Terug naar ‘Het Bureau’

J.J. Voskuil na de lockdown

De lockdown bevrijdde ons niet van ons kantoor, het kantoor bevrijdt ons juist van het leven. Op ons kantoor kunnen we iemand anders zijn, opgeruimder, indrukwekkender, professioneler. Dat wist J.J. Voskuil al.

Tijdens de lockdown las ik, bij gebrek aan een werkelijk kantoor om dagelijks naartoe te gaan, Het Bureau van J.J. Voskuil, de romancyclus die de carrière beschrijft van Maarten Koning in de jaren die hij, tussen 1957 en 1987, werkzaam was aan het A.P. Beerta-Instituut. Weken achtereen, avond aan avond, lokte het Bureau me naar binnen, naar de ‘avonturen’ van Maarten, en deed ik weinig anders dan monomaan, bijna obsessief, lezen.

Telkens als het einde van een deel weer in zicht kwam, nam ik mij voor om hierna dan toch eens echt iets anders te lezen, iets spannends, of iets ‘actueels’ waarover de mensen het hadden. De nieuwe roman van Marieke Lucas Rijneveld, of zoiets. Maar als ik dan de laatste bladzijde omsloeg, lonkte het volgende deel. Totdat ik kort geleden eindelijk, gedesillusioneerd en murw van de kracht waarmee me de zinloosheid van het menselijk bestaan ingepeperd was, het laatste deel dichtsloeg. Waarna me slechts de vraag restte: wat is hier gebeurd? En: waar heb ik mijn tijd aan besteed?

Het is moeilijk Het Bureau ‘monumentaal’ te noemen, op de manier waarop De Toverberg of Prousts Recherche (waarover straks meer) dat is; bij dat woord denk je aan iets imposants, aan het sublieme, aan Grote Ideeën, zorgvuldig geconstrueerde bouwwerken van ingenieuze plotstructuren, thema’s en leidmotieven. Het Bureau doet daarentegen niet veel anders dan het dagelijks leven op een kantoor beschrijven, van een weinig bijzondere of heldhaftige man, over een periode van dertig jaar. Verwacht geen dramatische ontwikkelingen, geen bloemrijk taalgebruik, geen filosofische bespiegelingen over het verstrijken van de tijd of over de menselijke conditie.

Maarten Koning schrijft artikelen, legt een ingewikkeld kaartensysteem aan, doet veldwerk naar onder andere de geschiedenis van de dorsvlegel en het roggebrood, en er zijn allerlei spanningen tussen de medewerkers van het Bureau. En er zijn vergaderingen, vooral dat, heel veel en vaak. Van hele vergaderingen wordt ad verbatim verslag gedaan; vergaderingen over de interne organisatie van het Bureau, redactievergaderingen van vaktijdschriften (eerst Ons Tijdschrift, later het Bulletin), en afdelingsvergaderingen over de visie van de afdeling volkenkunde waarover Maarten in de latere delen de scepter zwaait. Hij bezoekt ook wetenschappelijke congressen, waar de lezer deelgenoot wordt gemaakt van hele lezingen, die Maarten evenwel weinig meer opleveren dan knallende hoofdpijn en weer nieuwe verplichtingen voor congressen en lezingen.

Maarten gaat deel uitmaken van steeds meer commissies, met nog meer vergaderingen tot gevolg; op het Bureau krijgt hij ook steeds meer verantwoordelijkheden, wat weer leidt tot confrontaties met collega’s. Thuis klaagt zijn vrouw Nicolien dat hij te veel werkt (of eigenlijk klaagt ze dat hij überhaupt werkt, ‘voor de maatschappij’). Maar niets van dat alles leidt ooit tot een dramatische ontwikkeling, een climax of moment van crisis waardoor het roer om moet, waarop het tot een breuk tussen Maarten en Nicolien zou kunnen komen, of een moment waarop de hoofdpersoon alles dreigt te verliezen (zoals bij de klerken uit Kafka’s werk wel gebeurt, of zelfs bij Elsschot, met wie Voskuil misschien nog het meest verwant is). Zelfs de dramatiek in Het Bureau heeft een alledaags, afgevlakt karakter.

Vanwaar dan toch die aantrekkingskracht? Een aantrekkingskracht, trouwens, die natuurlijk allerminst uniek voor mij was. Ten tijde van het verschijnen van de afzonderlijke delen – tussen 1996 en 2000 – was er zelfs een ware Voskuil-gekte, en keken mensen uit naar de nieuwe delen op een manier waarop kinderen later naar het nieuwe Harry Potter-deel zouden uitkijken.

