De politie in veranderende tijden #2: Amsterdam-West

‘Ja, etnisch profileren bestaat’

In Amsterdam-West werkt de ‘meest diverse’ politie-eenheid van de stad – en dat is belangrijk, vinden de agenten. Maar die verschillende perspectieven leveren ook ongemak en frustratie op. Niet alleen op straat, ook binnen het korps is polarisatie voelbaar.

Medium hh 76010665
‘Je onderbuik heb je nu eenmaal nodig’ © Robin Utrecht / HH

‘Zal ik eerst gaan bidden?’ vraagt hoofdagent Hamza aan niemand in het bijzonder. ‘Ik ben met een paar minuutjes terug, Lotte’, roept hij en rent de trap af naar de piepkleine gebedsruimte op het politiebureau aan het Amsterdamse August Allebéplein.

Lotte Wagemaker manoeuvreert even later behoedzaam tussen de geparkeerde auto’s. Een witte Mercedes die op een laden-en-lossen-plek staat, krijgt een bekeuring. Auto’s mogen niet wild parkeren, vinden beide politieagenten, bovendien zijn er plekken genoeg waar je wel mag staan. De politiebus rijdt richting Geuzenveld, nog verder Amsterdam-West in. Wagemaker en Hamza bezoeken een buurtbewoner die zijn gedetineerde vriend tijdens diens proefverlof onderdak wil verlenen. De agenten moeten beoordelen of de plek voldoet. Is het er een beetje netjes en is er bijvoorbeeld een aparte slaapkamer?

De gedetineerde is verloofd, maar samen slapen met zijn geliefde mag pas als ze zijn getrouwd, die volgorde is gebruikelijk in islamitische kring. De vanzelfsprekendheid – ‘waar moet hij anders naartoe’ – waarmee de vriend zijn mooie, nieuwe flat beschikbaar stelt, is hartverwarmend.

‘Jullie leven meer in een ik-cultuur’, legt Hamza uit op weg terug naar de politiebus. De onderdakgever heeft een Turkse achtergrond en de gedetineerde een Marokkaanse. ‘Wij moslims leven in een wij-cultuur. Voor ons is het vanzelfsprekend om voor een ander klaar te staan.’ Maar hoe zit het dan met zijn eigen familie, kunnen zij niet voor hem zorgen? Helaas is zijn moeder niet lang geleden overleden en zijn vader voelt zich te oud voor al die onrust aan zijn hoofd.

Hamza, 36, zit sinds 2013 bij de politie. De even oude Lotte Wagemaker al meer dan twaalf jaar, zes jaar geleden werd ze wijkagent. Haar wieg stond in Hoorn en die van Hamza in de Amsterdamse Pijp. Haar vader is een succesvol ondernemer; de vader van Hamza was een migrant uit Marokko die zijn brood moest verdienen als fabrieksarbeider en schoonmaker. Wagemaker besloot al jong bij de politie te gaan. ‘Al wist ik van toeten noch blazen. Ik las een advertentie in de Mikro Gids, met de aantrekkelijke tekst “Waar jij voor staat is nodig op straat” en ik reageerde.’

Hamza vond moeilijker zijn draai, sterker nog: hij leidde jarenlang een schimmig bestaan met talloze baantjes, dan weer bij de visboer en dan weer bij een bloemenzaak, tot hij op een dag besefte dat hij iets met zijn leven moest gaan doen. Hij kreeg de kans de surveillantenopleiding te volgen en ging als bewaker in verschillende cellencomplexen werken. Inmiddels is hij hoofdagent. Zijn werk vindt hij ‘mooi, maar soms ook lastig’. In hoeverre, vraagt hij zich wel eens af, word je als collega met een andere achtergrond voor vol aangezien? Polarisatie, zegt hij, speelt niet alleen in de buitenwereld, maar ook intern bij de politie.

