TTIP, de ‘economische Navo’

Ivoorkust is niet de Sloterplas

Het geplande handelsverdrag tussen Amerika en Europa TTIP is vooral in het belang van het westerse bedrijfsleven. Maar dit is niet hoe Amerikaanse en Europese beleidsmakers het verdrag promoten.

Medium hh 52268263

‘A good crisis is a terrible thing to waste.’ Aan het woord is Simon Smits, hoge ambtenaar bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. In 2013 spreekt hij op het Amerikaanse Brookings Institute over ttip, het geplande handelsverdrag tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie, waarvan de voorbereidingen op dat moment al in volle gang zijn. Smits grijpt de economische crisis aan als ‘kapstok’ om het verdrag in een positief daglicht te plaatsen. In zijn speech onderstreept de directeur generaal buitenlandse economische betrekkingen (dg beb) een onder westerse leiders breed gedragen zorg: de tijd dringt. ‘Opkomende economieën, landen als China dat onlangs de VS inhaalde als grootste handelsnatie op aarde, geven ons geen tijd meer.’

Maar er is ook goed nieuws, zo vertelt Smits het aanwezige publiek. Er zijn op het hoogste politieke niveau toezeggingen gedaan om ttip tot een succes te maken. Als de twee grootste economische machten ter wereld erin slagen hun act together te krijgen, zullen ze de toekomst van de handel bepalen. Met het ttip-verdrag kunnen de VS en de EU een wereldwijde standaard neerzetten, die volgens Smits gebaseerd is op respect voor de rule of law, mensenrechten, menselijke waardigheid, zorg voor het milieu en een level playing field. De opzet van het werkbezoek is geslaagd, wordt na afloop aan het ministerie gemeld: ‘dg beb heeft Nederland als groot voorstander (van TTIPred.) en constructieve speler op de markt gezet.’

Een kleine twee jaar later, in januari 2015, gaat opnieuw een delegatie van het ministerie van Buitenlandse Zaken naar de VS. In het verslag van dit bezoek, verkregen na een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur en voor de helft onleesbaar gemaakt met dikke zwarte strepen, wordt melding gemaakt van ‘tpp en ttip als geopolitieke instrumenten’. tpp, de Trans-Pacific Partnership, is het vrijhandelsverdrag waarvan de onderhandelingen tussen de VS en elf Pacifische landen recent zijn afgerond. Volgens de Amerikaanse denktanks waar de Nederlandse afgevaardigden mee spreken is het doel van ttip om ‘wereldwijd standaarden te bepalen voordat ons gezamenlijke bnp te laag is’. Hechtere economische samenwerking tussen de VS en de EU wordt gezien als ‘smeermiddel voor het beter managen van veiligheidsproblemen en om westerse waarden vast te leggen en te promoten’.

Ook in het publieke debat wordt ttip regelmatig een ‘geopolitiek instrument’ genoemd. Tijdens een door de Europese liberalen georganiseerde bijeenkomst afgelopen juni noemt Anthony Gardner, de Amerikaanse ambassadeur voor de EU, de geopolitiek van het verdrag zelfs ‘het winnende argument’. Hij roept voorstanders op om dit argument veel vaker in te zetten om het publiek te overtuigen van de noodzaak van ttip. En dat gebeurt. De afgelopen maanden wordt in de media steeds vaker geschreven over hoe de VS en de EU zouden profiteren van de wereldwijde effecten van ttip.

Het is een opvallende verschuiving. Lange tijd gaat de berichtgeving over ttip vooral over de te verwachten economische opbrengsten. Later komt de kritiek. Een belangrijke rol hierin speelt een studie van de aan Tufts University verbonden econoom Jeronim Capaldo. De conclusie van zijn onderzoek staat haaks op die van de officiële rapporten van de Europese Commissie: ttip zal juist banen kosten en leiden tot economische krimp. Zelfs fervente voorstanders van het verdrag geven daarna toe dat de opbrengsten van ttip, in de woorden van de vvd’er Hans van Baalen, ‘niet op je zakjapanner zijn uit te rekenen’.

De lijst met uitspraken over het geopolitieke belang van ttip wordt intussen steeds langer. Hillary Clinton noemt ttip een ‘economische Navo’. Vice-president van de Europese Commissie Frans Timmermans beweert tijdens een speech aan de Amerikaanse Johns Hopkins University zelfs dat ttip helemaal geen handelsverdrag is maar een geostrategisch verdrag.