De parallel met de populaire tovenaarsleerling gaat denk ik nog verder. Want een deel van de aantrekkingskracht van Het Bureau zat ’m, althans voor mij, in iets wat beschreven kan worden met de term world-building. Die term wordt doorgaans gebruikt voor de wijze waarop, in het fantasy- en sciencefictiongenre, een geheel eigen fantasiewereld wordt opgetuigd, waarbinnen eigen wetten gelden, met een eigen geschiedenis en geografie (denk aan Middle Earth of Westeros) die je als lezer gaandeweg leert kennen. In het geval van Harry Potter bestaat die wereld uit dreuzels, dementors, het Ministerie van Toverkunst en ‘De Ochtendprofeet’; termen die bij iedere fan een reeks associaties oproepen, terwijl ze de niet-ingewijde niets zeggen.

Het Bureau creëert op soortgelijke wijze een geheel eigen universum, met bouwstenen als de Boerenhuisclub, het Hoofdbureau, de Europese Atlas, het ‘zitje’ van Beerta, en het ‘hokje’ van portier Wigbold. Het Bureau beschrijft het kantoor als microkosmos, afgesloten van de ‘echte’ wereld, waarin bepaalde termen een volstrekt vanzelfsprekende betekenis hebben, terwijl ze daarbuiten net zo betekenisloos zijn als ‘dreuzels’ buiten het Potter-universum. En geldt, in het verlengde, niet voor elk kantoor dat het een dergelijke microkosmos vormt? Want voor iemand anders, werkzaam op weer een ander kantoor, zijn weer andere wezensvreemde begrippen gemeengoed, zoals transitiemanagement en private equity.

‘Werk thuis, tenzij het niet anders kan’, was de eindeloos herhaalde boodschap van het kabinet, sinds vorig jaar maart. En dus gingen we massaal aan het thuiswerken, met alle inmiddels bekende gebruiken, rituelen en problemen: de Zoom-vergaderingen, de Google-docs en Dropboxen, middagwandelingetjes en nekpijn.

Nu zijn we een jaar en enkele maanden verder, heeft een groot deel van de Nederlanders een prik in zijn of haar arm, en keren we terug naar kantoor. Hebben we het gemist? Het lijkt er wel op, gezien de gretigheid waarmee sommigen al eind vorig jaar terugkeerden naar de werkvloer.

Kantoorwerk is, als je er even over nadenkt, eigenlijk een vreemd verschijnsel. We verzamelen ons in grote gebouwen waar we, ieder aan een eigen bureau, een groot deel van ons leven doorbrengen. Bovendien zitten we er, hoe je het wendt of keert en hoeveel zitzakken en pingpongtafels je er ook neerzet, niet voor ons plezier. Zoals Tim (Martin Freeman) zegt in de tv-serie The Office: ‘The people you work with are people you were just thrown together with. I mean, you don’t know them, it wasn’t your choice. And yet you spend more time with them than you do with your friends or your family.’

Vandaar vermoedelijk ook de typische, ongemakkelijke ‘kantoorhumor’ die het onderwerp is van zoveel satire, van series als Debiteuren/Crediteuren en The Office, of films als Office Space – als een soort sociaal smeermiddel. Aan humor ook geen gebrek in Het Bureau, maar het is geen ‘humor om te lachen’. Je lacht om situaties die eigenlijk om te janken zijn, frustrerende uitwisselingen en vergaderingen waarbij, indien je er zelf aanwezig was, je je ogen wel uit je kop zou kunnen krabben.

De Duitse socioloog en cultuurcriticus Siegfried Kracauer verwonderde zich bijna een eeuw geleden al over de kantoorarbeider als mensensoort, in zijn boek Die Angestellten (1930), een combinatie van interview, dialoog, en theoretische reflectie: ‘Honderdduizenden kantoorarbeiders vullen dagelijks de straten van Berlijn en toch is er van hun leven minder bekend dan van de primitieve volksstammen, wier gewoonten door de kantoorarbeiders in de bioscoop bewonderd worden.’

