‘Ja, ek vry met jullie seuns’ – de Niewe Afrikaanse Digters

De meeste Niewe Digters van Zuid-Afrika groeiden op toen apartheid ten einde liep. Bij hen geen obsessie met schuld over het racisme van hun vaders en de opa’s, maar vooral introspectie. In een eigen, speels Afrikaans. ‘We zijn creools, en daar zijn wij trots op. We willen in Afrika thuishoren, niet in Europa.’

Soms tref je ze allemaal tezamen aan, zoals eind vorig jaar op het Aardklop-festival in de Zuid-Afrikaanse universiteitsstad Potchefstroom: Danie Marais, Ronel Nel, Charl-Pierre Naudé, Ronelda Kamfer, Toast Coetzer, Ronel Nel, Loftus Marais en Andries Bezuidenhout, de hele lichting ‘Niewe Afrikaanse Digters’ – de nazaten van Breyten Breytenbach en Antjie Krog.
Ze kennen elkaar, kopen elkaars boeken en juichen elkaar toe. Af en toe zijn er tranen, zoals toen Toast op het Aardklop-podium onder muzikale begeleiding in zijn kenmerkende parlandostijl Môre kom die trane voorlas. De laatste regels klonken: ‘Die blomme op die grond/ die sweet op die hand/ grawe teen die draad/ ’n stil en gebroke/ gebed van as/ mense om ’n gat/ maar nou-nou kom die trane/ môre kom die trane.’ Toen haperde het. ‘Sorry, ek kan nie meer nie’, zei Toast en snelde het podium af.
Het was een gedicht over de futiliteit van het bestaan, of in Toasts woorden over ‘de dolk in ons hart vanaf de dag van onze geboorte’. ‘Ach, op sommige dagen is het makkelijker om je los te koppelen van de emoties die aan een gedicht vastzitten dan op andere…’, zei hij later.
Het publiek juichte en joelde. Dit was live-poëzie zoals het hoorde: rauw en direct. ‘Je vindt bij dergelijke optredens een intiem gevoel van kameraadschap, zoiets als: “Shit, we mogen dan met weinigen zijn en ver van elkaar wonen, maar we zijn er nog steeds en daar gaat het om. Laten we het daarom nog een keer doen, met veel gevoel, ongeacht wie er luistert”’, zegt Danie Marais, de tonaangevende Niewe Digter, die in 2006 drie belangrijke poëzieprijzen won voor zijn debuut In die buitenste ruimte en datzelfde jaar optrad tijdens Poetry International in Rotterdam.
De Niewe Digters zijn literaire vrijbuiters die weten dat een of andere Afrikaanse poëzieprijs het hoogste is wat ze ooit kunnen bereiken. Dichten doe je uit liefde voor het woord en het beeld. Daarom mag alles en kan alles. Marais: ‘We hebben een grote drang om ons te uiten, ook al zeggen sommigen dat dit vooral de laatste stuiptrekkingen zijn van een stervende taal en cultuur.’
Marais (1971) is de Allen Ginsberg van het clubje: degeen die zich onbaatzuchtig inzet voor de anderen en steevast een loftrompet opsteekt over zijn collega’s. Als voormalig poëzieredacteur van de website LitNet zorgde hij er bijvoorbeeld voor dat het werk van de jonge kleurling-dichter Ronelda Kamfer werd gepubliceerd. Als features-redacteur van het literaire tijdschrift BoekeInsig geeft hij ruimte aan prozadebutanten als Willemien Brümmer en Kleinboer. En als co-redacteur van de Niewe Stemme zal hij ongepubliceerde Afrikaanstalige dichters selecteren voor de vierde editie van deze maatgevende bundel.
