de agenda. Rechts zeurt al decennia over grannie tax of death tax, sluwe benamingen die doen geloven dat het schandelijk is om erfenissen te belasten. Onderzoek laat zien dat wanneer mensen zich realiseren dat het gaat om vermogens van vele miljoenen die vrijwel onbelast kunnen worden doorgegeven ze van mening veranderen. Het helpt als politici iets uitleggen.

Van dit alles is ongelijkheid per se niet de drijvende kracht, het is vooral het bewustzijn dat de enorme afstand tussen diverse groepen Amerikanen de samenhang van de samenleving bedreigt. Mensen maken zich vooral zorgen over hun leefomstandigheden, economische zekerheid, openbare voorzieningen en mogelijkheden om zich te verbeteren. Beleid op die terreinen moet de doelstelling zijn, gefinancierd met hogere belastingen. Vermindering van de ongelijkheid is geen doel maar een plezierig bijeffect. Zo heeft Obamacare meer gedaan om de lage inkomens te helpen dan welke andere maatregel ook.

Het debat over ongelijkheid zou mensen moeten inspireren opnieuw na te denken over hun samenleving, inderdaad, over hun sociaal contract. Neem de publieke voorzieningen. Wie aankomt op een Amerikaans vliegveld waant zich in een derdewereldland. De zogenaamd snelle trein tussen Washington en New York moet zich regelmatig inhouden omdat de rails te slecht zijn. Dit voorjaar ontspoorde hij nog. Amerika kent geen enkele serieus te nemen hogesnelheidslijn. In Buckhead, de rijkste wijk van Atlanta, liggen landhuizen die miljoenen dollars hebben gekost aan een openbare weg vol met gaten. De ooit befaamde freeways in Californië zijn inmiddels berucht. Amerika’s bruggen kennen enorme onderhoudsachterstanden. Soms storten ze in.

De publieke armoede in het rijkste land van de wereld is beschamend. President Obama probeerde in 2009 met zijn stimuleringsbeleid te investeren in infrastructuur, maar dat heeft, mede door tegenwerking van het Congres, weinig opgeleverd. Steeds meer burgers realiseren zich echter dat als de overheid niet investeert in infrastructuur niemand het doet.

Over openbaar onderwijs hebben we het nog niet eens. De Verenigde Staten scoren schrikbarend slecht in internationale vergelijkingen. Maar op dit terrein heeft de federale overheid beperkte mogelijkheden, al heeft de regering-Obama geprobeerd daar zo veel mogelijk uit te halen. Ook ondernemers beseffen ondertussen dat Amerikaanse werknemers tekortkomen.

Ook in het denken over strafrecht en gevangenissen is een duidelijke omslag merkbaar. Sinds jaar en dag klagen activisten dat te veel mensen te lang voor te kleine misdaden worden opgesloten en dat het onevenredig veel zwarte Amerikanen betreft. Ze hebben gelijk. Zo’n 2,3 miljoen Amerikanen zitten in een of andere vorm van gevangenschap, in overbevolkte gevangenissen. Van dat aantal is een onevenredig groot deel Afro-Amerikaans. Door het brutaliserende effect van de gevangenis, hoog recidivisme en de bijna-onmogelijkheid een baan te vinden na een gevangenisstraf is de massale opsluiting in de VS een even groot obstakel voor sociale mobiliteit als het slechte onderwijs. Het is ook de belangrijkste oorzaak van zwarte éénoudergezinnen.

De trend naar zwaarder, langer en genadelozer straffen begon met de war on drugs van Richard Nixon. De eerste verplichte minimumstraffen kwamen in 1973, in de jaren negentig kwamen de infame ‘three strikes and you’re out’-wetten, waarbij iemand bij een derde, vaak minieme veroordeling levenslang werd opgesloten. Hoewel vanaf 1990 de misdaad begon te dalen, grotendeels vanwege demografische factoren, ondertekende Bill Clinton in 1994 nog een wet die 9,7 miljard dollar vrijmaakte voor massaopsluiting, hogere straffen en pesterijen als het weghalen van studiesteun voor gevangenen. Als toegewijd lezer van opiniepeilingen wist Clinton dat toentertijd 37 procent van de Amerikanen misdaad zag als het belangrijkste probleem van het land. In 2012 was dat maar twee procent. Zijn vrouw kan ook peilingen lezen en keert zich inmiddels tegen deze wetgeving.

