Italië kan weer even naar europa lonken

Absurd, nutteloos, gevaarlijk: voor de Italiaanse vierdaagse die begon met een knetterende regeringscrisis en eindigde in de overgave van de provocateurs, kun je alleen maar negatieve woorden vinden. Hoe kwamen ze erop, die orthodoxe communisten, om Italiës eerste linkse regering ten val te brengen, juist toen het einde van het herculische bezuinigingskarwei van premier Prodi en minister Ciampi in zicht was?

Wat moet ze hebben bezield toen ze, in naam van de verschoppelingen, een crisis uitlokten waarvan diezelfde verschoppelingen de grootste slachtoffers zouden worden? Welk belang hadden ze erbij om Italiës moeizaam herkregen reputatie te grabbel te gooien, juist op het moment dat de deelname aan de euro voor het grijpen lag?
Volgens sommigen is het zinloos op deze vragen een redelijk antwoord te zoeken. Wat wil je, zeggen ze; in een land waarin een pias als Dario Fo de Nobelprijs voor literatuur krijgt, is alles mogelijk. Onzin. Fo is inderdaad een pias, maar wel een geniale, en de communistische leider Bertinotti is geen randdebiel. Heeft hij de crisis geforceerd volgens een zorgvuldig uitgestippeld plan? Of heeft hij zich laten leiden door een ingeving die hem zo zwaar is opgebroken dat hij met de staart tussen de benen weer bij Prodi moest aankloppen? In ieder geval is deze ‘waanzinnigste crisis van de wereld’ (Prodi) niet uit de lucht komen vallen.
De feiten. Op 21 april 1996 wint Prodi’s heterogene centrum-linkse coalitie Olijf de verkiezingen. De Olijf-waaier is bijzonder wijd: van de supergematigde ex-premier Dini en de neo-christen-democratische Volkspartij via de ex-communistische PDS en de Groenen tot een afsplitsing van de orthodoxe communistische partij. Maar door toedoen van het kreupele kiesstelsel haalt de Olijf geen meerderheid in de Kamer. Geen nood, zegt Prodi, we zetten het stembusakkoord met Bertinotti’s Communistische Herstichting gewoon voort, maar we trekken ons van haar volstrekt afwijkende programma niets aan.
De onmisbare Bertinotti heeft voor een groot deel het regeringsbeleid bepaald. Dankzij hem zijn de vanwege Maastricht noodzakelijke bezuinigingen grotendeels voorbijgegaan aan de minst draagkrachtigen. Maar ook heeft hij belangrijke beslissingen, bijvoorbeeld over staatkundige hervormingen en privatiseringen, tegengehouden of vertraagd omdat hij ze in strijd vond met het partijbelang.
In april kwam het bijna tot een breuk toen de communisten tegen de militaire expeditie naar Albanië stemden. De rechtse oppositiechef Berlusconi kwam Prodi te hulp. Bertinotti zei toen al dat de volgende botsing zou gaan over de pensioenen. Hij heeft woord gehouden. Waarom? Om de vutters te verdedigen? Nee, om de leiding van het linkse kamp over te nemen van de 'renegaten’ van de PDS en de vakbonden. Want voor bepaalde groepen links is er geen grotere vijand dan links.
Bertinotti’s eigen kiezers hebben die ideologische verblinding niet begrepen. Ze hebben hem gedwongen de 'onaanvaardbare’ begroting te aanvaarden. Prodi zit weer in het zadel, de sanering kan doorgaan, Europa is weer in zicht. Maar hoe lang zal het duren voordat Bertinotti het weer op zijn heupen krijgt?