‘Het ego van iedere kunstenaar fluistert hem toe dat hij de enige is die ertoe doet. Dat is onzin – kunst en cultuur floreren alleen in een levendige cultuur. Daarom is het belangrijk om talentvolle mensen te promoten’, zegt Marais.Hij weet hoe het is om te ploeteren en te leuren met je stapeltje gedichten in een land waar je taal (‘de taal van de voormalige onderdrukker’) steeds verder wordt gemarginaliseerd. Hij kreeg tijdens het samenstellen van zijn bundel belangrijke steun van zijn Nederlandse vriend en collega Alfred Schaffer, die jarenlang in Kaapstad verbleef. ‘Ik stond al op het punt om die ondankbare, tijdrovende, zielenbrekende pogingen tot poëzie op te geven. Dus als ik iets terug kan doen voor anderen, graag’, zegt Marais.
De meeste Niewe Digters groeiden op toen apartheid ten einde liep. Bij hen geen obsessie met schuld over het racisme van hun vaders en de opa’s, maar vooral introspectie en een vaak melancholieke blik op het land dat tot het einde der dagen gedoemd lijkt tot conflicten en geweld. Een land waar iedereen naarstig op zoekt blijft naar zijn identiteit. Voor de kleurlingen ligt het accent net iets anders. Ronelda Kamfer (1981) groeide als tiener op in de ganglands van Eersterivier nabij Kaapstad, waar de hypergewelddadige bendes onschuldige namen hebben als The Nice Time Kids, The Genuine Schoolboys, The Americans en The Naughty Boys. Iedere dag op weg naar school moest ze langs drie verschillende gangs. Ze was er getuige van hoe de jonge scholier Klein Cardo werd gedood door een verdwaalde kogel toen hij tijdens een schietpartij uit een schoolraam gluurde. ‘Sy ma hettie gehuil nie/ die politicians het ’boompie geplant/ en die Kaapse dokter het hom uitgepluk/ en gegooi waar die res/ vannie Kaapse drome lê/ oppie vlaktes’, schreef Kamfer, voor wie poëzie een manier werd om het geweld te verwerken.
Het hardste applaus tijdens haar optredens oogst ze steevast voor Vergewe my maar ek is Afrikaans, over de racisten met hun baarden, veldschoenen en lange sokken, die kleurlingen altijd als tweederangs burgers behandelden. Vroeger was Ronelda bang voor hen. Nu niet meer. Nu verleidt ze als wraak hun zonen. ‘Ek praat julle taal/ ek eet julle kos/ ek bly in julle vaderland/ ek drink julle wyn/ ek sing julle musiek/ en liewe ooms, ek, ja ek, ek vry met julle seuns.’
In maart won Kamfer de prestigieuze Eugène Maraisprijs 2009 voor haar debuut Noudat slapende honde. Het staat vol wrange, bij vlagen onthutsende gedichten over die delen van de stad die we alleen kennen van gruwelverhalen in de kranten. Kamfer schrijft over de gangs, incest, haar drugsgebruik en zelfmoordpogingen. OD2 begint met: ‘Ek het gehoop ek is ’n DOA/ dit sou die night nurse baie moeite bespaar het.’ Het eindigt met: ‘My polse nice en diep gesaag/ en ’n hand vol prescription drugs gesluk.’
Het taalgebruik is speels, doorspekt met Engels en straattaal, mijlenver verwijderd van het stijve Afrikaans van weleer. Kamfer noemt rapper Tupac Shakur, Johnny Cash, Jimi Hendrix en Antjie Krog als haar belangrijkste invloeden. Marais geeft op zijn beurt hoog op van Charles Bukowski, Bruce Springsteen, Breyten Breytenbach, Ted Hughes, Raymond Carver en Nick Hornby.
De Niewe Digters propageren een nieuwe interpretatie van het Afrikaans, niet langer het geblaf van de onderdrukker, maar een heuse creoolse taal. ‘In veel opzichten zijn wij de stiefkinderen van het westerse en het Nederlandse kolonialisme’, zegt Marais. ‘Maar waar de vorige generaties graag de Europese origine van de taal onderstreepten en beretrots waren op hun Europese komaf, realiseren wij ons hoe totaal verbasterd wij eigenlijk zijn. We zijn creools, en daar zijn wij trots op. We willen in Afrika thuishoren, niet in Europa.’