Volgens Kracauer vormden de kantoorarbeiders een nieuwe klasse, die tussen de twee klassieke klassen van arbeiders en kapitalisten is ingeschoven: ze voelen zich verheven boven de eerste en dromen ervan om tot de laatste te behoren (wat ze evenwel nooit zal lukken). Dat maakte ze, in Kracauers woorden, ‘geestelijk dakloos’; anders dan het industriële proletariaat hadden de witteboordwerkers geen klasseloze samenleving om van te dromen: ‘Ze leeft momenteel zonder leerstellingen om naar op te kijken, zonder doel om na te streven. Zo leeft ze in angst om op te kijken, en zichzelf tot het einde toe te bevragen.’ In een interview vertrouwt een kantoorarbeider Kracauer toe dat het belangrijk is om een ‘moreel-roze huidskleur’ (eine moralisch-rosa Hautfarbe) te hebben. Die enigmatische uitspraak vat voor Kracauer de ideologie van de nieuwe groep samen: een moraal naar-buiten-toe, van het uiterlijke, het fatsoenlijke en het aangename.

Catherine Nixey, in een artikel getiteld The Death of the Office dat vorig jaar kort na het begin van de lockdown werd gepubliceerd in The Economist, komt tot een soortgelijke bevinding, maar is daarover veel minder negatief. Ja, het kantoor is een kunstmatige wereld, waar je je anders (beter) voordoet dan je bent, maar Nixey benadrukt dat daar ook een positieve kant aan zit. Daar kwamen we pas echt achter toen we niet meer naar kantoor konden gaan. Aanvankelijk probeerden we de schone schijn online nog vol te houden, maar stukje bij beetje viel het masker af. We verschenen ongeknipt, ongewassen en onuitgeslapen achter de webcam, de kinderen liepen half aangekleed door het beeld tijdens de vergaderingen, de rotzooi in huis was steeds vaker zichtbaar. En wat donderde het allemaal, we waren immers in ons eigen huis.

Maar juist daardoor ontstond er ook steeds vaker een heimwee naar het kantoor, naar het fris gestreken overhemd, het achterlaten van de huiselijke rommel en sores. Op het kantoor, aldus Nixey, kunnen we iemand anders zijn, iemand die misschien net iets indrukwekkender is dan de persoon thuis. Het kantoor is, meer nog dan de vakantie, het ultieme niet-thuis, en is er dan ook een tijdelijke bevrijding van. Het is bovendien een sociale ruimte, waar we (in tegenstelling tot op platforms als Zoom en Skype) relaties met anderen kunnen aangaan en waar de ‘chemistry of the unexpected’ kan plaatsvinden. Nixey verwacht dan ook niet dat het kantoor op korte termijn uit ons werkende leven zal gaan verdwijnen.

Je lacht om situaties die eigenlijk om te janken zijn, vergaderingen waarbij je je ogen wel uit je kop zou kunnen krabben

Voor Voskuils Maarten Koning zijn die sociale relaties evenwel precies het probleem: ‘Ik ben geen man voor mensen, dacht hij. Ik ben een man voor in een mangat, alleen, met een mitrailleur.’

Als er één terugkerend motief in Het Bureau is, dan is het wel dat Maarten zich ‘bedreigd’ voelt door de buitenwereld. Die dreiging kan voortkomen uit de meest banale zaken: een uitnodiging die niet afgeslagen kan worden, een vacature die niet opnieuw ingevuld wordt, kantoortjes in het gebouw die door de afdeling Volkstaal worden geclaimd. Aangenaam getroffen is hij dan juist weer door spaarzame momenten van ‘solidariteit’, wanneer medewerkers, vaak tegen zijn verwachting in, zijn kant kiezen in een conflict. Dat gevoel van solidariteit breidt zich in de loop van de cyclus uit tot zijn gehele afdeling, de mensen die hij zelf heeft aangesteld en waarvoor hij een verantwoordelijkheid voelt, en die hij probeert te beschermen tegen de bezuinigingen, zonder dat hem dat trouwens in dank wordt afgenomen door diezelfde medewerkers. Daarin zit ’m uiteindelijk ook de grootste ontgoocheling, en zo je wilt het drama, aan het slot van de cyclus: dat het gevoel van solidariteit, en het gevoel tot een ‘club’ te horen dat hij tegen wil en dank had opgebouwd, op niks gebaseerd blijkt te zijn.

Waarom blijft Maarten Koning zelf maar naar het Bureau terugkeren? Op meerdere momenten hoopt hij stiekem op een aanstaande opheffing van het A.P. Beerta-Instituut vanwege bezuinigingen; telkens wordt hij teleurgesteld. Maar waarom (zo schreeuw je het als lezer soms bijna uit) neemt hij dan geen ontslag, gaat hij niet iets anders doen?

