In famiglia

Italië, het land van de clan

Mariangela Melato en Gian Maria Volontè tijdens de opnames van de film Todo modo (1976), achter regisseur Elio Petri © Foto’s Cinevera S.p.a.

De Italianen hebben er wel een term voor, pensare mafioso, ‘een maffia-achtige manier van denken’. Maar hij wordt niet vaak gebruikt, en als, dan alleen lacherig, met een knipoog, voor als onschuldig beschouwde inhaalmanoeuvres waarvan ze zelf ook wel weten dat het niet helemaal is hoe het hoort. Pensare mafioso is de smeerolie van het dagelijks bestaan, het betekent iets regelen buiten de regels om, ergens een plek forceren door iemand een bankbiljet in de hand te drukken, bureaucratische shortcuts, oogjes toeknijpen, aanbevelingen, kleine voordelen afdwingen die kunnen oplopen tot grote.

De constante is dat het altijd ten nadele van de anderen gaat, maar dat wordt zo niet gezien in Italië, want de anderen, die ken ik niet. Ik ken alleen mezelf en de mijnen. Als er één volk is dat weet dat je eerst je eigen zaakjes moet regelen voordat je aan grotere zaken kunt denken, dan is het het Italiaanse volk. Het blijft meestal steken in de eigen zaakjes, want dat is al zoveel werk in het labyrint Italië, en de behoeften van de mens zijn nu eenmaal oneindig. Ook die van de Italiaanse mens en zijn familie, in de zin van de clan.

‘Er wordt altijd gezegd dat Italië een land van individualisten is, maar dat is niet waar. Het individu verhoudt zich tot de gemeenschap: hij is één, de anderen zijn iedereen. Het individu weegt zijn verantwoordelijkheden af ten opzichte van de gemeenschap. Dat doet de clan niet. De clan kent alleen zijn eigen wetten’, aldus de observator van de Italiaanse mores Michele Serra in zijn dagelijkse rubriek voor de krant La Repubblica. En Serra vervolgt: ‘Wij zijn als land op onze eigen manier wel degelijk georganiseerd, namelijk in clans. De ambtenaren die inklokken op het werk voor hun afwezige collega’s, de hermetisch gesloten bolwerken van de vrije beroepsgroepen als advocaten, notarissen, architecten met hun krankzinnige tarieven, de verschillende maffia-organisaties die met hun jaaromzet de hele Italiaanse staatsschuld in zes jaar zouden kunnen afbetalen, de familieleden, de vrienden van de vrienden, enzovoort enzovoort.’

De clan heeft al zijn eigen behoorlijk gecompliceerde interne regels, schrijft Serra, die gerespecteerd moeten worden. Hij kan zich niet ook nog bezighouden met onbegrijpelijke externe wetten waardoor je bijvoorbeeld niet een hele straat mag afsluiten om er een karaoke-avond met vuurwerk te organiseren, zoals laatst in Catania. ‘Hoezo kan dat niet? Wij hebben hier een hartstikke leuke avond en zijn aan het zingen, wij hoeven er niet door met de auto. Het verkeer, dat zijn de anderen, en dus bestaat het niet. Een volkomen onbegrijpelijk concept, “de anderen”, voor ons Italianen.’

En het voorbeeld naar aanleiding waarvan Michele Serra zijn commentaar schreef was nog het alleronschuldigste denkbaar. Gewoon een leuke karaoke-avond met vrienden op straat in Catania, Sicilië. Aha, la Sicilia.

Het Sicilië van de literaire gigant Leonardo Sciascia (1921-1989), die dertig jaar geleden voortijdig werd ontrukt aan zijn eenzame taak van de vorming van het niet-bestaande Italiaanse collectieve bewustzijn. Sciascia was de kleine, immense schrijver uit Racalmuto, een bergplaats op Sicilië die hij als volgt omschrijft: ‘Bent u Siciliaan?’ vraagt een vrouw in Sciascia’s op één na laatste roman, zijn testament, Il cavaliere e la morte (De ridder en de dood, 1988). En Sciascia antwoordt bij monde van zijn literaire ik-figuur, de politie-inspecteur, die net als hij stervende is aan beenmergkanker: ‘Ja, maar van het koude Sicilië: van een kleine plaats in het binnenland, in de bergen, waar de sneeuw ’s winters lang kan blijven liggen; of althans, zo was het in mijn kindertijd. Een Sicilië waar niemand zich een voorstelling van kan maken. Ik heb het nooit meer zo koud gehad in mijn leven als toen.’