Dergelijke uitspraken zijn niet alleen bedoeld om het publiek af te leiden van de almaar toenemende kritiek op de economische beloftes van ttip. Ze maken duidelijk dat als ttip doorgaat de voorstanders het ‘succes’ ervan niet alleen zullen meten aan wat het direct oplevert, maar ook aan hoe het westerse invloed vergroot. ttip moet een blauwdruk worden voor het mondiale economische systeem. De VS en de EU schrijven de regels, maar de gevolgen zullen wereldwijd gevoeld worden.

Volgens Europees handelscommissaris Cecilia Malmström is ttip het ‘serieuze antwoord’ op de ‘serieuze uitdagingen’ waar Europa vandaag de dag voor staat. Maar wat zijn deze uitdagingen? En hoe geeft ttip hier antwoord op?

De houdbaarheid van de huidige dominante positie van de VS en de EU wordt door westerse leiders gezien als het centrale probleem. In een op verzoek vrijgegeven document van het ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin grote delen over ttip in relatie tot China en Rusland zwart zijn gemaakt, wordt zoveel duidelijk: ‘Veel gesprekken startten met de constatering dat de liberale en economische orde zoals die sinds WO II door het Westen is opgebouwd onder druk staat. Door teruglopend economisch succes heeft het Westen aan aantrekkingskracht ingeboet.’

‘De wereld is sterk aan het veranderen’, beaamt de Amerikaan Daniel Hamilton, directeur van de invloedrijke denktank Center for Transatlantic Relations. Hamilton heeft regelmatig informeel contact met beleidsmakers en ttip-onderhandelaars van het hoogste niveau. (De Europese hoofdonderhandelaar Ignacio Garcia Bercero noemt hem joviaal Dan.) Als uitgesproken voorstander van ttip heeft Hamilton inmiddels twee boeken over de geopolitiek van ttip op zijn naam staan. In het verdrag ziet hij de mogelijkheid om ‘het magnetisme van het Westen’ te herstellen.

Geroutineerd draait hij het verhaal af dat hij al tientallen keren heeft verteld aan trans-Atlantische politici en internationale zakenmensen wereldwijd: hoe de VS en de EU al meer dan twee eeuwen wereldwijd de regels bepalen, maar dat deze positie nu wordt bedreigd door de opkomst van nieuwe economische machten. Deze machten staan volgens Hamilton voor een belangrijke keuze: ‘Landen als China, India, Rusland en Brazilië voeren allemaal hun eigen discussie over hoe ze zich verhouden tot het internationale systeem. Gaan ze het systeem uitdagen, of gaan ze zich aanpassen?’

Als belangrijk onderdeel van dit systeem noemt Hamilton de Washington Consensus. Dit neoliberale systeem is in de jaren tachtig en negentig opgelegd aan grote delen van Latijns-Amerika, Afrika en Azië. Via leningen dwongen het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank landen de Washington Consensus in te voeren: een pakket maatregelen gericht op het liberaliseren van handel, het privatiseren van staatsbedrijven en het openen van markten voor buitenlandse investeerders. Dat zou de export van deze landen doen groeien met als resultaat economische ontwikkeling, beweerde het imf.

Die economische ontwikkeling is voor het grootste deel van de bevolking uitgebleven, wordt ook binnen het imf toegegeven. De kloof tussen arm en rijk is de laatste decennia slechts groter geworden. Het mondiale Zuiden met de brics-landen (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) voorop is daarom op zoek naar alternatieven om de door het Westen geleide instituties als het imf, de Wereldbank en de Wereldhandelsorganisatie buitenspel te zetten.

De vrees van de EU en de VS dat hun economische orde steeds meer wordt uitgedaagd is dus gegrond. Dat maakt het volgens Hamilton zo belangrijk dat VS en EU op economisch vlak nauwer gaan samenwerken. Want ‘hoe losser en zwakker de banden tussen de VS en de EU, des te groter het gevaar dat opkomende economische machten de huidige orde zullen uitdagen’.

‘Het Westen heeft nooit de intentie gehad om het mondiale Zuiden te ontwikkelen. Nooit’

Al sinds 1995 proberen de EU en de VS binnen de Wereldhandelsorganisatie (wto) de wereldwijde handel nog verder te liberaliseren. Maar door brede maatschappelijke weerstand en verzet van regeringen van ontwikkelingslanden zit het wto-proces al jaren muurvast. De Doha-onderhandelingsronde die in 2001 van start ging, is nog altijd niet afgerond.

