J.m. prange

Het Stedelijk Museum bestaat een eeuw. De naoorlogse periode-Sandberg wordt gemeenlijk als hoogtepunt gezien. Maar daar dachten sommigen destijds anders over. Voor kunstcriticus J. M. Prange bijvoorbeeld was Sandberg niet minder dan een communistische duivel.
IK HAD HET BOEKJE jaren niet ingekeken, en toen ik het opensloeg, bevatte het een verrassing. Met potlood bleek ik in 1957 op bijna elke bladzijde harde strepen te hebben gezet, venijnige pijlen en kwaaie uitroeptekens. Soms ook boze woorden, zoals: ‘Demagogie, demagogie!’, ‘Wat zei je net?’ of ‘Nee, als men werkelijk een kunstwerk geniet!!!’

Ik was vergeten hoezeer ik als zeventienjarige J. M. Prange, kunstcriticus van Het Parool, haatte en zijn boekje De God Hai-Hai en rabarber: Met het kapmes door de jungle der moderne kunst zo vreselijk heb verafschuwd. Want op een punt had Prange inderdaad gelijk. Ik was blijkbaar sterk beinvloed door de propaganda voor de moderne kunst die van het Stedelijk Museum uitging. Maar toch minder door wat ik las of hoorde als door wat ik daar te zien kreeg. En dat was in het Stedelijk Museum onder Sandberg toch werkelijk niet alleen de door Prange verfoeide ‘abstracte kunst’, maar ook Van Gogh, Chagall, de Amerikaanse realist Ben Shahn, de overweldigende fototentoonstelling The Family of Man, de geestige prenten van Saul Steinberg naast de fijnzinnige abstractie van Paul Klee, en De hellepoort van Rodin naast de Guernica van Picasso.
Ik was echt een kleine sandbergiaan geworden, binnengelokt door het goedkope jaarabonnement, de grote ramen van de Nieuwe Vleugel, de open ruimten, het prettige restaurant, de voorstellingen van het Filmmuseum, de spraakmakende tentoonstellingen, de mogelijkheid volstrekt verrast te worden, en in het algemeen de hartelijke sfeer, alsof ze het daar echt belangrijk vonden dat jonge mensen van kunst kwamen genieten.
Ik ging met nog wat van die wijsneuzige, cultureel geinteresseerde middelbare scholieren naar een lezing van Prange en we waren woedend op hem, maar konden daar hoogstens in de schoolkrant over schrijven. Prange was volgens de legende even lang kunstcriticus als Sandberg museumdirecteur, van 1945 tot 1962, maar ik heb de jaargang 1945 van Het Parool tevergeefs uitgevlooid op zoek naar zijn eerste recensie.
PRANGE WAS MISSCHIEN zijn hele leven wel een loser. In zijn tijd kreeg hij veel bijval van Paroollezers in de beroemde, en ook wel beruchte, brievenrubriek 'Maar meneer…’ Maar Sandberg werd gesteund door iedereen van naam: Paul Citroen, Kurt Lob, Otto Treuman, Anton Heijboer en de classicus professor Loenen. Uiteindelijk glorieerde Sandberg als de grote man van de moderne kunst.
Zijn erfenis wordt nu pas kritisch onder de loep genomen. Rudi Fuchs zou de Nieuwe Vleugel van het Stedelijk Museum het liefste helemaal afbreken en verfoeit die grote ramen en de openheid naar buiten. Hij laat ook voorzichtig weer gekleurde steentjes van onder de witte verf tevoorschijn poetsen en in de krant staat boos dat Sandberg de oude lijsten die om de Van Goghs zaten, heeft weggegooid nadat hij er eenvoudige ruwhouten latjes omheen had laten zetten. Maar zelfs Het Parool vond dat in 1945, bij monde van Pranges voorganger Paul F. Sanders, een oplossing die 'bij den eersten indruk inderdaad uitstekend voldoet’.
William Rothuizen heeft twaalf jaar geleden voor een artikel in de wonderlijke verzamelbundel Het orgasme van Lorre uitgezocht wie Prange bij Het Parool heeft gehaald. Dat was niemand minder dan Simon Carmiggelt. Die kende Prange al van voor de oorlog, toen hij nog werkte bij het dagblad Vooruit, de Haagse editie van Het Volk.
Ergens in 1937 of 1938 moet Prange, een graficus, die sombere, maar niet ongeestige prenten maakte, op Carmiggelts verzoek begonnen zijn met kunstkritieken. Carmiggelt en Prange raakten bevriend, maar tijdens de oorlog verloren ze elkaar uit het oog. Prange werd in 1943 leraar in de grafische vakken aan de Rotterdamse academie. Een groot verzetsman lijkt hij niet te zijn geweest. Toch vroeg Carmiggelt hem na de oorlog ook weer voor de kunstredactie van de oud-verzetskrant Het Parool.
Tegen William Rothuizen zei Carmiggelt dat hij Prange erbij haalde omdat hij zichzelf niet bevoegd achtte over beeldende kunst te schrijven. Maar waar is dan die Paul Sanders gebleven, van wie ik zulke aardige stukjes in de leggers van Het Parool vond? Of zouden Carmiggelt en Prange het politiek goed hebben kunnen vinden in een gedeeld rabiaat anticommunisme?