Sciascia’s zelf opgelegde taak van de vorming van een Italiaans collectief bewustzijn was een zware. Want alles in Italië is altijd lokaal, streekgebonden, kunnen anderen niet begrijpen, daar moet je Siciliaan voor zijn, of Napolitaan, of Romein, of Milanees. Er is nooit iets in Italië dat een persoonlijke keuze is. Het komt altijd ergens door, en niet door mij.

Voor Sciascia, zo Siciliaan als je maar zijn kunt, bestond de persoonlijke keuze wél. Hij staat bekend als ‘de schrijver van de maffia’, maar dat doet hem geen recht. Sciascia schreef vanuit een perspectief dat niemand anders in Italië ooit heeft gehad. Zijn romans gaan over de metafysische maffia die woekert in het Italiaanse bloed. Welke uiterlijke verschijningsvorm de maffia ook aanneemt – en Sciascia was een meester in het schetsen van alle mogelijke verschijningsvormen – het gaat bij hem om het wezen, de werkelijkheid die erachter zit. Van klein naar groot, van lokale Siciliaanse situaties die iedereen zich wel een beetje kan voorstellen, naar het grote podium Italië, want het was allemaal één, het kwam allemaal uit dezelfde bron, en hem ging het om de bron.

Met één oog toegeknepen tegen de opkringelende rook van de permanente sigaret in zijn hand, in de onmiskenbaar Siciliaanse slepende tongval, sprak het orakel Sciascia: ‘De grootste zonde van Sicilië is altijd geweest het niet geloven in ideeën. Hier, op Sicilië, heeft men nooit geloofd dat de wereld draait op ideeën. Er zijn natuurlijk redenen voor, historische redenen, redenen gebaseerd op de eeuwenlange ervaring van een eiland dat altijd is overheerst door anderen. Dit is waarom Sicilië nooit vooruit is gekomen: de rotsvaste overtuiging dat de wereld nooit anders kan worden dan hoe ze is geweest. Dat is de Sicilianità (de ‘Siciliaansheid’) waar iedereen het altijd over heeft, wat natuurlijk geen andere betekenis heeft dan mafia. Een vorm van zelfonderdrukking van een altijd onderdrukt volk. Maar aangezien hetzelfde wantrouwen in ideeën, of laten we zeggen de totale afwezigheid van ideeën, zich momenteel op de hele wereld projecteert, is Sicilië voor mij de metafoor voor de wereld geworden.’

‘De grootste zonde van Sicilië is altijd geweest het niet geloven in ideeën’

Dit was Sciascia in de jaren tachtig, want langer mocht hij het niet meemaken. Ce ne ricorderemo di questo pianeta, ‘We zullen hem ons herinneren, deze planeet’, staat op zijn graf in Racalmuto. Midden op een stoep van zijn geboortestadje wandelt een bronzen Sciascia met sigaret op ware grootte ter eeuwige nagedachtenis tussen de mensen. Want ook Sciascia wordt herinnerd op deze planeet, zeker in dat deel van de planeet.

Todo modo, 1976, regie Elio Petri. Gian Maria Volontè (l) en Renato Salvatori © Cinevera S.p.a.

Het was de manier waarop hij situaties wist op te schrijven en waaruit een diep begrip sprak voor al wat ‘fout’ is, fout langs de meetlat van een wereld die niet bestaat als je komt van waar hij kwam. Niet als je Sicilië kent. Niet als je Italië kent. Sciascia schreef ‘literaire thrillers’ toen de term nog niet bestond. Ze draaiden niet om wie het had gedaan – een moord, of meerdere moorden – maar om hoe het was ontstaan en waarom het morgen zo weer kon gebeuren.

Hij schreef eigenlijk de kroniek van de aangekondigde dood van het systeem Italië, beginnend vanuit een kleine aanleiding, uitwaaierend in steeds wijdere kringen waarbij uiteindelijk de schuldige en het slachtoffer er helemaal niet meer toe doen. Hij deed dat met groot gevoel voor humor en precisie, zoals in deze passage uit zijn meesterwerk Todo modo (1974), waarin hij het slachtoffer, het christen-democratische parlementslid Michelozzi, even neerzet. Michelozzi is doodgeschoten tijdens het gezamenlijk opdreunen van de rozenkrans en de dader kan niet anders dan een van zijn christen-democratische collega’s zijn.