‘Het Westen heeft nooit de intentie gehad om het mondiale Zuiden te ontwikkelen’, legt de Oegandese politiek wetenschapper Yash Tandon uit. ‘Nooit’, herhaalt hij nadrukkelijk. Tandon is voormalig directeur van het South Centre, dat werd opgericht in 1995 (hetzelfde jaar waarin de wto in het leven werd geroepen) door een grote groep ontwikkelingslanden om samen sterker te staan in onderhandelingen met het Westen. ‘Het mondiale Zuiden heeft in de wto een harde strijd moeten voeren om eindelijk een aantal doelstellingen voor ontwikkelingslanden, en voor de minst ontwikkelde landen in het bijzonder, op de agenda te krijgen.’

Tandon, die in de wto dertig jaar ervaring heeft als onderhandelaar voor Oeganda, Kenia en Tanzania, omschrijft de organisatie als een oorlogsmachine. Wat hij daar meemaakte schreef hij onlangs op in het boek Trade Is War, waarin hij fel ingaat tegen het idee dat vrijhandel goed zou zijn voor ontwikkelingslanden. ‘De VS en de EU willen de Doha-ronde zo snel mogelijk afsluiten zonder de ontwikkelingsdoelen te hebben vervuld’, zegt Tandon na de presentatie van zijn boek in Utrecht. ‘Daarna kunnen ze een “nieuwe ronde” beginnen waarin de Doha-doelen aan de kant worden geschoven en nieuwe onderwerpen op de agenda kunnen worden gezet, zoals investeringen – net als in ttip.’

Denktank-directeur Hamilton erkent dat het Westen de Doha-ronde het liefst zo snel mogelijk achter zich wil laten. De ontwikkelde landen willen verder met een agenda die voor hen van groter belang is, voegt hij toe, namelijk regelgeving, diensten, investeringen, intellectueel eigendom, innovatie, energie – oftewel de ttip-agenda. Allemaal dingen die nu binnen de Doha-ronde niet worden besproken. ‘Je weet wel, onderwerpen die belangrijk zijn voor de kenniseconomie, niet voor ontwikkelingslanden’, aldus Hamilton.

Medium hh 46296452

Regionale megaverdragen als ttip en het trans-Pacifische tpp zijn ontstaan uit het vastgelopen wto-proces. Ook de onderhandelingen over het megaverdrag TiSA, dat gaat over de liberalisering van alle denkbare (publieke) diensten, zijn het resultaat van de gefaalde pogingen hiertoe binnen de wto. Al deze verdragen gaan in veel opzichten verder dan de wto-agenda, maar vermijden de pijnpunten die de handelsorganisatie hebben doen vastlopen, zoals de miljarden aan Europese en Amerikaanse landbouwsubsidies en de push van het Westen voor strengere bescherming van intellectueel eigendom.

In plaats van iets te doen met de kritiek van het Zuiden, zo vertelt de Filippijnse politiek analist en hoogleraar Walden Bello ons, probeert het Westen via het verdragenstelsel ttip-tpp-TiSA het verzet binnen de wto te omzeilen. Bello is een boegbeeld van de andersglobaliseringsbeweging die in 1999 in Seattle haar voorlopig hoogtepunt beleefde. Hij is nog altijd actief en was afgelopen zomer in Amsterdam voor een toespraak over de geopolitiek van ttip. De huidige impasse in de wto zat er volgens hem al lange tijd aan te komen. ‘De VS zeiden in 2003 al dat ze bilateraal en multilateraal zouden gaan onderhandelen als de wto niet werkte’, aldus Bello. Maar dan alleen maar met de can-do-landen en niet meer met de can’t-do-landen.

China wordt gezien als can’t-do-land nummer één en is de grote afwezige in al deze verdragen. In de woorden van het Instituut voor Internationale Betrekkingen Clingendael: ‘ttip + tpp = ebc (Everyone But China).’ Hoewel het land na de VS de grootste handelspartner van de EU is, en na de EU en Canada de belangrijkste handelspartner van de VS, is China geen partij in ttip, tpp en TiSA. Critici als Bello zien deze verdragen als een poging om landen als China te isoleren. ‘Het doelwit van ttip en tpp is duidelijk de opkomst van een alternatief economisch blok. Het laat ook de hypocrisie zien: in een consistent vrijhandelsframework zouden deze verdragen moeten worden uitgebreid met landen als Rusland en China. Maar dat gebeurt niet.’

