Johan Simons in München

Ja, dat weet ik allemaal niet hoor, god-ver-dom-me!

In de vroege herfst van zijn loopbaan is regisseur Johan Simons aangekomen in het walhalla van de Münchner Kammerspiele. Zijn eerste voorstelling als directeur is eind januari in Amsterdam te zien.

Medium schermafbeelding 2013 08 19 om 14.10.49

EEN PAAR JAAR GELEDEN lagen er voor de succesrijke toneel- en muziektheaterregisseur Johan Simons, tot dan toe artistiek leider van NTGent, in principe twee wegen naar de toekomst open: hij kon een internationaal gewaardeerd, op steeds meer Europese podia werkzame freelance regisseur blijven, of hij kon de eindverantwoordelijkheid aanvaarden voor het artistieke beleid van één zo'n podium en dan bij voorkeur in het Duitstalige territorium. Simons koos voor het laatste, toen een van de meest prestigieuze toneelhuizen in Duitsland, de Kammerspiele in München, hem een aanbod deed dat hij moeilijk kon weigeren: daar per september 2010 intendant te worden. Wat in feite betekent: de spullenbaas van een bedrijf waar een toneelschool, een jeugdtheatergezelschap en een repertoire-ensemble tezamen werk bieden aan 322 mensen, met een jaarlijkse omzet van bijna 37 miljoen euro, in een stad met een rijke theatertraditie, een inwonertal van ongeveer anderhalf miljoen, waaronder een groot potentieel aan toneelliefhebbers.
Hij heeft de beschikking over een ensemble van vijftig toneelspelers (ensemble én gasten), waaronder een aantal uit Nederland en Vlaanderen, zoals Pierre Bokma, Elsie de Brauw, Benny Claessens, Katja Herbers, Chris Nietvelt, Kristof Van Boven en Jeroen Willems. Hij kan werk presenteren in drie speelruimten die op roepafstand van elkaar in het hartje van München liggen: het grote Schauspielhaus, de middelgrote Spielhalle en de kleine Werkraum. Simons heeft daaraan toegevoegd: de stad, locaties in München. Tot zo ver de kale feiten.
Kort na zijn aantreden schreef de Süddeutsche Zeitung, een van de barometers ter verwelkoming van nieuw cultureel bloed in het zwarte hart van Beieren, dat de Hollander Simons zich ‘integrationswillig’ betoont: 'Zijn bereidheid om zich niet slechts geestelijk maar ook met lijf en ziel met München in te laten, heeft hij al bewezen door op het Oktoberfest te verschijnen. Simons heeft daar, aldus de instemmende lokale tamtam, drie anderhalve-liter-pullen bier gedronken en op de tafels gedanst. Das ist für den Anfang schon nicht schlecht.’ Hij is ook de eerste keus van het ensemble geweest, waar men na een decennium met de vernieuwer en niet zelf regisserende intendant Frank Baumbauer wel weer eens toe was aan een baas die het zweet van het repetitielokaal in zijn boezeroen heeft hangen.
Wat voor een begin ook niet slecht is geweest is dat Simons meteen de München-roman par excellence uit het interbellum op het repertoire heeft gezet, Erfolg (1930) van Lion Feuchtwanger (1884-1958), het vuistdikke, inktzwarte en meeslepende relaas over de Werdegang van de progressieve kunsthistoricus en onderdirecteur van de Staatliche Sammlungen (een soort Rudi Fuchs dus) van het München uit begin jaren twintig, Martin Krüger, die middels een haatcampagne van rechts en een doorgestoken rechtszaak over meineed in de gevangenis belandt en die, ondanks campagnes voor zijn rehabilitatie, in de cel sterft. Hitler komt erin voor, in de persoon van de hysterische kleinburger Kutzner. Ook Brecht loopt erin rond, vermomd als de balladedichter Kaspar Pröckl, die zijn oren iets te dicht naar de Russische bolsjewisten laat hangen (resultaat: het ironische portret van een pre-stalinist, iets wat Brecht Feuchtwanger nooit heeft vergeven). Geen kolossaal grote zaalenscenering heeft Simons voor Erfolg voorzien, hij plant een scenische lezing van de volledige roman op het podium van het grote Schauspielhaus door het hele ensemble uit te voeren in maandelijkse afleveringen doorheen het hele seizoen - bij de eerste werd er voor de toeschouwers in het parket gekookt, köstlich bayerisches, Boeuf Lamotte mit Semmelknödel. Ook deze keer was het instemmend geknor niet van de lucht. De Süddeutsche roemde de charmes van Simons en zijn team als 'auf Münchnerisch üppig, aber auch hinterfotzig-bayerisch-perfide Art’, verleidingstechnieken kortom, die zowel copieus zijn als sluw en een tikje Beiers-perfide. Niet verkeerd voor een binnenkomer.