Het politiebureau, een rood bakstenen gebouw pal naast de moskee, staat in een wijk waar veel bewoners een Marokkaanse of andere niet-westerse achtergrond hebben. In 1998 braken er rellen uit op het August Allebéplein toen de politie een Marokkaanse jongen nogal hardhandig en naar later bleek onterecht arresteerde. De opstand van wijkbewoners leidde tot het ontstaan van de buurtvaders die voortaan een oogje in het zeil zouden houden. Ondanks de toenadering tussen politie en bewoners kon niet worden voorkomen dat sommige jongens uit de buurt radicaliseerden. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, groeide bijvoorbeeld op in de straat schuin tegenover het politiebureau en Samir A., ook lid van de Hofstadgroep, woonde vlakbij.

In oktober 2007 sloeg het noodlot toe. Buurtbewoner Bilal B. verscheen aan de balie en voor de agente het zich realiseerde, sprong hij over de balie, haalde een lang mes te voorschijn en stak op haar in. Een mannelijke collega die op haar geschreeuw af kwam, raakte ook zwaargewond. Nadat de vrouw zich had losgemaakt, schoot ze op Bilal. Hij zou het niet overleven. De dood van Bilal – hij bleek schizofreen en in behandeling bij de Valeriuskliniek – leidde opnieuw tot ernstige rellen. Jongeren bekogelden het politiebureau met stenen en ze staken een auto in brand.

De gebeurtenissen in deze vroege herfst meer dan tien jaar geleden betekenden voor alle betrokkenen een blijvend trauma. Voor de familie van Bilal B. was de dood van hun zoon onverdraaglijk, de zwaargewonde agente kon haar werk niet langer uitoefenen en het hele team aan het August Allebéplein vroeg zich af: hoe nu verder? Een agente die toen net bij de politie was, herinnert zich nog dat ze in die periode ’s nachts huilend wakker werd en dacht: waar ben ik terechtgekomen?

Gelukkig betekende dit drama ook een nieuw begin voor het politieteam. Meer en beter contact met de buurt werd het motto en daarom werd er in de jaren die volgden actief gezocht naar agenten met een niet-Nederlandse achtergrond. Meer begrip voor elkaar moest verscherping van tegenstellingen tegengaan. Er werden talloze cursussen over andere culturen gegeven en iedereen had vanaf dat moment blauwe zwembadschoentjes op zak, die je over je schoenen deed als je onverwacht bij een niet-westers gezin binnen moest.

Dankzij alle inspanningen werd het bureau het meest ‘diverse’ politiebureau van Amsterdam; begin 2017 lag het aandeel agenten met een niet-westerse achtergrond op negentien procent. Sinds acht ‘diverse’ collega’s onlangs naar de recherche zijn overgestapt, zal dat percentage iets gedaald zijn.

Wagemaker en Hamza zijn ervan overtuigd dat contact leggen, in politiejargon ‘verbinding zoeken’, cruciaal is om – zoals ze zeggen – ‘de vrede te handhaven’. Oftewel: ‘zacht als het kan, hard als het moet’. Sommige eenheden vinden deze benadering ‘te soft’, Wagemaker en Hamza vinden deze werkwijze juist effectief. De mentor van Wagemaker ging bijvoorbeeld voetballen met de jongens uit de buurt. Zo leerde hij ze niet alleen kennen, maar kreeg hij ook voor de politie relevante informatie.

Waarom word je politieagent? Is het de afwisseling, de spanning? Boeven vangen, bekeuringen geven? Je vertegenwoordigt het gezag; maakt die machtspositie het beroep aantrekkelijk? En wat merken agenten van de steeds mondiger wordende burger die niets meer als zoete koek slikt? Iedereen staat tegenwoordig met een telefoon klaar om een politieactie te filmen. Hoe voelt dat? En hoe gaan ze om met polarisatie, zowel buiten als binnen het korps?