De voorstanders van ttip hebben de ambitie om van dit verdrag een nieuwe ‘gouden standaard’ voor handelsverdragen te maken. De VS en de EU gaan ervan uit dat de regels die zij onderling afspreken de rest van de wereld in hetzelfde keurslijf zullen dringen. Het economische gewicht van de twee blokken zou daar als het ware vanzelf toe leiden. Derde landen zullen zich moeten aanpassen aan de in ttip gemaakte afspraken, willen ze voorkomen dat hun handelsvolume en bnp dalen. ‘Als Brazilië bijvoorbeeld toetreedt tot ttip volgens de standaarden die we hierin hebben onderhandeld’, aldus Daniel Hamilton, ‘zal dat grote positieve effecten hebben voor dit land. Doen ze dat niet, dan zal dat grote negatieve gevolgen hebben.’

Een studie van de Duitse Bertelsmann Stiftung laat zien dat wat voor Brazilië geldt ook opgaat voor andere landen. De conclusie van dit omvangrijke rapport is dat het bnp van elk ander land dat zich niet aansluit bij ttip zal dalen.

ttip is nu nog besloten. Landen als Brazilië kunnen zich alleen achteraf aansluiten. De reden die hiervoor wordt gegeven is dat de rest van de wereld lagere standaarden heeft waardoor de gewenste gouden standaard zou verwateren. De rest van de wereld krijgt de keus om óf de regels te accepteren die zijn opgesteld door de VS en de EU, óf buitengesloten te worden van het grootste economische blok ter wereld.

Maar over welke standaarden gaat het nu precies? In het publieke debat gaat het vaak over chloorkippen of autogordels, maar ttip reikt veel verder. ttip gaat vooral over de I in de afkorting: investeringen. Investeringen zijn namelijk de drijvende kracht achter de trans-Atlantische commercie. Iets waar we dus niet mee moeten sollen, volgens Hamilton. ‘Je wilt ervoor zorgen dat Amerikaanse bedrijven in Europa blijven investeren en vice versa.’

In ttip wordt daarom gesproken over het maken van afspraken die investeringen moeten aantrekken. Het bekendste voorbeeld hiervan is de omstreden isds-arbitrage tussen investeerders en staten. Daarnaast gaat het om het openen van markten voor buitenlands kapitaal. Zo wil het Europese bedrijfsleven graag de Buy American Act opheffen, waardoor het kan meedingen naar lucratieve Amerikaanse overheidscontracten op deze gigantische markt. Verder kijken de onderhandelaars naar mogelijkheden om staatsbedrijven en de diensten die zij leveren, zoals onderwijs en watervoorziening, te liberaliseren. Ook strengere bescherming van intellectueel eigendom in ttip zou moeten leiden tot meer investeringen.

Wanneer voorstanders spreken over het zetten van de gouden standaard wordt dus ook, of eigenlijk vooral, gerefereerd aan dit soort zaken. Wat een heel andere kleur geeft aan het begrip ‘gouden standaard’. Mocht in ttip voedselveiligheid worden beschermd, is dat in dienst van de consumenten; als er duurzaamheidsdoelstellingen zouden worden opgenomen in het verdrag, dan is dat, in elk geval op papier, goed nieuws voor het milieu. Van een gouden standaard op het gebied van investeringen profiteren investeerder en het internationale bedrijfsleven.

‘Zelfs al zouden de VS elke druppel gas en olie verkopen die ze hebben, dan nog zal Europa afhankelijk blijven van Rusland’

De afspraken die in ttip worden nagestreefd over de energiesector laten zien hoe dubieus het gebruik van de term ‘gouden standaard’ is. De energiemarkt herbergt de grootste multinationals ter wereld en wordt gezien als een belangrijk veiligheidsvraagstuk. Investeringen in de energiesector staan daarom hoog op de onderhandelingsagenda. Met ttip probeert de Europese Unie toegang te krijgen tot de Amerikaanse energiemarkt. De EU heeft weinig eigen energiebronnen en is voor het grootste deel van haar energievoorziening afhankelijk van import. Europese beleidsmakers willen de aanvoer van energie diverser maken dan nu het geval is. De ‘schalierevolutie’ in de VS, die hierdoor de grootste gas- en olieproducent ter wereld zijn geworden, wordt gezien als een uitkomst voor dit probleem.

