Ivf is onberekenbaar als de ooievaar

Wachtlijsten in de gezondheidszorg kunnen soms leiden tot onvermoede inzichten. Want wat te denken van de (inmiddels ettelijke) vrouwen die in afwachting van kunstmatige bevruchting opeens zwanger werden, zonder dat er een reageerbuis aan te pas kwam?

Zij waren kennelijk wat al te snel op de wachtlijst voor in vitro-fertilisatie (IVF) gezet. Door overenthousiaste artsen die o zo graag demonstreren dat ze kunnen toveren met een eitje.
Wie het voorheen waagde zich bezorgd uit te laten over de ongehoord snelle inburgering van nieuwe bevruchtingstechnieken, werd direct in lastige discussies getrokken over ‘het recht op een kind’ (dat wij allen schijnen te hebben, tenzij we lesbisch of alleenstaand zijn), 'het recht op gezondheid’ (waarbij onvruchtbaarheid als ziekte wordt gedefinieerd) en dus 'het recht op een behandeling’.
Daarover gaat het allemaal nìet in het rapport dat de Gezondheidsraad vorige week aan Volksgezondheidminister Borst aanbood. Dit prestigieuze adviesorgaan toont zich bezorgd om twee verpletterend eenvoudige redenen: het is in veel gevallen onduidelijk of in vitro-fertilisatie wel werkt, en het is in alle gevallen onduidelijk of de techniek voldoende veilig is. Want de mogelijke bijwerkingen voor moeder en kind van de zware hormoonbehandeling en van de bevruchting buiten het lichaam zijn nog nauwelijks onderzocht. Wanneer IVF-baby’s met tien teentjes ter wereld komen, spreken de behandelaars al van 'geruststellende korte-termijneffecten’. Over mogelijke lange-termijneffecten op het kroost (dat toch zo'n tachtig jaar mee moet) wordt veelal gezwegen.
Jaarlijks ondergaan in Nederland zo'n tienduizend paren (of liever: vrouwen) een IVF-behandeling. Van hen gaat nog geen kwart uiteindelijk met een baby naar huis. Voor vrouwen met afgesloten eileiders kan IVF een uitkomst zijn; dit is hun enige kans op eigen nageslacht. Voor hen was de behandeling oorspronkelijk ook bedoeld, maar die heeft zich rap uitgebreid naar paren met andere 'indicaties’ die nog een kans(je) hebben om zelf een kind te maken. Bij deze, inmiddels grootste groep IVF-klanten is niet aangetoond dat de slagingskans van IVF groter is dan de kans dat de ooievaar spontaan langskomt. Het wordt kortom tijd, constateert de Gezondheidsraad, 'om de doelmatigheid van IVF te vergelijken met de natuurlijke kans op zwangerschap van paren die verminderd vruchtbaar zijn’.
Sinds de ontdekking van IVF werden gynaecologen het object van allerlei push- en pullmechanismen: vanuit de farmaceutische industrie (die hormoonpreparaten in de aanbieding had), vanuit de spreekkamer (die al gauw vol zat met wanhopige paren), vanuit de assertieve patiëntenvereniging Freya (vernoemd naar de godin van de vruchtbaarheid) en vanuit de media, die de dolgelukkige 'ouders van nu’ over het voetlicht brachten. In hun ijver om zoveel mogelijk mensen middels de zware en peperdure behandeling aan een wolk van een baby te helpen, vergaten de artsen fatsoenlijk wetenschappelijk onderzoek te doen.
Het is exemplarisch voor de manier waarop ontwikkelingen in de gezondheidszorg worden voortgestuwd. Met grote regelmaat duikt daar, en zeker in de gynaecologie, een nieuwe verworvenheid op, vergezeld van de filosofie: we hebben dit nu, dus we gebruiken het. De techniek lijkt veilig, de artsen bieden haar vrij snel aan, het nieuws gaat als een lopend vuurtje. De mondige patiënt komt er om vragen en de arts gaat er op in, want hij kan die wanhopige mensen toch niet in de kou laten staan? En zo wordt een techniek die nog niet grondig is onderzocht, veel te gauw bij veel te veel mensen toegepast. De patiënt wordt consument, de arts wordt leverancier en de ethicus mag achteraf bedenken wat-ie ervan vindt. Maar niemand tekent voor de regie, laat staan voor de verantwoordelijkheid.
Ook de overheid niet. In de jaren tachtig wist de politiek zich geen raad met de zogenoemde 'reageerbuisbevruchting’, en liet de ontwikkelingen op hun beloop. Nog nieuwere, verdergaande bevruchtingstechnieken werden ingevoerd. Zoals ICSI, waarbij een zaadcel rechtstreeks in een eicel wordt geinjecteerd. Inmiddels kruipen er alweer honderden ICSI-kinderen rond. Wie een nieuw geneesmiddel op de markt wil brengen, moet door duizend hoepels springen; wie een nieuwe vruchtbaarheidsbehandeling wil uitproberen, kan zijn goddelijke gang gaan. De medische beroepsgroep, chronisch innovatiegezind, schermt deze autonomie fel af. Het enige dat de overheid daartegen kan doen, is zwaaien met de portemonnee en bepaalde behandelingen niet meer vergoeden. Hetgeen bij IVF weleens overwogen zou kunnen worden, als de Tweede Kamer daar dit voorjaar over debatteert.
Maar wat natuurlijk ècht nodig is, is een wet op de medical technology assesment zoals beloofd in het regeerakkoord. Het voornemen was nieuwe medische technieken eerst grondig te toetsen alvorens ze eventueel toe te laten. De wet is er niet gekomen; het was 'te ingewikkeld’ om criteria op te stellen.
Het verlangen te geloven in de schier eindeloze mogelijkheden van de medische wetenschap en technologie is diep verankerd in onze cultuur, zei hoogleraar wetenschapsdynamica Stuart Blume onlangs. Terwijl er toch noodlottige fouten zijn gemaakt doordat nieuwe technieken en apparaten zijn geïntroduceerd op ondeugdelijke of onverantwoorde gronden.
Minister Borst moet toch nog maar eens studeren op die wet. Want je kunt je afvragen of wij niet meer innovatie krijgen dan goed voor ons is.