In Amsterdam sprak ik hierover met tien agenten, twee vrouwen en acht mannen, van wie twee een Marokkaanse achtergrond hebben en één een Turkse. Ik sprak ook de twee teamchefs, de een een vrouw en de ander een man met een Marokkaanse achtergrond. Beide chefs waren opvallend geliefd bij de agenten vanwege hun openheid en omdat ze altijd bij hen terecht konden.

Meermalen werd gezegd dat het politiewerk een soort roeping was. ‘Hoe fijn is het om iemand op te pakken die een ander onrecht aandoet’, zei een vrouwelijke agent. ‘Ik wilde al op mijn zestiende een uniform aan’, vertelde Abdur Özbek. ‘De harde kant van de maatschappij trok me. Ik wilde boeven pakken en opkomen voor mensen die dat zelf niet kunnen.’ Hij is, zei hij, ‘supertrots op mijn werk in dit uniform. Vergeet niet’, benadrukte hij, ‘we staan er wel weer elke dag!’

Een ander raakte gemotiveerd door een akelige gebeurtenis uit zijn jeugd. Toen hij met zijn grote broer ging vissen, ergens in Overijssel, werd zijn broer ‘gruwelijk te grazen genomen’ door een stel oudere jongens en meisjes. Nadat ze hem flink hadden toegetakeld, renden de belagers weg. Pas toen de politie arriveerde, voelde de jongste zich veilig. Terwijl zijn broer in de ambulance werd afgevoerd, leidden de politieagenten hem vakkundig af. En toen hij in de politieauto zat, mocht hij overal aan zitten. Hij vertelde het alsof het gisteren gebeurde: ‘De agenten waren zo aardig tegen me. Hun aanpak maakte me rustig.’

Politieagenten vertellen graag over een mooie en soms ook bijzondere actie. Dennis Houtman, 34, bijvoorbeeld, herinnert zich hoe hij op een avond kon voorkomen dat ergens een tweede moord werd gepleegd. ‘De dader had in dat betreffende huis helaas al iemand om het leven gebracht, maar het lukte ons om hem voor hij weer kon toeslaan zonder geweld aan te houden.’

En er zijn gebeurtenissen die je nooit meer vergeet. Vincent Smit, 28, was in zijn jonge loopbaan bij de nasleep van meerdere liquidaties betrokken. Eén ervan, de ‘vergismoord’ in 2016 op de dj Djordy Latumahina, raakte hem diep. De dj kwam met zijn vriendin en dochtertje terug van winkelen en werd in de garage onder zijn flat door drie schutters die hem voor een ander aanzagen, neergeschoten. Zijn vriendin raakte ernstig gewond, zijn dochtertje dat op de achterbank zat, werd op een haar na gemist. ‘Mijn collega en ik moesten vaststellen of Djordy nog leefde, we begrepen snel dat dat niet zo was.’ De impact van de gebeurtenis is nog steeds merkbaar als Smit zijn verhaal vertelt. ‘Later bleek dat onze eerste handelingen bij zijn vriendin levensreddend zijn geweest.’

‘Wij moslims leven in een wij-cultuur. Voor ons is het vanzelfsprekend om voor een ander klaar te staan’

De realisatie iemands leven te hebben gered, gaf zeker voldoening, maar Smit was tegelijkertijd bedroefd en ontdaan toen bleek dat Djordy nodeloos slachtoffer was geworden van een gruwelijke aanslag. Bij eerdere aanslagen op grote criminelen kon Smit makkelijk relativeren, zij namen tenslotte bewust het risico. Nu lukte dat niet. ‘Ik had het er echt moeilijk mee, als ik thuis ter ontspanning de televisie aan zette, zag ik alles weer voor me. Ik vond het in en in triest.’

In Amsterdam-West hebben criminelen het regelmatig op ouderen voorzien. ‘Laatst belde een bejaarde man’, vertelt Abdur Özbek. ‘Hij was benaderd door iemand die hem een pakketje wilde bezorgen. Bij ontvangst moest hij wel één euro pinnen. Wij vertrouwden het niet en gingen er meteen heen. We waren nog niet binnen of er werd aangebeld, de mannen van het pakketje stonden beneden. Kennelijk roken ze onraad, want de boeven renden weg, ze hadden jassen aan van tnt. We hebben ze uiteindelijk kunnen pakken en op hun telefoon vonden we allemaal nummers van ouderen uit de buurt die ze wilden bestelen. Zo’n soort spanning, zeker als het goed afloopt, is leuk!’

