Italië kiest weer voor Latijn

Rome – Met de Dead Poets Society-achtige titel ‘De nacht van de dode talen’ eerde Italië vorige week voor de derde keer het Grieks en Latijn.

Bijna alle gymnasia van Italië, oftewel 367 Licei Classici, deden dit jaar mee aan de manifestatie. In de aula’s van Het Virgilio, Het Visconti en Het Mamiani (de klassiekers in Rome) werd voorgedragen, muziek gemaakt, gedebatteerd, geproefd, gedanst en werden kleine sketches opgevoerd en films vertoond, alles in het kader van de klassieken.

Drie jaar geleden bedacht een leraar Grieks en Latijn van een Liceo Classico in de stad Acireale op Sicilië dat het tijd werd om het stoffige imago van wat nota bene Italië’s handelsmerk is – de klassieke oudheid – eens op te frissen. ‘Om te laten zien dat op de gymnasia van Italië levendige, creatieve en noodzakelijke intelligentie wordt opgeleid die wij nodig hebben voor de toekomst van een land dat zich niet kan permitteren de oudheid af te schaffen.’ En het initiatief van professore (zoals een leraar middelbare school in Italië heet) Rocco Schembra lijkt iets in beweging te hebben gebracht.

Een direct causaal verband willen zien gaat misschien wat te ver, maar het is toch opvallend dat het afgelopen jaar twee boekjes het heel goed hebben gedaan in de Italiaanse boekwinkels. Van De geniale taal: Negen redenen om van het Grieks te houden van Andrea Marcolongo (30) zijn er binnen een jaar dertigduizend verkocht en het regent verzoeken van scholen om de jonge Andrea (30) als gast te hebben.

En ook Lang leve het Latijn: Geschiedenis en schoonheid van een zinloze taal van Nicola Gardini is inmiddels aan een tiende druk toe. De boeken liggen allebei op de bestsellerstapels vooraan, naast de Elena Ferrante’s en de Roberto Saviano’s.

Tot 1969 was het Liceo Classico doorlopen de enige manier om toegang tot de universiteit te krijgen. Daarna werd ook het Italiaanse systeem opengebroken, en verdween het klassieke talenonderwijs een beetje in het hoekje van de snobistische families die met Grieks en Latijn iets anders wilden uitdrukken dan belangstelling voor de oudheid. De typen lycea werden er meer (classico, linguistico, scientifico, artistico, pedagogico) en oude talen waren niet meer de onverbiddelijke drempel die iedere aspirant-student over moest. Zoals in de rest van Europa, maar in Italië gebeuren de dingen altijd wat later. De onverwachte opleving van het prestige van de oude talen in Italië heeft als sympathieke bijkomstigheid dat het niet gaat om prestige en snobs. Daar is Italië ook al lang aan voorbij.