De VS kennen echter op dit moment een exportverbod op natuurlijke hulpbronnen als gas en olie, ingesteld na de oliecrisis in de jaren zeventig. Dit embargo zou automatisch vervallen zodra er met de EU een handelsovereenkomst wordt afgesloten. De Europese Commissie wil dit nog eens extra verankeren door middel van een apart energiehoofdstuk in ttip. Dat blijkt uit gelekte documenten verzonden voorafgaand aan de tweede onderhandelingsronde in 2013.

Later, na het uitbreken van de oorlog in Oekraïne, voerde de Europese handelscommissie de druk op de Amerikanen op. Zo gaf toenmalig handelscommissaris Karel De Gucht aan dat hij zich geen ttip meer zou kunnen voorstellen zonder afspraken over energie, want, zei hij, ‘ik weet niet of jullie het is opgevallen, maar er gebeuren dingen in Europa’. Ook zijn opvolgster Cecilia Malmström pleit voor een energiehoofdstuk als ‘een mogelijkheid om los te breken van onze afhankelijkheid van Russische energie’.

Het is onwaarschijnlijk dat de toegang tot de Amerikaanse energiemarkt de EU onafhankelijk kan maken van Rusland. De EU importeert negentig procent van haar olie en twee derde van haar gas. Een kwart van beide grondstoffen komt uit Rusland. Gezien de hoeveelheden waar het om gaat kan Hosuk Lee-Makiyama, directeur van de neoliberale denktank Ecipe in Brussel, deze mogelijkheid niet serieus nemen: ‘Zelfs al zouden de VS elke druppel gas en olie verkopen die ze hebben, dan nog zal Europa afhankelijk blijven van Rusland.’

Ook de Europese Commissie is zich hiervan bewust. ttip moet daarom een model worden voor de liberalisering van energiemarkten wereldwijd. Het energiehoofdstuk moet de basis leggen voor ‘een stabiel, voorspelbaar, duurzaam, transparant en niet-discriminerend framework voor de internationale handel in energie en grondstoffen’. Het voornaamste probleem dat het energiehoofdstuk moet oplossen is het zogeheten resource nationalism: landen die de toegang van buitenlandse bedrijven tot hun energiebronnen beperken. In een gelekt document uit mei 2014 worden verschillende vormen van exportrestricties genoemd en moet er een einde komen aan het zogeheten dual pricing, brandstofsubsidies die landen hanteren om energie goedkoper te maken voor de eigen bevolking.

Daartoe moeten dan wel eerst de bestaande Amerikaanse exportbeperkingen worden opgeheven. Gebeurt dit niet, schrijft de Commissie, ‘dan zullen andere grondstofrijke landen een geweldige mogelijkheid krijgen om handelsregels te interpreteren op een manier die schadelijk is voor onze economieën’.

Degenen die het meeste baat hebben bij deze nieuwe regels zijn westerse gas- en oliemultinationals. De olie-industrie in de VS lobbyt al jaren voor het opheffen van het embargo op de export van olie – mede omdat de prijzen in de VS door het overvloedige aanbod relatief laag zijn. Ook het Brits-Nederlandse Shell heeft gelobbyd voor een energiehoofdstuk in ttip. Hun belangen worden door de Europese Commissie ter harte genomen. In het tweede gelekte document schrijft de Commissie dat ‘Europese en Amerikaanse bedrijven de eerste begunstigden zijn van de nieuwe internationale regels’.

In het streven naar open markten voor de energiesector laat de Europese Unie milieubezwaren los. Het Amerikaanse schaliegas is veel vervuilender dan conventioneel gas (uit bijvoorbeeld Rusland), maar dat wordt niet als een probleem beschouwd. Energiemultinationals zullen ongetwijfeld profiteren van het openen van de enorme Amerikaanse energiemarkt, maar niemand zou het aandurven schaliegas een gouden standaard op het gebied van duurzaamheid te noemen.