Sciascia legt het Italië van toen vol spottend begrip op de operatietafel: ‘Er was iets bijzonders aan Michelozzi, iets dat hem onderscheidde van de anderen. Natuurlijk, hij was ook een dief, net zoals zij allemaal, iemand die je in andere tijden op van alles had kunnen pakken, verduistering van publieke gelden, corruptie, noem maar op, de misdrijven die onze wetgevers inmiddels hebben weggepoetst onder de noemer “openbare administratie” en al wat dat met zich meebrengt. Maar voor de moraal van vandaag, voor de normale handelswijze van nu, zou je Michelozzi extreem eerlijk moeten noemen. Want hij stal haast niets voor zichzelf, of eigenlijk niets. Alle anderen hebben huizen, villa’s, agrarische modelbedrijven op hun naam gezet, ze vreten allemaal mee uit de ruif van de grootindustrie, ze brengen allemaal al jarenlang koffers met geld naar Zwitserland, in tranches van miljoenen per keer. Michelozzi niet. Hij had niet eens een huis, hij had geen stuk grond. Hij leefde in bij de nonnen en de paters, er wordt zelfs gefluisterd dat hij een deel van zijn salaris afstond aan de armen (…) waar hij die armen vond zou ik niet weten trouwens… Maar de bijzonderheid van Michelozzi was dus eigenlijk dat niemand van de anderen hem kon chanteren door te dreigen zijn verduisteringen en corrupties bekend te maken omdat ze allemaal, en ik bedoel echt allemaal, hebben geprofiteerd van Michelozzi. Wie aan Michelozzi kwam, ging zelf mee naar de bodem, dat is wat ik bedoel.’

Met Todo modo zette Sciascia toen, in 1974, het hele systeem Italië neer. Het christen-democratische systeem dat op dat moment oppermachtig was en arm in arm over straat liep met de Siciliaanse maffia, want de machtsbasis zat op Sicilië, waar men devoot stemde op wie de Don zei dat gestemd moest worden. Todo modo gaat over een spirituele retraîte van de christen-democratische partijtop op Sicilië, in het macabere bunkerhotel Zafer, dat boven op de kluizenaarsgrot van de heilige Zafer is gebouwd. Onder leiding van een duivelse pater, Don Gaetano, ontaardt de retraîte in het uitmoorden van elkaar ‘omdat er altijd iets gebeurt als de spirituele oefeningen correct worden uitgevoerd’, zoals Don Gaetano – die ook de schuldige kan zijn – dreigend zegt bij de zoveelste dode. Wie het is wordt nooit opgehelderd, de verdachten vallen één voor één, uiteindelijk ook Don Gaetano. Een schitterend geschreven verhaal, dat gaat over de schuld van allen.

Het boek was al een shock, nog veel groter was de shock van de film Todo modo van Elio Petri, die in 1976 uitkwam. Shockerend was vooral de eng lijkende rol van de grote acteur Gian Maria Volontè als de presidente, de christen-democraat Aldo Moro, die op dat moment, in 1976, premier van Italië was, en in 1978 zou worden ontvoerd en geëxecuteerd door de Rode Brigades. De doodgeschoten Moro die dubbelgeklapt in de achterbak van een Renault 4 werd teruggegeven aan zijn land was een nationaal trauma. Sciascia had het allemaal voorspeld, natuurlijk niet dat het zó zou gebeuren, maar wel dat er verschrikkelijke dingen op til waren in the state of Denmark – Italië.

De film werd in beslag genomen door de (christen-democratische) censuurcommissie en de originele filmrollen werden na de moord op Moro verbrand teruggevonden in de archieven van Cinecittà – dader onbekend uiteraard. Er bestaat alleen nog een kopie van Todo modo op YouTube, een besliste aanrader voor de filmliefhebber, want om Marcello Mastroianni (Don Gaetano), Gian Maria Volontè (Aldo Moro) en Michel Piccoli (Giulio Andreotti) in deze staat van gratie tegenover elkaar te zien spelen, is een ervaring. En hij is ook nog Engels ondertiteld, omdat de kopie waarschijnlijk uit Amerika afkomstig is, waar hij na het verbod in Italië met veel succes op festivals werd vertoond.

