Hoe een groep gretige bankiers een catastrofe ontketende

J.P. Morgans krijgers

In haar boek Fool’s Gold biedt Gillian Tett een antropologisch perspectief op de elitaire bankwereld, wier tribale driften zij verantwoordelijk acht voor het instorten van de wereldeconomie.

ALS IEMAND goed uitgerust is om ons te voorzien van zowel een analyse als een narratief van de financiële crisis, dan wel de Britse auteur Gillain Tett. Tett, redactiechef financiële markten bij The Financial Times, versloeg voor haar krant de financiële crisis in Japan tijdens de jaren negentig, waarover ze het boek Saving the Sun schreef. Al in 2005 voorspelde Tett de huidige kredietcrisis.
Naast een sterrenstatus in de financiële journalistiek heeft Tett ook een doctoraat in sociale antropologie, waarmee ze naar eigen zeggen een ‘briljante achtergrond voor een financieel journalist’ heeft. ‘Ik kijk naar financiële stelsels vanuit een holistisch perspectief’, zegt Tett vanuit haar kantoor in Londen. ‘Oftewel, ik bekijk hoe de verschillende onderdelen van het systeem zich tot elkaar verhouden. Dat doet bijna niemand meer in de financiële wereld. Bankiers zijn zo gespecialiseerd dat ze alleen oog hebben voor hun eigen winkeltjes.’
De structuren van grote bankholdings als Citigroup en JP Morgan Chase zijn volgens de antropologe vergelijkbaar met de tribale maatschappij van Afghanistan: ‘Binnen de banken concurreren de afzonderlijke divisies vaak fel om macht en invloed, terwijl er nauwelijks horizontaal toezicht of zelfs maar interactie bestaat. De stam binnen de bank die het meeste geld verdient, heeft de meeste macht. Dat is gevaarlijk, want zonder de noodzakelijke checks and balances kunnen goede ideeën in het extreme worden getrokken – met verschrikkelijke gevolgen.’
Als antropoloog heeft ze bovendien van nature een cynische houding tegenover de retoriek die elites gebruiken om hun positie te rechtvaardigen. ‘De verhalen die mensen over zichzelf vertellen zijn cruciaal’, zegt ze. ‘Maar je moet ook goed kijken naar die delen van de maatschappij waarover mensen juist niet willen praten – de zogenaamde gebieden van sociale stilte.’
De explosieve groei van de markt voor kredietderivaten van het afgelopen decennium is een duidelijk voorbeeld van zo’n stil gebied: ‘Bankiers presenteerden derivaten consequent als iets zeer gecompliceerds, technisch en saais, en daar voeren ze wel bij. Omdat mensen geloofden dat dit inderdaad zo was, besteedden ze er niet al te veel aandacht aan.’ Dat was voor Tett aanleiding om zich juist wél te verdiepen in deze geheimzinnige markt. Dus stortte de antropoloog zich een kleine zes jaar geleden in de wereld van collateralised debt obligations (CDO’s) en credit default swaps (CDS’s). ‘Iedereen had het over fusies, overnames en de kapitaalmarkt: de delen van Wall Street en de City die overladen zijn met glamour en status’, zegt ze nu. ‘Terwijl ik stap voor stap ontdekte dat zich in een hoek van de markt een revolutie voltrok die totaal genegeerd werd. En ik kreeg heel veel zin om te illustreren wat er gaande was.’