Het Bureau is eigenlijk een fenomenologie van de bullshit job, de term die antropoloog David Graeber muntte om te verwijzen naar het soort werk dat niet eens zozeer door de buitenwacht als zinloos wordt bestempeld, maar waar bovenal degene die het werk doet het nut niet van inziet. In de meeste gevallen betreft het dan kantoorwerk. Uit een enquête, uitgevoerd in Nederland naar aanleiding van Graebers artikel, beantwoordde maar liefst veertig procent van de deelnemers de vraag of zijn/haar baan een betekenisvolle bijdrage aan de wereld leverde ontkennend.

Maarten Koning zegt dit natuurlijk ook dikwijls letterlijk – dat het onderzoek naar de kabouters, de kerstboom, de nageboorte van het paard en of die wordt begraven of in de boom gehangen volstrekt betekenisloos is. Hij spreekt dikwijls zijn wens uit om agrariër te zijn; hij zou dan niet alleen niet langer met andere mensen van doen hebben, maar het is in zijn ogen ook eerlijker werk, écht werk. Ik leefde, net als Maarten, toe naar het moment dat hij vakantie kreeg, en voelde net als hij de opluchting wanneer hij de deur van het Bureau op de laatste werkdag achter zich dichttrok; telkens weer kwam ik bedrogen uit, omdat een bladzijde later de eerste werkdag na de vakantie al weer beschreven werd. In de wereld van Het Bureau is er niets buiten het Bureau (il n’y a pas de hors-bureau!).

Graeber en andere theoretici van de zogenaamde post-work-samenleving hebben als oplossing voor de bullshit jobs voorgesteld dat er een universeel basisinkomen moet komen, zodat we zelf zouden kunnen kiezen of we nog naar ons werk zouden willen gaan. Terwijl alle saaie klusjes zo veel mogelijk geautomatiseerd zouden moeten worden, zouden wij zelf dan onze tijd eindelijk daadwerkelijk zinvol kunnen gaan besteden, bijvoorbeeld aan het maken van kunst, wandelingen, of andere vormen van zelfontplooiing: Fully Automated Luxury Communism, zoals Aaron Bastani het met een wervende term noemt in zijn gelijknamige boek.

Het laatste deel van Het Bureau, getiteld De dood van Maarten Koning, stemt weinig hoopvol over dit ideaalbeeld. Spoiler: Maarten Koning gaat niet dood, maar wel met de vut (vervroegd pensioen). Zijn arbeidsethos zit echter dusdanig diep ingebakken dat hij toch weer geregeld terugkeert naar het door hem zo verachte Bureau, om verder aan onafgeronde projecten te werken, totdat hij door zijn collega’s min of meer wordt weggekeken. Vandaar de al genoemde ontgoocheling. Daarnaast: waarover zou Maarten Koning kunst moeten maken, als niet over het Bureau?

Voskuil vertelde in een interview met Hanneke Groenteman dat hij pas na zijn pensioen, en als gevolg van het gevoel verraden te zijn, besloot om Het Bureau te schrijven. De ‘dood’ van Maarten Koning is dan ook de geboorte van de schrijver van Het Bureau (of in strikte zin de wedergeboorte, want Voskuil was in 1963 al gedebuteerd met Bij nader inzien). Is Het Bureau dan toch het Nederlandse equivalent van À la recherche du temps perdu, waar immers, in het laatste deel, de hoofdpersoon Marcel door een plotseling inzicht besluit om zijn leven te veranderen en de schrijver Proust te worden. Het is misschien een wat flauwe vergelijking. Maar nog even los van de narratieve structuur: hoe ‘monumentaal’ (in de eerder genoemde, klassieke zin) is Prousts meesterwerk eigenlijk, met zijn minutieuze rapportages van het gebabbel en gekeuvel, de roddel en achterklap, de onderlinge spanningen en klein en groot zeer van de Parijse beau monde? Walter Benjamin schreef dat de Recherche ‘in het middelpunt een eenzaamheid [heeft] die met de kracht van een maalstroom de wereld in haar draaikolk meesleurt. En het oorverdovende en onvoorstelbaar holle gezwets dat ons uit Prousts roman tegemoet buldert, is het geluid van een maatschappij die in de afgrond van deze eenzaamheid stort.’