Strafrechthervorming stond opeens extra in de belangstelling door de politie-excessen tegen zwarten, onder meer in Ferguson, New York en Baltimore. De incidenten onderstreepten niet alleen ingebakken racisme, maar ook de noodzaak van hervorming van het strafrechtsysteem dat leidt tot kansloze levens aan de onderkant van de samenleving. De rellen in Baltimore lieten ook zien dat die levens nooit beter zullen worden zonder structurele economische hervormingen en overheidsinvesteringen.

Van een andere orde maar wel degelijk passend bij herziening van het strafrecht is de liberalisering van het marihuanabeleid. Waar Amerikanen altijd krampachtig reageerden op drugsgebruik, terwijl ze zelf als student vaak gebruikten, worden softdrugs nu via een traject van ‘medicinaal gebruik’ in een groeiend aantal staten gelegaliseerd. Als het homohuwelijk dat al niet had laten zien, dan toont dit dat publieke sentimenten razendsnel kunnen veranderen.

Een meerderheid is voor het verhogen van de belastingen voor de rijken. De helft wil zelfs een maximuminkomen opleggen

Ook op het terrein van immigratiebeleid is sprake van een grootscheeps schuiven. De meeste Amerikanen vinden dat er een serieuze en gracieuze oplossing moet komen voor de elf miljoen illegalen die in Amerika wonen en werken. De politici die hiertegen te hoop lopen, zijn out of touch met de vox populi op dit terrein.

Dat zijn vaak dezelfde politici die van klimaatontkenning een belangrijk punt maken. Slechts 22 procent van de conservatieve Republikeinen meent dat er ‘geen wetenschappelijk bewijs’ is. De overgrote meerderheid van de Amerikanen is inmiddels overtuigd van door mensen veroorzaakte klimaatverandering. Volgens een onderzoek van Pew vindt 64 procent dat de VS iets moeten doen aan de uitstoot van schadelijke stoffen, ook als de rest van de wereld niets doet. Dat wil ook de helft van de Republikeinen.

De recente encycliek van paus Franciscus zal helpen om het bezorgd zijn om klimaatverandering nog minder omstreden te maken. De paus maakte er een moreel onderwerp van, vergelijkbaar met armoede. Het leidde tot enige paniek onder de Republikeinse politici die over allerlei andere onderwerpen stevige morele standpunten innemen, maar vonden dat de paus zich hier niet mee moest bemoeien. De bevolking is al veel verder dan de politici die proberen de klimaatagenda van Obama te frustreren en zich laten financieren door energieboeren als de Koch-broers of door de kolenindustrie.

Het optimisme wordt getemperd door de vaststelling dat ook als veel Amerikanen iets willen dat niet wil zeggen dat het ook gebeurt. Een meerderheid is voor striktere regels voor het bezit van wapens en hogere eisen voor een vergunning. Een verbod op halfautomatische wapens zoals dat gold in de jaren negentig kan rekenen op brede steun. Maar vooralsnog is dit een onderwerp waar lafhartige politici zich niet de handen aan durven te branden. De wapen- en moordlobby, de National Rifle Association, is te sterk en heeft te veel geld.

Maar ook geld in de politiek is een onderwerp waarover de stemming verandert. De meeste Amerikanen, van beide partijen, verwerpen nu de Citizens United-uitspraak van het Supreme Court die in 2010 vastlegde dat het een recht van vrije meningsuiting is van individuen en bedrijven om oneindig veel geld aan politieke campagnes te geven. Zelfs Republikeinen blijken in meerderheid tegen deze uitspraak. Vier van de vijf Amerikanen vinden dat geld een te grote rol speelt in campagnes en tweederde deel meent dat rijken meer invloed hebben op het proces dan niet-rijken.

De macht van lobbyisten ligt onder vuur. Voorjaar 2014 verloor een top-Republikein in het Huis van Afgevaardigden, Eric Cantor, zijn zetel aan een Tea Party-uitdager die hem ervan beschuldigde het vestzak-broekzak-kapitalisme te beschermen. Na zijn nederlaag bewees Cantor het gelijk van de klacht door werk te vinden bij investeringsbank Moelis Company, met een jaarinkomen van 3,4 miljoen dollar.