ALS OPENINGSVOORSTELLING (21 en 22 januari ook in de Amsterdamse Stadsschouwburg) koos Johan Simons voor een romanbewerking door dramaturg Koen Tachelet van Hotel Savoy van Joseph Roth, het eerste werk dat van Roth in boekvorm verscheen, in 1924. Een pessimistische thuiskomstvertelling uit het interbellum, gesitueerd in een hotel dat talloze Roth-vorsers hebben proberen te lokaliseren (vrijwel iedereen kwam uit in het Poolse Lodz) maar dat eigenlijk standplaats Nergenshuizen is, een imaginair logement waar een uiteenlopend gezelschap kosmopolitische losers herademt na de vorige wereldoorlog en zich geestelijk bepakt en bezakt voor de denkbare volgende.
Johan Simons is dol op Joseph Roth, dat was al duidelijk te zien aan zijn Kammerspiele-voorstelling Hiob naar Roths Oost-joodse diasporaroman van gelijke titel, een warm doorbloede toneelvertelling die op het Holland Festival was te zien en die het Münchener publiek meteen na de première in zijn hart sloot. Naar verluidt geldt dat ook voor deze productie, die gemonteerd is voor een lange rechthoekige speelvloer tussen twee tribunes met publiek in de Spielhalle, de middenzaal van het ensemble. Voor de cruciale rollen heeft Simons zijn 'sterren’ ingezet, zoals Steven Scharf als de verteller/Roth-ik-figuur Gabriel Dan, en Wolfgang Pregler als de revolutionair Zwonimir Pansin, die op driekwart van de voorstelling het hotel/de speelvloer komt verbouwen. En in een kleine rol treedt de prachtige toneelspeler André Jung aan, die in Hiob de melancholieke jood Mendel Singer speelde en die hier, als de miljardair Bloomfield, op wiens komst iedereen volkomen vergeefs al zijn hoop heeft gezet, de sleutelzin van Hotel Savoy spreekt: 'Ich bin ein Ostjude, und wir haben überall dort unsere Heimat wo wir unsere Toten haben.’
In kleine rollen (maar juist hier weet iedereen: er bestaan geen kleine rollen, er bestaan alleen kleine toneelspelers) heeft Simons enkele Nederlandse acteurs ingezet. Pierre Bokma speelt de duistere liftboy van het hotel; Fräulein Stasia, de variété-artieste uit kamer 800, wordt vertolkt door Katja Herbers.
Als een soort 'op weg naar München’ en met als slotscène het première-applaus voor Hotel Savoy, vertoont de Humanistische Omroep op dinsdag 25 januari de door Ireen van Ditshuyzen gemaakte documentaire Johan Simons: Zeg dat het goed komt, portret van een gedreven maker, ploeterend en in de weerbarstige materie 'toneel’ hakkend regisseur, aan het werk aan de dialoog Gif van Lot Vekemans, aan de toneelbewerking van La grande bouffe en in gesprek met zijn dierbaren.
Er zitten een paar rake Simons-imitaties in - de mooiste is van Pierre Bokma, rondbanjerend met grote gebaren en warrige haardos: 'Ja, dat weet ik allemaal niet hoor, god-ver-dom-me!’ De voice-over is van Simons zelf, tikje pedant, enig smetje op dit verder fraaie portret van 'de zendeling zonder God’ uit Heerjansdam (1946), die in zijn kindertijd de trein naar Parijs voorbij zag razen en daarin het toppunt van luxe zag: mensen die rijdend aan het dineren waren. Nu zit zijn schouwburg achter een winkelpui in de van bontstola’s en rondzoevende BMW’s vergeven P.C. Hooftstraat van de Beierse hoofdstad, hij wentelt zich in een theaterluxe waar Nederlandse toneelmakers alleen maar natte dromen over kunnen hebben. Jaarlijks wordt zijn theateronderneming door de stad met 32 miljoen euro ondersteund, er moet zo'n vijf miljoen euro aan entreegelden worden binnengewinkeld, ja dat leest u goed, tegenover elke euro entree staat zes euro subsidie. Daar zullen ze hem overigens wel aan houden in de gemeentelijke politieke arena, want het budget wordt jaarlijks toegekend en kunst is hier een politiek straffe aangelegenheid. En anders dan bijvoorbeeld Ivo van Hove in Amsterdam heeft Simons’ Kammerspiele geen monopoliepositie in deze metropool. Praktisch aan de overkant van de Maximilianstrasse zit het Bayerisches Staatsschauspiel, met ook drie speellocaties, waaronder het Residenztheater, door de Münchenaren liefkozend de 'Resi’ genoemd, buurman van de Münchener opera.
Die toneelconcurrent, financieel ruimhartig ondersteund door het land Beieren, is nu nog een bejaardentehuis in relatieve rust, met een overigens legendarische directeur (Dieter Dorn) die met zijn 75 jaar aan een welverdiend pensioen toe is. In september 2011 treedt daar de nieuwe intendant aan, Martin Kusej (1961, in mei wordt-ie vijftig), een man met een indrukwekkende staat van dienst, in Nederland vooral bekend bij het operapubliek door zijn fabelachtige enscenering van Lady Macbeth van Mtsensk van Dimitri Sjostakovitsj bij de Nederlandse opera in 2006 (met Eva-Maria Westbroek). Kusej heeft al laten weten al die film- en romanbewerkingen voor het toneel maar niks te vinden, in ieder geval: hij is daar niet voor ingehuurd. Johan Simons lijkt op dat terrein nog lang niet uitgepraat. Een seizoenkaart voor Bayern München heeft-ie alvast op zak. Maar een Louis van Gaal-generaal in het repetitielokaal zal hij vooralsnog niet worden: 'Ik heb tegenspraak nodig. Mijn stelregel is: het beste idee telt. Of dat nu van mij, van een acteur of van de portier komt.’


Hotel Savoy naar Joseph Roth door de Münchner Kammerspiele, regie Johan Simons, op vrijdag 21 en zaterdag 22 januari om 20.00 uur in de Rabo-zaal van de Stadsschouwburg in Amsterdam. Nagesprek op 21 januari, inleiding om 19.15 uur op 22 januari, Duitstalige voorstelling met Nederlandse boventitels, speelduur twee uur en dertig minuten, geen pauze. De documentaire Johan Simons: Zeg dat het goed komt: 25 januari om 23.00 uur op Nederland 2

Beeld: Human