KUNST

Ivoor en kamerschermen

Portugese expansie

De grootse tentoonstelling Portugal and the World in Lissabon is een formidabele uitstalling van de erfenis van de Portugese expansie in de zestiende en zeventiende eeuw, de meest exquise en kostbare voorwerpen uit een invloedssfeer die reikte van Brazilië tot Japan. Daaronder, om maar wat te noemen, christelijke afbeeldingen in ivoor uit West-Afrika en India, Namban-kamerschermen uit Nagasaki, een zeventiende-eeuwse verenkroon van de Tupinamba-indianen uit Brazilië, en een rafaeleske tekening van de olifant Hanno, die door de Portugezen uit Goa was overgebracht en in 1514 aan de paus cadeau werd gedaan. O, en er is ook een aardige brief uit 1544 van Galadewos, keizer van Ethiopië, aan koning Joao III van Portugal.
Dat was er allemaal niet geweest zonder Portugese expansie, dat is zeker. Maar zoals alle beschaafde landen zet ook Portugal het verleden ootmoedig in perspectief. De expositie laat er weinig misverstand over bestaan dat Portugal vooral een rücksichtslose koloniale mogendheid was. Slavenhandel was vierhonderd jaar lang de pijler waarop het rijk rustte. De expansie had bovendien een sterke religieus-ideologische lading, omdat de Portugezen in 1455 door de paus werden aangewezen als de ‘dienaren van de kerk’ in de ‘lege diocees’, die de rest van de wereld was. Zij mochten dus hun gang gaan, en zij hadden het rijk vrijwel alleen.
De samenstellers van de tentoonstelling hebben het liever over Portugal als eerste protagonist van ‘globalisering’, wat vriendelijker en minder beladen klinkt. Veel nationalistische preoccupaties over wie waar het eerst was, bijvoorbeeld, worden aan de dijk gezet. Men zet een flinke streep door de reputatie van prins Henrique ‘de Zeevaarder’ (1394-1460), die in Lissabon nog altijd met een fraai monument aan de Taag wordt geëerd als de grote visionair achter de expansie. Het lag gecompliceerder.
De catalogus laat zien dat de groei voortkwam uit een zich sterk ontwikkelend handelsnetwerk in de Middellandse Zee, waarin ervaring werd uitgewisseld – onder meer doordat Genuese, Florentijnse, Venetiaanse, Spaanse en Portugese kapiteins door andere mogendheden werden ingehuurd – en waarin veel klassieke bronnen inzake geo- en kosmografie beschikbaar werden. Een woord als ‘ontdekking’ wordt dan ook vanzelf een beetje een onding. Neem de Portugese expeditie van 1341, onder leiding van de Genuese kapitein Lanzarotto Malocello naar de Canarische Eilanden. Die eilanden waren al bekend in klassieke bronnen, als ‘Insulae Fortunatae’; ze kregen van Malocello de naam ‘Canarische’ omdat Plinius die al had voorgesteld. Werd hier dus iets ‘ontdekt’? ‘Ontdekken’ is eerder: ‘Een enorm corpus van schriftelijke, visuele en mondelinge kennis gebruiken om iets op te sporen waarvan je eigenlijk al weet dat het er is.’ Toen Vasco da Gama in 1498 voet aan wal zette in Goa was hij bepaald niet de eerste. De Romeinen waren hem voor geweest.
Dit soort grondige relativeringen van Europese daadkracht en vernuft zijn niks bijzonders in de geschiedwetenschappen, maar daarbuiten zijn ze nog opvallend onbekend. Dat is te zien aan het uitserveren van ronkend zelfgenoegzame platitudes bij gelegenheid van de Hudson-herdenkingen. We kunnen het niet bewijzen, horen wij Russell Shorto voor de honderdste keer zeggen, maar de vrijzinnige multiculturaliteit van New York heeft zijn wortels in de Nederlandse ‘openheid’ en ‘tolerantie’ van de zeventiende eeuw! Hans Brinker leeft.

Portugal and the World, Lissabon, Museu Nacional de Arte Antiga, t/m 11 oktober, www.mnaa.imc-ip.pt