De dynamiek rond het energiehoofdstuk keert ook binnen andere thema’s van de onderhandelingen terug. Er worden steeds meer voorbeelden bekend van hoe ttip en andere verdragen standaarden verlagen, variërend van voedselveiligheid tot het gebruik van chemische producten. Het is een structureel probleem dat het resultaat is van de intensieve lobby rondom handelsverdragen. Zo waren bij maar liefst negentig procent van de bijna zeshonderd bijeenkomsten die de Europese Commissie over ttip organiseerde lobbyisten uit het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven aanwezig. Het patroon dat zo ontstaat is dat daar waar de belangen van het bedrijfsleven zijn gediend standaarden worden ‘verhoogd’, maar wanneer het gaat om de belangen van burgers of milieu ze juist onder druk komen te staan.

‘De EU en de VS hebben de beste en meest vergaande regels voor arbeidsomstandigheden en duurzaamheid. Mensen zullen verschillend denken over wie van de twee daar nu het beste in is, maar de Latijns-Amerikanen hebben dat niet. China heeft dat ook niet.’ Het is een omschrijving die volgens minister van Handel en Ontwikkelingssamenwerking Lilianne Ploumen niet alleen objectief is maar ook normatief. ‘Het gaat mij om de moraliteit die erachter zit. Dat we vakbondsvrijheid hebben, er impactstudies worden gedaan op het milieu, dat we een achturige werkdag hebben. Gewoon, ons systeem.’

Mensenrechten, democratie, arbeidsomstandigheden en milieunormen worden gepresenteerd als dat waar westerse landen in excelleren en waarvan het goed zou zijn als andere landen ze overnemen. ttip wordt door Amerikaanse en Europese leiders gebracht als een manier, een geopolitiek instrument, om deze westerse waarden te promoten en beschermen tegen negatieve invloeden van buitenaf. Daniel Hamilton van het Center for Transatlantic Relations noemt ttip daarom een ‘assertieve, zelfverzekerde boodschap over de aard van onze samenlevingen en hun relevantie voor onze manier van leven’.

In de toekomst zullen we uitspraken als die van minister Ploumen waarschijnlijk vaker gaan horen. ‘Waarden’ vormen samen met ‘efficiëntie’ en ‘transparantie’ de drie pijlers waarop de nieuwe handelsstrategie van de Europese Commissie rust. In oktober presenteerde handelscommissaris Cecilia Malmström deze nieuwe strategie onder de naam Trade for All. In het voorwoord schrijft zij dat handel niet langer ‘alleen om belangen moet gaan maar ook om waarden’. Toekomstige handelsovereenkomsten moeten worden ingezet om wereldwijd duurzame ontwikkeling en mensenrechten te promoten, en om eerlijke handel te drijven.

Handelsverdragen als instrument voor een 21ste-eeuws beschavingsoffensief? Ook sommige voorstanders van ttip zijn hier sceptisch over. ‘Goedkoop verpakkingsmateriaal’, is de reactie van Hosuk Lee-Makiyama, de charismatische directeur van pro-vrijhandelsdenktank Ecipe, ‘dat snel loskomt als het gaat om de harde realiteit van vrijhandelsoverleg.’ Zodra beide kanten opkomen voor hun economische belangen ‘is de nadruk op gedeelde waarden snel verdwenen’, aldus Lee-Makiyama.

Dat ttip vooral in het belang is van het grote bedrijfsleven is niet hoe Europese en Amerikaanse beleidsmakers dit verdrag aan de man brengen. Daar zouden we volgens Kees van der Pijl, hoogleraar internationale betrekkingen aan de University of Sussex, niet vreemd van moeten opkijken: ‘Natuurlijk schrijven ze niet: wat wij willen is dat bedrijven als Shell net zoveel toegang hebben tot de Russische markt als Gazprom en Rosneft, en dat wij daar goede winsten kunnen behalen.’ Dat is wel het echte doel, zegt Van der Pijl, maar een boodschap die niet verkoopt aan een publiek dat toch al sceptisch is over vrijhandelsverdragen. gt;

‘Wat we aan onszelf en onze leefomgeving opleggen is aardig geregeld, maar wat we in andere landen doen helemaal niet’

ttip wordt daarom gepresenteerd als promotor van mensenrechten en milieunormen. ‘Misleidend’, aldus Van der Pijl, die benadrukt dat westerse standaarden helemaal niet hoog zijn. ‘Ja, die zijn hoog voor wat we hier zelf doen. Dus voor wat je hier in de Sloterplas mag storten zijn wel strenge regels, maar voor wat wij uitbesteden niet. Tenslotte is vanuit Rotterdam dat Nederlandse schip (de Probo Koala – red.) naar Ivoorkust gevaren en zijn er zeventien Ivorianen omgekomen door het gif dat daar werd gedumpt. Dus wat wij aan onszelf en onze eigen leefomgeving opleggen is wel aardig geregeld, maar wat we vervolgens in andere landen doen, helemaal niet.’