Het is een formulering die bijna naadloos op Het Bureau past, zij het dat het ‘oorverdovende en onvoorstelbaar holle gezwets’ waar Maarten Koning zich door omringd ziet niet dat van de Parijse bovenklasse is, maar dat van het gemiddelde kantoor. Voskuil is de Proust van werkend Nederland.

Geregeld drong zich tijdens het lezen bij mij de vraag op: is dit Grote Kunst? Een wat potsierlijke vraag, en het lijdt geen twijfel dat Voskuil een geweldig schrijver is. Maar soms overviel me de vraag of het niet bijna een vorm van valsspelen was: was het misschien knapper geweest als iemand de figuur van Maarten Koning verzonnen had, een man die zijn dagen slijt op een bureau voor volkscultuur met werk dat hij onzin vindt en omringd door mensen die hij verschrikkelijk vindt? Maar hebben we hier niet simpelweg te maken met het verslag van een mislukt leven? Hoewel er vast de nodige Dichtung tussen de Wahrheit zit, valt het leven zoals Maarten Koning dat geleid heeft toch nagenoeg samen met dat van J.J. Voskuil.

W.F. Hermans schreef over De avonden dat ondanks alle andere overeenkomsten tussen het leven van Frits van Egters en dat van Gerard Reve (saaie kantoorbaan, verstikkende thuissituatie, depressieve gevoelens) de belangrijkste activiteit van de laatste niet in de roman voorkwam, namelijk het schrijven. Het klinkt als een open deur, maar het bevat volgens mij toch een belangrijke gedachte, namelijk de mogelijkheid dat een mislukt, zinloos leven ‘gered’ zou kunnen worden door er literatuur van te maken (en zoals bekend schreef Reve De avonden op advies van zijn psychiater). Geldt dat ook voor Maarten Koning en J.J. Voskuil?

De eerder aangehaalde bekentenis dat Voskuil pas na zijn pensioen en uit wrok was gaan schrijven, is om meerdere redenen niet helemaal overtuigend. Voskuil hield natuurlijk altijd al nauwkeurig dagboeken bij, en zelfs binnen het universum van de roman wordt door meerdere personen de zorg uitgesproken over de mogelijkheid dat Maarten alles gaat opschrijven in een roman. (Hij stelt ze gerust dat ze daarvoor niet belangrijk genoeg zijn.) Daarnaast is Het Bureau uiteindelijk geen afrekening. Sterker nog, je zou zelfs kunnen gaan denken dat de reden dat Maarten het volhield elke dag naar het Bureau te gaan precies bestond in die mogelijkheid om er ooit een boek aan te wijden, alsof hij altijd al zijn volkenkundige blik op de ‘primitieve volksstam’ (Kracauer) van de kantoormens gericht had, om deze mens (zichzelf incluis) beter te leren kennen. Dat zou betekenen dat zijn motivatie om naar zijn werk te gaan dezelfde is als die van de lezer om steeds weer naar de wereld van Het Bureau terug te keren.

In diverse interviews heeft Mark Rutte op de vraag naar zijn favoriete boek geantwoord dat dat Het Bureau was. Het getob van Maarten Koning lijkt op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met het zo opgeruimde karakter van de premier. Maar misschien zit ook voor Rutte precies daarin de aantrekkingskracht van Het Bureau: dat Voskuil je toestaat om je eigen werk, je eigen leven zelfs, met eenzelfde soort distantie tegemoet te treden. Dan zou Rutte’s beruchte ‘teflonlaag’ er dus in kunnen bestaan dat hij, net als Voskuil, alles wat om hem heen plaatsvindt – ministerraden, Kamerdebatten, parlementaire enquêtes, enzovoorts – eigenlijk maar onzin vindt.

Het is een tegelijk grappige en huiveringwekkende gedachte, die evenwel goed aansluit bij de neoliberale fictie van de kleine overheid: in Nederland is zelfs het premierschap een bullshit job.

Hier geldt dus, misschien wel meer dan ooit: de vraag stellen (namelijk of we hier te maken hebben met Grote Kunst) is haar beantwoorden. Want Het Bureau roept precies dit soort vragen op: wat is een geslaagd (kunst)werk, wat is überhaupt zinvol werk, en misschien nog wel meer: wat is een geslaagd leven? En kan een geslaagd kunstwerk een mislukt leven goedmaken? Vragen die ik mij, tijdens het lezen van Voskuil, gedwongen zag te stellen, alvorens weer terug te keren naar mijn kantoor.


Met dank aan Jan Sietsma