Leonardo Sciascia, Sicilië, 1964 © Ferdinando Scianna / Magnum / HH
De Italiaanse politiek is absoluut niet bezig met de maffia. Het staat altijd ‘nu even niet’ op de agenda

‘Na de dood van Moro voel ik me niet meer vrij om mijn verbeelding te laten spreken’, zei Leonardo Sciascia een paar jaar later. ‘Sindsdien schrijf ik liever over dingen die al zijn gebeurd, ik houd het liever bij reconstructies. Ik ben bang om dingen te vertellen die zouden kunnen gebeuren, omdat ik weet dat ze zullen gebeuren. Dat is niet omdat ik zo geniaal ben. Het is helemaal niet moeilijk om te voorspellen wat er in Italië zal gebeuren. Het is voldoende om het script goed door te lezen. Dan kun je alles voorspellen wat in Italië zal gebeuren, hoe ingewikkelder het wordt gemaakt, des te makkelijker het is.’

Het is een dodelijke observatie, die verwijst naar de kleinste gemene deler van Italië, waar uiteindelijk altijd alles op terug te voeren is. ‘Om het even heel simpel te zeggen: er is in Italië maar één manier om een vijand te elimineren: hij moet dood. En er is maar één manier om te leven: deel uitmaken van een mafia, in de zin van een clan. Want dat was wat de maffia voor Sciascia vertegenwoordigde, meer nog dan de specifieke organisatie op Sicilië die hij van jongetje af aan tot in zijn haarvezels had leren kennen. De maffia is een manier van leven op z’n Italiaans, een condition humaine die voor Sciascia het absolute kwaad vertegenwoordigde.’

Deze woorden zijn van filmregisseur Roberto Andò (60), die vandaag de belangrijkste nog levende getuige van Leonardo Sciascia is. Er zijn natuurlijk meer mensen in Italië te vinden die Sciascia hebben gekend, maar Andò neemt een speciale positie in, en niet alleen omdat hij hecht met Sciascia bevriend is geweest, wat bijzonder is gezien het leeftijdsverschil van bijna veertig jaar en gezien Sciascia’s typisch Siciliaanse gesloten karakter. Natuurlijk is Andò ook een Siciliaan, en je zou kunnen stellen dat Andò de apostel van Sciascia is, die zijn leven in dienst heeft gesteld van het verspreiden van het woord en de profetie van de Maestro.

Dat wat nog niet is verfilmd van het werk van Sciascia (weinig, want alles wat Sciascia heeft geschreven werd meteen een film) verfilmt Andò, als het hem lukt althans. Hij heeft jaren geworsteld met De ridder en de dood, dat Sciascia schreef toen hij wist dat hij niet meer lang te leven had. Maar het is Andò niet gelukt, omdat Sciascia’s abstractie van de kwadraatwortel van de macht en het onuitroeibare kwaad dat Italië altijd zal regeren bijna niet meer in beeld te brengen is.

‘Omdat De ridder en de dood gaat over de straffeloosheid en de criminele natuur van onze politiek was ik bang dat mijn film geen beelden meer zou hebben. De dagelijkse misdaad die in Italië wordt gepleegd laat geen zichtbare sporen achter, dat is waar Sciascia uiteindelijk op uitkomt. Het zou een paradoxale film zijn geworden, over een politie-inspecteur die vecht tegen het onzichtbare. Prachtig op papier, prachtig omdat alleen Sciascia dit kan, maar niet te verfilmen. Alhoewel ik er nog altijd aan denk, want ik geef het niet zomaar op’, aldus Roberto Andò.

Het ‘onzichtbare’ is onder ieders ogen, maar het blijft onmogelijk om er de vinger op te krijgen in Italië. In zijn eindejaarsrapport over de stand van zaken van de ‘BV Mafia’ meldde de nationale anti-maffiaprocureur Federico Cafiero De Raho vorige week dat de jaaromzet van alle verschillende maffia-organisaties op het Italiaanse territorium nu 420 miljard euro bedraagt. Dat is inderdaad een bedrag waarmee de duizelingwekkende Italiaanse staatsschuld van 2400 miljard in zes jaar tijd zou kunnen worden afbetaald. Vooral blijf je zitten met de vraag: en dus? Gaan we er iets aan doen?