ZOALS TETT in Fool’s Gold beschrijft, begon de fatale opmars van de derivatenmarkt in juni 1994, toen een team van jonge J.P. Morgan-bankiers neerstreek in Boca Raton, aan de zuidkust van Florida, om een weekend te brainstormen over manieren om de derivatenmarkt te doen groeien. De bankiers, veelal twintigers, deden wat verwacht mag worden van een groep jonge mensen met een ongelimiteerde barrekening: ze werden dronken, scheurden rond in golfkarretjes en kieperden hun bazen met pak en al in het zwembad.
Maar het team nam ook de stoutmoedige taak op zich om een oplossing te vinden voor wat traditioneel de achilleshiel is van bankieren: het gevaar dat geldleners hun leningen niet terugbetalen. Ze kwamen tot de conclusie dat het mogelijk moest zijn om financiële instrumenten zo met elkaar te combineren dat het terugbetalingsrisico zou verdwijnen, of in ieder geval dusdanig over de markt kon worden uitgesmeerd dat het onschadelijk zou worden. Ontlast van dit risico kon de bank meer geld uitlenen, en dus meer geld verdienen.
Het was een ‘gedurfde droom’, zoals Tett het in Fool’s Gold noemt, waarvoor nog wel het nodige moest worden geknutseld in het financiële laboratorium, maar waarvan niet alleen de banken beter zouden worden. Bedrijven konden nog sneller groeien, investeerders konden rustiger slapen, het kapitalisme zou bloeien. Kortom, het was een stap op weg naar een betere wereld.
In de daaropvolgende jaren sloeg het team inderdaad aan het knutselen, met als resultaat dat de wereld verrijkt werd met complexe financiële producten als CDO’s en CDS’s. Al gauw gingen er honderden miljarden dollars in deze nieuwe markt om. Uiteraard begonnen de andere zakenbanken vergelijkbare producten aan te bieden. ‘Zoals met alle derivaten het geval is, boden deze instrumenten een manier om terugbetalingsrisico onder controle te krijgen’, schrijft Tett. ‘Maar ze konden dat risico ook vergroten. Het hing er maar vanaf hoe je ze gebruikte. Het eerste was waartoe Hancock (manager van het Morgan-team – mvg) was aangetrokken. Maar het was het tweede dat zo’n tien jaar later dominant zou worden en zou bijdragen aan een wereldwijde financiële ramp.’
Wat vooral bijblijft van het Boca-weekend is het hooghartige wereldbeeld van de jonge bankiers uit dit Morgan-team, met hun wiskundeknobbels en talent voor marketing. ‘Ze waren ervan overtuigd dat ze tot de briljantste mensen ter wereld behoorden en het recht hadden om de financiële sector te veranderen’, zegt Tett. ‘Ze waren ook volstrekt naïef in hun geloof in de kracht van innovatie.’ Dat betekent niet dat ze slecht of te kwader trouw waren, benadrukt ze: ‘We hebben het hier niet over vreemde marsmannetjes die de wereld wilden opblazen. Het waren gewoon jonge mensen aan het begin van hun carrière, die dachten het goede te doen.’
Een tijdlang brachten de nieuwe producten ook enig goeds – kapitaal werd goedkoper en krediet vloeide sneller dan ooit tevoren door de wereldeconomie. Totdat Morgans rivalen hypotheekproducten aan de derivatenmix begonnen toe te voegen. Toen de huizenmarktzeepbel in 2006 uiteenspatte, begonnen derivaten die aan slechte hypotheken gekoppeld waren hun waarde te verliezen. Nu bleek dat het feit dat de derivaten de risico’s door de hele markt hadden verspreid de boel alleen maar erger maakte. Dubieuze schulden bevonden zich nu overal, en niemand wist precies waar.

HET MOET GEZEGD, in vergelijking met andere Wall Street-banken was het derivatenteam van J.P. Morgan voorbeeldig terughoudend in het nemen van risico’s – een van de redenen dat de bank met Goldman Sachs de enig overgebleven zakenbank is op Wall Street (als onderdeel van JP Morgan Chase).
Toch is Fool’s Gold niet simpelweg het verhaal van de goeien bij Morgan die de wereld financiële innovatie wilden brengen, en de slechteriken bij de andere banken die met hun roekeloosheid en hebzucht bijna de hele banksector naar de verdoemenis hielpen. ‘Een groot deel van de innovatiedrang bij J.P. Morgan kwam voort uit de wens om bestaande regulering te omzeilen (de Basel-akkoorden – mvg) en om simpelweg meer geld te verdienen’, zegt Tett.
Tegen het einde van 2000, toen concurrenten als Bear Stearns, Lehman Brothers en Merrill Lynch meer aan derivaten verdienden dan Morgan zelf, heroverwoog het derivatenteam de eerdere beslissing om zich verre van aan hypotheken gerelateerde producten te houden. Maar opnieuw, schrijft Tett, vond men het te riskant. Elke keer dat het team die beslissing herzag, kwam het tot diezelfde conclusie. Er was in die markt gewoon geen geld te verdienen zonder aan enorme risico’s te worden blootgesteld. Hetgeen de vraag oproept: als J.P. Morgan de risico’s in de markt voor hypotheekderivaten zag, en die markt om die reden niet betrad, waarom waarschuwde het de rest van de wereld niet?
‘Ze zagen het nooit als hun taak om andere mensen van hun stompzinnigheid te redden’, zegt Tett. ‘Sommige Morgan-bankiers vertelden me zelfs dat ze aannamen dat de toezichthouders wel zouden ingrijpen – verschrikkelijk ironisch natuurlijk, gezien het feit dat ze jarenlang hadden gevochten om diezelfde toezichthouders op afstand te houden.’
Enkele Morgan-bankiers uit het derivatenteam tonen zich in Fool’s Gold verbijsterd over hoe het toch allemaal zo verschrikkelijk mis kon gaan – er is er een ‘razend dat andere banken mijn droom zo hebben geperverteerd’; een ander roept uit: ‘Wat voor monster hebben we gecreëerd?’ Maar geen enkele Morganite betuigt spijt.
Tegelijkertijd is de Wall Street-lobby als vanouds verwikkeld in een furieuze strijd tegen meer regulering en toezicht. Het verbaast Tett niet: ‘Dit is een klassiek geval van elites die zichzelf proberen te beschermen. Dat doen elites in elke samenleving. En ze doen het vrij effectief op het moment – ik bedoel, de banken betalen gewoon weer grote bonussen uit en heeft u veel nieuwe regulering gezien?’