Wat de agenten in het begin het meest verraste was hoe vaak ze als hulpverlener moesten optreden. De illusie dat het politievak vooral uit spannende achtervolgingen en boeven vangen bestond, verdween snel. ‘Ik heb zorg moeten regelen voor demente ouderen en ik heb zelfs eens een verwarde oude man in bed gelegd’, vertelt Smit, die net als zijn collega’s soms de raarste verzoeken krijgt. ‘Iemand belde met de vraag of een van ons de batterijen in de rookmelder bij hem thuis kon komen verwisselen.’

Burgers in nood zijn dankbaar, maar anderen hebben juist een hekel aan de politie. Laatst zag Smit een filmpje waarin een man tegen een politieauto piest. ‘Ik snap daar niets van, want als die gast in nood is, belt hij ook 112. Een bekende crimineel belde laatst ook, hij voelde zich belaagd door andere criminelen. Of we hem konden beschermen.’

Peter Mellenberg, 62, werd in 1977 tijdens een controle in Amsterdam-Noord twee keer in zijn gezicht geschoten. De drie daders van Marokkaanse komaf waren van plan een benzinestation te overvallen en werden toevallig gecontroleerd. Eén werd ter plaatse en twee werden later aangehouden. Jaren later werd Mellenberg ook nog door een stel criminele Joegoslaven in zijn hand geschoten. Hij doet er schijnbaar laconiek over, zijn liefde voor het politievak heeft hij er in ieder geval niet door verloren. Sterker nog, hij heeft die liefde zelfs op de volgende generatie overgebracht, want zijn twee zoons zitten ook bij de politie. Dat hij de dood zo op het nippertje ontliep, inspireerde Mellenberg om een ‘zelfhulpteam’ op te richten dat tot op de dag van vandaag in actie komt voor dienders die hulp nodig hebben na een heftig incident. Met als motto: collega’s voor collega’s.

Het klimaat op straat is harder geworden, merken agenten. Burgers provoceren en de autoriteit van de politie wordt regelmatig in twijfel getrokken. ‘Soms schelden ouders ons uit in het bijzijn van hun kinderen’, zegt een verbaasde agent. ‘Als ik ze daarop wijs, gaan ze soms gewoon door, ze schamen zich nergens voor.’ ‘Het is mijn kracht om rustig te blijven’, vindt een ander.

Onderzoek wees uit dat er in 2017 9100 incidenten waren, iedere dag hebben 25 agenten te maken met fysiek of verbaal geweld. Scheldpartijen worden niet getolereerd, zeggen ze in Amsterdam-West, als dat gebeurt dan ga je mee naar het bureau. ‘Je móet optreden, anders geef je een verkeerd signaal af’, meent Vincent Smit. ‘Het uniform staat voor bepaalde waarden, dat mogen we niet vergeten. De maatschappij is gebaat bij duidelijkheid en grenzen en al helemaal in deze wijk.’

Toch zijn er altijd dilemma’s. Lotte Wagemaker vertelt hoe ze op Oudjaarsdag 2015 door de wijk liep, jongens hadden prullenbakken in brand gestoken. ‘Omstanders keken me aan, ze vroegen zich af wat ik ging doen. Op dat moment kwamen er drie jongens aanlopen die, terwijl ze me aankeken, zwaar vuurwerk in de prullenbak gooiden, dat toen explodeerde. Ze renden weg en scholden me voor van alles en nog wat uit. Ik zat in tweestrijd, wat moest ik doen? Ze aanhouden en het risico lopen dat het een rel werd? We hebben namen opgeschreven en dat bracht wat rust. We reden vervolgens naar het bureau en daar stond een groep van dertig jongens.’ Een van hen gooide zwaar vuurwerk richting de bus. De knal was enorm, het raam van de auto lag eruit, de glassplinters zaten tot in haar kleding. ‘Ik besefte hoe fout het had kunnen gaan, die actie had blijvend letsel kunnen opleveren.’

