J. g. de hoop scheffer een kamerlid dat zich weet te profileren

Toen zich vorige week enige duizenden illegalen meldden voor een verblijfsvergunning, zat hij als een bok op de haverkist. CDA-kamerlid J. G. de Hoop Scheffer wenste prompt een algemene identificatieplicht en opsluiting van alle illegalen in kazernes. Een ambitieus man, die zijn zinnen heeft gezet op een staatssecretariaat.

Na de geslaagde ‘karaktermoord’ op lijsttrekker Brinkman wordt het dringen op de voorste bankjes van de CDA-fractie. De CDA-woordvoerder voor Buitenlandse Zaken De Hoop Scheffer zal er niet rouwig om zijn. Hij is de belichaming van de jonge carrieremakers binnen de partij, die geen boodschap aan de Boodschap hebben maar des te meer aan het regeringspluche. Alle ophef rond zijn fractieleider, alsmede rond minister Hirsch Ballin die niet zonder kleerscheuren door de IRT-affaire heenrolde, komt zijn vooruitzichten alleen maar ten goede. Alles hangt nu af van het ouderwetse ellebogenwerk en daarvoor bestaat geen betere leerschool dan het diplomatenklasje van Buitenlandse Zaken dat De Hoop Scheffer ooit met vlag en wimpel heeft doorlopen.
Een diplomatieke loopbaan vereist van oudsher zekere familiebetrekkingen, het lidmaatschap van een bepaald soort studentenvereniging en het vermogen om superieuren niet voor de voeten te lopen - kortom: talent - en daarvoor leek Jacob Gerrit de Hoop Scheffer op 3 april 1948 te Amsterdam aanvankelijk in de wieg gelegd. Zijn vaders neef, mr. J. G. N. de Hoop Scheffer, trad juist in dat jaar in dienst van Hare Majesteit als ambtenaar op de ambassade in Jakarta. Hij zou het later onder meer tot particulier secretaris van minister Joseph Luns schoppen. Neef Jaap nam een voorbeeld aan hem, ging na de middelbare school rechten studeren in Leiden en werd lid van het studentencorps.
Wie zelf voetstappen in Leiden heeft liggen, kan het dagelijkse loopje van de rechtenstudent De Hoop Scheffer in die tijd blindelings uittekenen: van de Universiteitsbibliotheek aan het Rapenburg naar cafe Barrera en vandaar naar socie"teit Minerva aan de Breestraat, waar zijn rechtschapen jaarclub reeds onder het genot van een vaatje bier en een schaal bitterballen over het balkon hing. De Hoop Scheffer liet het daar echter niet bij en beproefde zijn talenten ook in het dispuutsleven. Zijn medestudent en -corpslid Pim Waldeck in 1992 tegen HP/De Tijd: 'Jaap had al heel vroeg iets bestuurlijks in zich. Die eigenschap kwam voornamelijk naar buiten als hij debatten organiseerde voor de verschillende disputen op de studentenvereniging. Hij viel op.’
Na zijn doctoraalexamen in 1973 ging hij in militaire dienst. Na afloop tekende hij bij als reserve-officier. Hij was gefascineerd door de Joegoslavische partizanenstrijd gedurende de Tweede Wereldoorlog en hield in de kazerne regelmatig lezingen over de heldenrol van maarschalk Tito, die ook na de oorlog lef had getoond door Joegoslavie los te maken van het Warschaupact. Om warm te lopen werkte hij intussen als voorlichter op het ministerie van Buitenlandse Zaken. En jawel, binnen de kortste keren werd hij gewogen en zwaar genoeg bevonden voor het Haagse diplomatenklasje, alwaar hij dezelfde Pim Waldeck trof. Die was alweer over hem te spreken: 'Hij behoorde zeker tot de betere leerlingen en was begiftigd met een flux de bouche. (…) Het maakte hem bij de twintig diplomaten in spe tot primus inter pares.’
Maar ook een primus inter pares kan het in de buitenlandse dienst niet zonder beschermengel stellen. In dit geval was dat Hans Gualtherie van Weezel, toen nog in dienst bij Buitenlandse Zaken. Dezelfde die later als CDA-woordvoerder gedurig fulmineerde tegen krakers ('uitvaagsel’), feministen en buitenlanders in ons land ('De Turkse koffiehuizen rijzen de pan uit’) en die tijdens het debat over het pensioen van de weduwe Rost van Tonningen uitriep: 'Ik stem voor geen enkele motie. Het is allemaal een joods-communistisch complot.’ Dezelfde ook die in 1992 door zijn partij wegens reactionaire oververhitting werd kaltgestellt in Straatsburg.
Het laat zich raden waar De Hoop Scheffer zijn onversneden wantrouwen tegen vreemdelingen heeft opgedaan, alsmede het inzicht dat een politicus zich in tijden van ideologische luwte met zulke retoriek kan profileren. Het was ook Gualtherie die De Hoop Scheffer naar eigen zeggen bij de hand nam en hem in 1976 zijn eerste standplaats bezorgde als attache in de Ghanese hoofdstad Accra. Het was geen grote post, maar twee jaar later was zijn kostje gekocht toen hij werd gedetacheerd bij de Permanente Vertegenwoordiging in het Navo-hoofdkwartier in Brussel. Stom toevallig werd zijn oom daar niet veel later ambassadeur. Volgens collega’s uit die tijd was Jaap vooral een gezellige man die buiten werktijd leuke liedjes kon schrijven.