De zogenaamde bezorgdheid van het Westen over mensenrechten noemt Van der Pijl daarom hypocriet: ‘Dat wil niet zeggen dat westerse politici en machthebbers diabolische figuren zijn die naar elkaar knipogen van: nou we zullen de mensen weer eens wat wijsmaken. Maar als men in het Westen campagne voert voor mensenrechten in willekeurig welk ander deel van de wereld, dan gaat het om economische belangen daar. Als thema in de wereldpolitiek worden mensenrechten volstrekt selectief gebruikt.’

Het hanteren van dubbele standaarden door het Westen is een structureel probleem, laat Vijay Prashad zien. De in India geboren journalist, academicus en auteur heeft jarenlang onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van Noord/Zuid-verhoudingen en de rol die internationale handel hierin heeft gespeeld. Tijdens het interview is zijn toon opgewekt, maar hij is wel degelijk verontwaardigd. ‘Ik vind het tamelijk dubbelzinnig dat westerse landen nu zeggen dat zij degenen zijn die de standaarden moeten neerzetten. Zij hebben juist een wereldwijde economische orde neergezet die volledig standaardlóós is.’

In 2012 publiceerde Prashad het boek The Poorer Nations, waarin hij uitvoerig gedocumenteerd verslag doet van de voortdurende campagne van de EU en de VS, soms met hulp van Japan, om daadwerkelijke sociale en economische ontwikkeling van het mondiale Zuiden te voorkomen. Het boek biedt een voor sommigen ongemakkelijk antwoord op een vraag die zelden wordt gesteld: waarom zijn standaarden in andere landen eigenlijk lager?

In zijn boek neemt Prashad de lezer mee naar de jaren zeventig, toen regeringsleiders van de G7 bijeenkwamen om ‘een nieuwe agenda voor groei’ te ontwikkelen. Het bleken historische bijeenkomsten die aan de basis lagen van een grootschalige verandering in de wereld. Ze luidden het begin in van de deïndustrialisering van het Westen en de gelijktijdige opbouw van nieuwe fabrieken in lagelonenlanden. Tegelijk met het verplaatsen van het productieproces nam voor multinationals het belang toe om de regels rond intellectueel eigendom aan te scherpen. Na jaren moeizaam onderhandelen leidde dit in 1994 tot het zogeheten trips-akkoord (Trade Related Intellectual Property Rights). Tot vreugde van het grote bedrijfsleven voorkwam dit dat de verhuizing van productie samenging met de overdracht van technologische kennis of patenten naar ontwikkelingslanden.

De situatie die zo op grote schaal is ontstaan zullen de meeste mensen kennen. Veel grote westerse merken, zoals Apple en Nike, produceren zelf geen telefoons of kleding. Ze bezitten het patent op de merknaam, de technologie, en dat is hun voornaamste bron van winst. De productie van hun goederen wordt uitbesteed, net als de verantwoordelijkheid voor de omstandigheden waaronder dat gebeurt.

Prashad legt uit dat het bedrijfsleven deze beweging juist maakte omdát de standaarden in China en andere landen zo laag waren, en arbeid zo goedkoop. De verhuizing werd mogelijk gemaakt door handelsakkoorden als trips. ‘Het hele mondiale legale apparaat dat het Westen in leven heeft geroepen heeft hiervoor gezorgd. Westerse multinationals als Apple laten bedrijven onder aan de productieketen tegen elkaar concurreren om zo goedkoop mogelijk te produceren.’ Niet vreemd dus dat dit leidt tot barbaars gedrag in de Foxconn-fabrieken in China of tragedies zoals het instorten van de textielfabriek Rana Plaza in Bangladesh, aldus Prashad.

Hij noemt het bizar dat ondanks het feit dat westerse bedrijven hier verantwoordelijk voor zijn hun culturele invloed in Europa en de VS alleen maar toeneemt. ‘Het merk Foxconn raakt beschadigd door de onthullingen, maar Apple komt weg met dit soort immoraliteit. En vervolgens klimmen Europese leiders op de zeepkist en lezen ze China, Maleisië of Thailand de les over hun slechte gedrag?’