TEGEN HET EINDE van Fool’s Gold neemt een van de leden van het oorspronkelijke derivatenteam het op voor haar geesteskinderen, door te claimen: ‘In het geval van een auto-ongeluk geven mensen niet auto’s de schuld of stoppen ze met autorijden, maar geven ze de bestuurder de schuld! Derivaten zijn hetzelfde: het ligt niet aan het gereedschap, maar aan de mensen die het gereedschap hanteren.’
Tett heeft echter wel genoeg financiële innovatie gezien: ‘De voordelen ervan wegen niet op tegen de kosten. De bankwereld moet weer terug naar het rondpompen van geld door de economie – het is een utility. Banken zouden de dienaren van de economie moeten zijn, niet de meesters. De meeste bankiers realiseren zich dat nog niet.’ De bankwereld is het contact met de buitenwereld kwijt, stelt Tett. ‘Afgelopen jaar was een ruwe wake-up call, hoop ik. Bankiers hebben zich lang gedragen als de filosofen uit Plato’s grot. Neem de jonge bankiers van J.P. Morgan. Lange dagen zaten ze te spelen met hun computers, terwijl ze slechts schaduwen van de werkelijkheid op de wanden van hun grot zagen flikkeren. Als ze al uit hun grot kwamen, dan was dat om het gezelschap van andere grotbewoners op te zoeken.’
Om een volgende crisis te voorkomen moet het publiek meer zicht krijgen op wat zich binnen banken afspeelt, vindt Tett: ‘Er moet veel meer transparantie komen. Zonlicht is een krachtig desinfecteringsmiddel, niet alleen tegen corruptie en ander illegaal gedrag, maar ook tegen stompzinnigheid en lichtzinnigheid.’ Opmerkelijk genoeg pleit Tett niet voor veel extra regulering van de financiële sector: ‘We hebben slechts een paar nieuwe regels nodig, meer niet. Banken moeten bijvoorbeeld worden verplicht om ten opzichte van hun uitstaand kapitaal meer reserves aan te houden. Belangrijker is dat we de huidige regels beter implementeren.’
De overweldigende complexiteit van de derivatenmarkt bemoeilijkt de toezichthoudende rol van overheden, beseft Tett: ‘Dat is een groot probleem. Het lijkt me een goed idee om onafhankelijke organisaties de risicomodellen van banken te laten testen. Dat had wellicht deze crisis kunnen voorkomen. Een ander goed idee zou zijn om de grootte van bankholdings te beperken. Maar helaas: er is geen magic bullet.’
Dat laatste is een omineus teken. Want ondanks de recente ontslaggolf in de bankwereld zijn de meeste whizzkids uit het oorspronkelijke derivatenteam van J.P. Morgan nog steeds actief in de derivatenmarkt – evenals hun meer roekeloze en onverantwoordelijke concurrenten. De vraag is: zijn we slim genoeg om ze de duimschroeven aan te draaien als ze straks hun volgende trukendoos openen?


Gillian Tett, Fool’s Gold: How the Bold Dream of a Small Tribe at J. P. Morgan Was Corrupted by Wall Street Greed and Unleashed a Catastrophe. Free Press, 293 blz., € 23,99 bij www.bol.com