De draaideur van belangenbehartiging beperkt zich niet tot Wall Street en evenmin tot de Republikeinen. Sinds de jaren tachtig is het aantal lobbyisten explosief gestegen. Ze schrijven vaak de wetgeving. De man die oorspronkelijk door Obama benoemd zou worden als minister van Gezondheidszorg om Obama’s plannen uit te voeren, ex-senator Tom Daschle, moest van benoeming afzien vanwege lobbyactiviteiten in dezelfde gezondheidszorg die hij moest hervormen.

Verontwaardiging over deze corruptie van het publieke systeem leeft onderhuids, maar is moeilijk om te zetten in activisme. Een peiling van The New York Times laat zien dat 85 procent van de respondenten vindt dat het systeem ‘fundamentele verandering’ nodig heeft of zelfs ‘totaal moet worden heropgezet’. Meer dan tweederde van de ondervraagden wil beperkingen op de bijdragen van ‘onafhankelijke’ groeperingen en totale openheid over politieke donaties. Democraten en Republikeinen denken er hetzelfde over. Slechts 23 procent meent dat alle Amerikanen een gelijke stem hebben in hun democratie.

Amerikanen hebben juist door de belangenverstrengeling een afkeer van de politiek. Burgers verwachten weinig van hun politici en dus weinig van hun overheid. Amerikanen houden niet van de overheid, althans niet in formele zin. Al heel snel wordt meer overheid ervaren als een samenzwering van de progressieve elite om de middenklasse te laten betalen voor programma’s voor de armen. In de jaren tachtig en negentig probeerden Bill Clinton en de Britse premier Tony Blair serieus beleid te verkopen als een ‘derde weg’. Veel meer dan cynisme heeft het niet opgeleverd. Politici zullen met een beter verhaal moeten komen dan ze tot nu toe hebben gedaan om het optreden van de overheid te rechtvaardigen.

Toch is er reden voor enig optimisme als je de beschreven ontwikkelingen bij elkaar optelt. Er lijkt sprake van een lange-termijn-stemmingswisseling. De culture wars zijn voorbij. Verkiezingen worden niet meer beslist door abortus, euthanasie, homohuwelijk of andere social issues. Het kan weer gaan over waar het over moet gaan: economie en samenleving. En daar lijken de Amerikanen wat naar links opgeschoven, of in elk geval minder gevoelig voor ouderwetse Republikeinse anti-overheidsretoriek.

Amerika lijkt zich eindelijk los te maken van de reactie op de jaren zestig. Sociaal neoconservatisme, de kritiek op de verzorgingsstaat, economisch neoliberalisme en kritiek op de uitgedijde overheid lijken minder zuigkracht te hebben dan lange tijd het geval was. Liberals, Amerikaanse progressieven, durven zichzelf weer liberals te noemen. En wat relevanter is, ze bevinden zich niet ergens op een vleugel ver weg van het politieke centrum. Ze zitten er middenin. De uitdaging voor politici is om de overlap te vinden van deze progressieve stroming met het politieke midden, om een ouderwetse coalitie te bouwen die een actieve overheid steunt.

De trend lijkt duidelijk, de boodschap zoals verwoord door Elizabeth Warren is niet vreselijk gecompliceerd. Toch hebben zelfs de meest prominente politici er moeite mee. Zowel Barack Obama als Hillary Clinton heeft geprobeerd een ‘Warren’ te doen. Het leverde tenenkrommende mislukkingen op. Obama riep in de campagne van 2012: ‘Als je succes hebt, dan heb je dat niet zelf gedaan.’ Knullige krompraat waarmee zijn tegenstander Mitt Romney zomaar een paar extra procenten scoorde. Hillary Clinton probeerde het eind 2014. ‘Laat niemand u vertellen dat ondernemingen en bedrijven banen creëren’, verkondigde ze tot algemene hilariteit.

Het is tamelijk onthutsend dat deze toppolitici, degenen die een overheid moeten runnen, niet in staat zijn zo’n eenvoudig concept behoorlijk te formuleren. Het zou een vraag moeten zijn bij de eindeloze debatten die ons het komend jaar te wachten staan: wat vindt u de taak van de overheid? Wat moet een overheid doen? De Amerikaanse burger lijkt het antwoord inmiddels heel goed te weten.