Een domme vraag waarschijnlijk, als je het ernstige gezicht van de nationale anti-maffiaprocureur ziet. Het is een man ‘uit de frontlinies van het gevecht tegen het kwaad’, zoals hij in interviews wordt omschreven, een Napolitaan die er met zijn neus bovenop stond toen de Napolitaanse Camorra groot werd in de miljardenbusiness van het afval en het gif van de hele wereld dat in de Napolitaanse bodem werd gedumpt, zie Gomorra. Vervolgens stond hij er ook weer met zijn neus bovenop toen de Calabrese ’Ndrangheta uitgroeide van een lokale kidnaporganisatie van rijke industriëlen uit het noorden tot een miljardenbusiness van de cocaïne. De ’Ndrangheta is nu de rijkste en machtigste maffia-organisatie ter wereld, zoals blijkt uit de jaaromzet. En deze Napolitaan met de ingewikkelde achternaam was er altijd bij, maar hij kon er niets aan veranderen. Hij werd gepromoveerd tot nationale anti-maffiaprocureur en leest nu de getallen voor.

Het is ook niet zo verwonderlijk dat hij er in z’n eentje niets aan kon doen. Wat betreft de stand van zaken van de Italiaanse politiek en de maffia mag het glanzende voorbeeld van het zuidelijke parlementslid Giuseppina Occhionero (41) de situatie illustreren. Zij is van beroep advocate, maar de politiek trok, en zodoende werd ze bij de laatste verkiezingen van 2018 parlementslid voor het kleine partijtje Liberi e Uguali (Vrij en Gelijk), dat meedoet in de grootorde van rond de drie procent.

Marcello Mastroianni (l) en Gian Maria Volontè © Cinevera S.p.a.

Terwijl ze eind oktober net de switch had gemaakt naar het afgesplitste partijtje van voormalig premier Matteo Renzi, Italia Viva (Levend Italië) werd ze naar aanleiding van afgeluisterde telefoongesprekken in staat van beschuldiging gesteld. Want Giuseppina Occhionero bleek het passe-partout te zijn geweest voor een clanlid van Cosa Nostra (de Siciliaanse maffia). In de hoedanigheid van haar ‘assistent’ kon deze Antonello Nicosia in en uit lopen in de superbewaakte gevangenissen waar zijn eigenlijke werkgevers achter de tralies zitten. Hij was, behalve de assistent van een parlementslid, ook nog directeur van het ‘internationale observatorium voor de mensenrechten’, en had een speciale belangstelling voor de rechten van de gevangenen. Hij bleef maar observeren, en bracht intussen boodschappen over van achter de tralies naar de rest van de organisatie.

Het parlementslid Occhionero had misschien iets kunnen begrijpen. In een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en haar assistent zegt hij bijvoorbeeld: ‘Nooit, nooit zeggen dat we tegen San Matteo zijn, ik druk het u op het hart. Nooit doen, want San Matteo bepaalt alles en wij zijn daar dankbaar voor.’ San Matteo is Matteo Messina Denaro, de huidige nummer één van Cosa Nostra, al een ruime twintig jaar voortvluchtig op Sicilië, maar voor intimi te vinden. Waarschijnlijk is de ‘assistent’ één van deze intimi, maar daar zal niemand hem naar vragen. Want je moet er niet aan denken dat je San Matteo vindt. Hij wil niet gevonden worden, dat is duidelijk, en hij ‘bepaalt alles’, dat is ook een duidelijke waarschuwing.

De Italiaanse politiek is absoluut niet bezig met de maffia, al jarenlang niet. Regering op regering komt en gaat, maar het woord valt zelden of nooit. Het is een probleem dat permanent ‘nu even niet’ op de agenda staat, omdat het niet als een apart probleem wordt gezien. En het is ook geen apart probleem. Het is Italië. De maffia, dat zijn wij.

Help ons groene.nl te vernieuwen.

Doe mee aan onze enquête

Het invullen neemt zo’n 5 minuten in beslag. U kunt niets winnen, maar wij zijn u zeer erkentelijk als u meedoet aan de enquête.