Prange ontwikkelde zich werkelijk in korte tijd tot een naoorlogse verzetsstrijder in het kwadraat die oud-verzetsman Sandberg en zijn collega’s nazi-methoden verweet en ze tegelijk verweet dat ze met 'het gedurig tam-tam en de lokroepen der jungle’ de jeugd verwarden. De jungle-metafoor van Prange doet niet altijd even sympathiek aan, na 37 jaar eigenlijk nog minder dan toen.
VAAK IS GESUGGEREERD dat Prange zichzelf als graficus miskend voelde, maar dat valt niet te bewijzen. Hij heeft in 1951 wel degelijk deelgenomen aan een tentoonstelling in het Stedelijk van elf Nederlandse grafici, samen met onder meer Peter Alma, Jenny Dalenoord, M. C. Escher, Harry van Kruiningen en Constant. Maar Sandberg staat ook bekend om zijn diplomatieke gaven en zijn slimme manier om ook andere kunst dan wat op de toekomst is gericht, in zijn museum te halen. Sandberg was niet zozeer allergisch voor figuratieve kunst (Cobra is in feite ook niet abstract) als wel blind voor het surrealisme, waar Pranges grafische werk niet ver van af staat.
Lex van Delden, componist en muziekcriticus van Het Parool, gaf tegenover William Rothuizen een andere verklaring voor Pranges haat jegens het Stedelijk Museum. Prange was een liefhebber van het werk van Max Beckmann, de Duitse expressionistische schilder die van 1937 tot 1947 in Amsterdam woonde en zijn schilderijen voor bijna geen geld aan het Stedelijk aanbood. Volgens Lex van Delden werd echter maar een schilderij aangekocht. Toch is het niet juist dat het Stedelijk Museum niets van het werk van Beckmann moest hebben: in 1951 was er een uitgebreide overzichtstentoonstelling van hem.
PRANGE WORDT getekend als een wat schuwe man die er eigenlijk onder leed dat zijn stukjes zoveel kwaad bloed zetten. Hij werd in 1904 in Soerabaja geboren als Jacobus Maria Prange. Zijn vrienden noemden hem Ko, maar in de publiciteit bleef het altijd plechtig 'J. M.’. Hij kreeg zijn opleiding tot graficus in Den Haag en werkte in het buitenland, onder meer op Corsica.
Zijn grafische werk is intrigerend, zeker niet domweg realistisch te noemen, eerder fantastisch en grillig. Naam als graficus maakte hij pas enigszins nadat hij zich in 1962, na meer dan een half jaar ziek te zijn geweest, als kunstcriticus van Het Parool had teruggetrokken (hij werd opgevolgd door Pierre Jansen, zeker geen tegenstander van moderne kunst) en in een boerderijtje in het Brabantse plaatsje Boekel was gaan wonen. Drie jaar lang heeft Prange daar alleen in de tuin staan werken om bij te komen van alle consternatie die hij had gewekt. Toen haalde hij de etsnaald weer tevoorschijn en in december 1966 maakte hij zijn come-back als kunstenaar met een tentoonstelling in Galerie Mokum.
Commercieel werd het echter geen succes. Tegen Parool-redacteur Evert Werkman zei Prange: 'Ik ben niet achteruitgegaan. Het heeft een beetje moeite gekost de machine weer op gang te krijgen. Kunst is niet alleen een kwestie van gave, ook van doen, van routine, van bezig zijn. Dat verlies je heel gauw. Je moet opnieuw beginnen.’
In 1988, zestien jaar na Pranges dood, ging Igor Cornelissen voor Vrij Nederland praten met de kinderen van Prange. Ze bleken allebei kunstenaar te zijn en abstract te werken. Zijn dochter Greet moet daar een beetje om lachen: haar vader zou het daar wel moeilijk mee hebben gehad en toch zijn ze heel serieus bezig. De laatste etsen van Prange zijn zo somber, vertelt zij, dat zij die liever niet exposeert. Zij zag ze een jaar voor zijn dood voor het eerst. Een ets geeft de kop van een vergaan mens weer, een andere een aap met diepverzonken ogen, het achterhoofd een begroeid uitstulpsel. Greet probeert het toch optimistisch te zien: 'Het was alsof alle krachten uit hem weg waren. Die kop is een doodskop en uit de dood groeit ook weer leven. Daar groeit dan toch weer een plant of boom uit?’
Zelf ben ik, merk ik, er nog niet aan toe om uit de angsten, de haat en de verontwaardiging van Prange een nieuwe waarheid te halen. Al heeft hij zeker vaak gelijk als hij de klassieke koppen van Picasso slap en 'boudoirwee’ noemt, diens blauwe periode achteraf ook verfoeit, de kitsch laakt die De Chirico op het laatst van zijn leven schilderde. Pranges somberheid zou in deze tijd wel passen, maar bij het honderdjarig bestaan van het Stedelijk Museum denk ik toch liever aan het vooruitgangsoptimisme van Sandberg en zijn kunstenaars, dat nu zo hopeloos uit de mode is.