Dat hij in 1980 tot particulier secretaris van de minister van Buitenlandse Zaken werd bevorderd, zegt minder over De Hoop Scheffer dan over de toenmalige ontreddering bij Buitenlandse Zaken. Hij dankte zijn bevordering namelijk aan de VVD'er en volleerd pijproker Chris (alias 'Popeye’) van der Klaauw, eveneens Leidenaar en de man die ooit tijdens een bezoek aan Beijing met zijn door jarenlange ervaring gescherpte diplomatenblik constateerde: 'De Chinezen zien er veel vrolijker uit dan toen ik hier drie jaar geleden was. Maar dat kan ook komen doordat het nu mooier weer is, hoor.’ Maar in 1981 werd Van der Klaauw niet geheel tegen zijn zin ('Ik vind altijd alles fijn’) vervangen door een echte minister.
Sindsdien werkte De Hoop Scheffer achtereenvolgens voor Van der Stoel, Van Agt (in diens functie van interim-premier) en Van den Broek. Nog altijd was hij - als zovelen die in die tijd bij BZ hogerop wilden komen - lid van D66 en daarmee zoals dat heette chique links. Van den Broek stelde hem echter in 1986 een plaats op de CDA-verkiezingslijst voor de Tweede Kamer in het vooruitzicht, mits hij van partij wisselde. Prompt ging De Hoop Scheffer om. Hij werd zoals hij het zelf uitdrukte 'van Saulus tot Paulus’ en wekte daarmee al meteen een indruk van vertrouwdheid met een zekere roomse traditie. Het werd een 54ste plaats op de lijst, maar dank zij de grote verkiezingsoverwinning van het CDA en tot stomme verbazing van Gualtherie van Weezel kwam Jaap de Hoop Scheffer in de Tweede Kamer.
Als kamerlid is hij voortdurend bezig geweest om zich te profileren. Net als Gualtherie van Weezel onderving hij zijn tekort aan kennis op economisch gebied en meer in het algemeen van elk dossier dat niet direct met het buitenland te maken had, door op het schellinkje te spelen. Hij verdiende zijn eerste sporen in mei 1989 naar aanleiding van de uitzetting door staatssecretaris Korte-Van Hemel van drie christelijke vrouwen uit Syrie". Hij was het niet alleen met de uitzetting eens, maar vond dat de zestig Syrische vluchtelingen die onderdak hadden gevonden in kerken in Hengelo en Enschede er ook uit moesten: 'Het kan niet zo zijn dat de kerken hier regeren.’ Dat was in elk geval klare taal uit de mond van een CDA'er.
Zijn volgende kans deed zich voor in 1990 bij het Kamerdebat over de nota Een wereld van verschil van minister Pronk, die zelfs door de VDD werd geprezen. De gedachte dat buitenlanders uiteindelijk naar het rijke Westen worden gedreven door politieke en economische misstanden in hun eigen land wilde er bij De Hoop Scheffer niet in en hij wees de minister onverwijld terug naar zijn hok: 'De vele op zich begrijpelijke verbeteringen die de wereld zou moeten ondergaan om een evenwichtiger Noord-Zuidverhouding mogelijk te maken, vallen voor een aanzienlijk deel buiten zijn competentie.’
Zijn finest hour kwam echter in augustus 1992, toen de eerste beelden van Servische concentratiekampen de westerse beeldbuizen overspoelden. Zonder zijn fractieleider Brinkman te raadplegen liet hij de Kamer van reces terugroepen om over Joegoslavie te beraadslagen en stelde vervolgens voor om… niet in te grijpen. Hij was vooral begaan met de Joegoslavische vluchtelingen. 'Ze zijn niet te vergelijken met gewone asielzoekers, die maar een doel hebben: hier blijven’, verzekerde hij een ijlings toegesnelde interviewer na een bezoek aan een vluchtelingencentrum: 'Weet je wat hun belangrijkste boodschap was? Geef ons wapens, wij willen vechten.’ Het is bijna aandoenlijk, maar hij beschouwde hen als de vechtersbazen uit zijn boekjes over de Joegoslavische geschiedenis.
Bij de huidige malaise in het CDA zijn de buitenlanders een dankbaar onderwerp en De Hoop Scheffer ruikt zijn kans om bij een volgende formatie wellicht een staatssecretariaat te bemachtigen. Toen zich vorige week enige duizenden illegalen meldden voor een verblijfsvergunning, zat hij als een bok op de haverkist en eiste een algemene identificatieplicht en opsluiting van alle illegalen in kazernes. Profileren maar! De Hoop Scheffer lijkt vastbesloten omhoog te kruipen over de rug van de zwakste groep in de samenleving en als geboren diplomaat vertolkt hij zijn rol met verve. Regelmatig wordt hij op of rond het Binnenhof gesignaleerd, gezeten op een kloeke herenfiets en gewapend met paraplu en aktentas, terwijl hij de pedalen flink rondtrapt. Een doortastend man.