Ik heet Julius

Ja, daar woonde ik dus

Aan het woord in deze roman is de puber en latere jonge man Julius, ook wel Skip genaamd. Weerzin is his middle name.

Zijn ouders zijn fout, zijn broer is een patser, zijn vriendin wil alleen kinderen, verpleegsters zijn trutten, publiek in de IJsbreker in Amsterdam is snobistisch en truttig, et cetera. Over artsen krijg je dan dit: ‘Die artsen, mijn god. De mannen in nonchalante spijkerbroek en overhemd, riemen met dikke gespen en klokjes waarop je van een meter afstand nog zonder moeite en op de seconde nauwkeurig de tijd kunt lezen (…).’ En over klasgenootjes lezen we: ‘Alle meisjes in de klas, die hockeytrutjes met hun polo’s met opgezette kragen in alle denkbare pasteltinten, hadden zo’n klein ventilatortje.’ Over een familiefeest: ‘Ik had nooit zin om te gaan, het waren altijd dezelfde vervelende, oude mensen met roos op hun schouders en dezelfde jongeren die zo’n feest beschouwden als een inkijkje in de wereld waar ze later deel van wilden uitmaken.’

Uiteraard probeerde de schrijver mij hiermee over te halen tijdelijk net zo naar de wereld te kijken als zijn beklemde held die nu eenmaal in de roman veel voor zijn kiezen krijgt. En ‘dus’ iedereen gek vindt en alles niks. Maar logisch is dit niet en Skip werd er bij mij niet sympathieker op. Zou dat de bedoeling geweest zijn? Een clichébeeld van een puber oproepen? Wie weet had Simons moeten proberen die zwartgallige clichéblik op een of andere manier tegen te spreken. Er een stem tegenin te laten fluisteren, hoe weet ik ook niet, via valse terzijdes, een scheve blik, een daverende grap. Of via zinnen die meer te bieden hebben dan die van hierboven. Misschien zoals J.D. Salinger dat deed met zijn zwartgallige puber in The Catcher in the Rye. Hoe dan ook, ik verveelde me regelmatig bij Skips blik op de wereld of ik zette in de kantlijn ‘ja hoor, toe maar weer’.

Medium martijn 20simons 20 c2 a9 20keke 20keukelaar

Toch heeft deze roman meer te bieden dan dit. De schrijver vertelt het verhaal van een familie die uit elkaar valt: moeder depressief, vader ongeïnteresseerd, broer een eikel. Dan verschijnt het mooie meisje Mimi, ze is een nichtje en komt tijdelijk bij de familie inwonen. Uiteraard gaat dit flink mis, daar kun je vergif op innemen. Ze verdwijnt, Skip zoekt haar, zijn moeder sterft op Curaçao, zijn vader krijgt een hersenbloeding, Skip verzorgt hem. Oef! Zo verteld krijgt deze roman wel een sterk melodramatische bijklank waar de schrijver zich overigens geen moment voor schaamt. Wat mij betreft terecht, maar dan had hij toch meer moeten maken van dat ongrijpbare meisje Mimi, dat nu niet meer blijft dan een soort geheimzinnige Fee, de droom van iedere man, die sinds de negentiende eeuw door heel wat boeken van mannelijke schrijvers rondspookt. Veel vlees aan de botten krijgt ze niet, ja, ze is wispelturig, onbetrouwbaar, leuk, slecht, gemeen, hoerig. En neuken dat ze kan! ‘Je wist het gewoon nooit met haar, het kon van het ene op het andere moment afgelopen zijn met dat zachte gekreun, die dierlijke geluiden die ze maakte.’ Ongrijpbaar dus, De Fee en de Hoer, tja, die vrouwen toch, maar vooral: die mannenblik daarop! Ik zat erbij te grinniken, maar dat was denk ik toch niet de bedoeling.

Ik verveelde me regelmatig bij Skips blik op de wereld of ik zette in de kantlijn ‘ja hoor, toe maar weer’

Overigens zette Simons het geheel allemaal inventief in elkaar. Hij springt moeiteloos van de ene tijd en plaats naar de andere, laat het geheel zich binnen een week afspelen, terwijl wat er verteld wordt toch vele jaren beslaat. Het blijft prima te volgen. En mijn interesse nam vooral toe bij de scènes op Curaçao. Niet alleen omdat ik daar als jongetje vijf jaar woonde en er nog altijd allerlei herinneringen aan koester, maar ook omdat hier ineens de zeer bijzondere Curaçaose componist Jan Gerard Palm (luister via YouTube naar zijn fraaie muziek) opduikt. Skip gaat op zoek naar de achtergrond van deze figuur, omdat hij daarmee herinneringen en beelden rondom zijn moeder denkt te kunnen oproepen.

Het is er allemaal een beetje met de haren bij gesleept, maar het gaf Simons wel de kans zijn niet geringe schrijftalent te etaleren. Ineens kwam Curaçao dichterbij, zie de beschrijving van een volkswijk in Willemstad: ‘Aan weerszijden van de stoffige weg kleine huisjes, gammele constructies, hout en bakstenen, uitgesleten trappetjes van beton, daken van golfplaten die schots en scheef over elkaar lagen, een enkel huis opgeknapt en net in de verf gezet.’ Ja, daar woonde ik dus. Ook geeft Simons een pakkende beschrijving van het wereldberoemde Curaçaose bordeelconglomeraat Campo Alegre, waarover mijn ouders destijds alleen zeer besmuikt met elkaar spraken. Wat zou ik daar graag een keer geweest zijn! Maar dat de held er een soort tweede Mimi denkt terug te vinden, of is zij het echt zelf, ging er bij mij weer niet in.

Het is ook nooit goed. Waarom zo ingewikkeld? dacht ik vaak. De verhaallijnen buitelen over elkaar, het zijn er te veel, ook al zijn ze prima aan elkaar geknoopt: pubers, middelbare school, Curaçao, vriendinnetje, Palm, coming of age, verzet tegen vader, ziekenhuis, familiegeheimen, moeder, broer. Van mij hoeft een roman niet driehonderd pagina’s dik te zijn. Waarom niet alleen ingezoomd op die geweldige Palm? En zijn familie. Aan de andere kant zit er te weinig karaktertekening bij van de personages, ze bleven ver van me af, ik wond me er niet genoeg over op.


Foto: Kees Keukelaar