‘Maar wat is dan de bedoeling?’ vraagt minister Ploumen zich gepikeerd af. ‘Dat ik achterover ga leunen? Ik draag die jurk uit Bangladesh, maar hoe die gemaakt is kan me niet schelen? Dat vind ik raar, onaanvaardbaar.’ Elk beschikbaar forum zou volgens haar moeten worden gebruikt om ‘de race naar de bodem om te zetten in een race naar de top’. ttip moet daarbij helpen. ‘In een handelsverdrag kun je soms afspraken maken die daarbuiten vrijblijvender zijn. Ik zie dat echt als een kans.’

Als voorbeeld noemt Ploumen het in 2013 in werking getreden vrijhandelsverdrag met Colombia waarin onder meer gesproken is over vakbondsvrijheid. ‘In Colombia is vakbondsvrijheid geen gegeven. Dan kun je wel op papier schrijven: vanaf nu kan dat niet meer, maar iedereen weet dat dat niet zomaar gaat gebeuren.’ Er is daarom een commissie samengesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de EU en de civil society van Colombia, die in de gaten moet houden of de gemaakte afspraken worden nageleefd. Het is een moeizaam proces, aldus de minister, die eerlijk wil zijn over het feit dat het niet allemaal ‘rozengeur en maneschijn’ is.

De resultaten zijn tot nu toe zeer beperkt. In de jaarlijkse index van de internationale vakbond ituc staat Colombia nog altijd in de top-tien van meest gevaarlijke landen voor vakbonden. Dat het handelsverdrag niet bijdraagt aan een verbetering van arbeidsomstandigheden komt volgens critici, waaronder Colombiaanse vakbondsleiders, doordat de afspraken hierover vrijblijvend zijn. Intussen gaat Nederland door met importeren van Colombiaanse ‘bloedkolen’.

‘Natuurlijk zijn mensenrechten heel belangrijk en is niemand tegen het concept van menselijke waardigheid of hoge milieu- of arbeidsstandaarden’, aldus Prashad. Maar het probleem is dat dit nooit het doel, laat staan de uitkomst is geweest van handelsbeleid. ‘Arbeidsstandaarden zijn het resultaat van de internationale vakbondsstrijd en de activiteiten van sociale bewegingen wereldwijd. Handelsverdragen zijn daar simpelweg niet het forum voor. Als deze waarden inderdaad zo belangrijk zijn, waarom vindt de discussie dan niet plaats binnen de Verenigde Naties?’ ttip of de wto draait om het stimuleren van handel. ‘Het doel is niet om ervoor te zorgen dat iedereen genoeg te eten heeft en er aan het eind van de dag geen honger meer is.’ De vraag of ttip wel of niet de standaard moet zetten is volgens Prashad dan ook misplaatst: ‘We moeten ttip weigeren als het forum waar standaarden kunnen worden bepaald.’

De ‘serieuze uitdaging’ waar ttip een ‘serieus antwoord’ op moet zijn is niet het verdedigen en verspreiden van waarden, zoals Ploumen en Malmström graag claimen. De echte geopolitieke uitdaging is dat de EU en de VS zo lang mogelijk rule makers willen blijven in een wereld die sterk verandert. Nu het mondiale Zuiden zich steeds feller keert tegen de in zijn ogen onrechtvaardige handelsregels stapt het Westen daarom over op onderhandelingen met enkel elkaar en can-do-landen; om zo hun regels te blijven opleggen aan de rest van de wereld.

De retoriek over hoe met ttip waarden kunnen worden bevorderd is niet veel meer dan dat. Het stimuleren van handel en investeringen staat boven aan de prioriteitenlijst. Als het erop aankomt winnen de economische belangen het van de politieke waarden. Het uiteindelijke doel van ttip is het veiligstellen van de huidige economische orde en de belangen van het Europese en Amerikaanse bedrijfsleven. Want ondanks de opkomst van andere economische machten domineren westerse multinationals nog altijd de lijst van grootste bedrijven ter wereld. ttip moet dat ook vooral zo houden.


Beeld: (1) ‘Als men in het Westen campagne voert voor mensenrechten in willekeurig welk ander deel van de wereld, dan gaat het om economische belangen daar’ (Liang Xiaopeng / Image China / HH); (2) Vrouwelijke arbeiders in een speelgoedfabriek in Lianyungang City, China (Si Wei / Imagine China / HH)