Het raakt de agenten diep dat de politie regelmatig negatief in het nieuws komt. De zaak-Mitch Henriquez, de man die als gevolg van zijn arrestatie tijdens een Haags festival overleed nadat een nekklem was gebruikt, zorgde in heel Nederland voor grote beroering. Henriquez was slachtoffer van grof politiegeweld, vond de gemiddelde Nederlander. De natuurlijke neiging van agenten is de collega’s te verdedigen, vraagtekens te zetten bij het in hun ogen harde oordeel van de Haagse rechtbank, die twee agenten tot een voorwaardelijke gevangenisstraf veroordeelde wegens mishandeling met de dood als gevolg. ‘Sindsdien wordt er tijdens politietrainingen op aangedrongen geen nekklem meer te gebruiken’, verzucht een agente. Zij vindt alle kritiek op de politie overdreven, zeker als ze zichzelf als maatstaf neemt. ‘Ik doe mijn werk naar eer en geweten. Ja, ik word regelmatig gefilmd met een mobieltje, maar dat levert nooit iets op. Ik blijf altijd rustig.’

En dan etnisch profileren, sinds de zanger Typhoon in juni 2016 op Instagram vertelde hoe vaak hij wordt aangehouden vanwege de combinatie ‘jonge zwarte man en dure auto’, is de aandacht ervoor niet weggeweest. Net als in Breda vinden agenten die belangstelling over het algemeen zwaar overdreven, ze zijn ingehuurd om boeven te vangen en daar heb je intuïtie en onderbuik nu eenmaal bij nodig. ‘De toon die je bij een staandehouding zet is zo belangrijk’, zegt iedereen, alsof je de angel er daarmee uithaalt. Maar is dat voldoende?

Medium xxl

‘Het is een grijs gebied’, weet Vincent Smit. ‘Ik kijk altijd naar gedrag. Kijken jongens op een scooter de hele tijd achterom en zie ik ze ineens een straatje in schieten, ga ik er achteraan. Zo ben ik getraind. Ik zet heel veel mensen aan de kant. Laatst reed een auto almaar rondjes. Parkeerde ergens en reed weer weg, een paar keer achter elkaar. Toen ik het rijbewijs van de bestuurder vroeg, werd hij boos. Maar toen ik uitlegde waarom, snapte hij me. Ik word ervoor betaald om nieuwsgierig te zijn, dat leer je op de academie. In deze buurt zitten veel jongens zonder werk, sommigen gedragen zich netjes, anderen stelen of doen rip deals.’ Met nadruk: ‘Wij worden er wel voor betaald om criminelen niet in de anonimiteit te laten verdwijnen.’

Als je de ander maar fatsoenlijk bejegent, komt telkens terug in de gesprekken, kun je als agent een potje breken. Is het contact prettig, dan krijg je ook niet het verwijt dat je etnisch profileert. Abdur Özbek, zelf kind van Turkse ouders, is ontwapenend eerlijk als hij vertelt dat hij een paar jaar terug regelmatig ‘patserbakken’ aan de kant zette. In die tijd was de vraag van bovenaf: let op jonge mannen die in een te dure auto rijden. Zeker in West waren dat vaak mannen met een kleurtje. ‘Ik deed dat dus ook, etnisch profileren. Soms was er wat aan de hand, maar lang niet altijd.’ Toen dat tot hem doordrong, schrok hij. ‘Op een ochtend keek ik goed in de spiegel en wat zag ik? Een gekleurde man met een baardje in een poloshirt met een mutsje op zijn hoofd, die in een mooie, sportieve auto reed. Ik besefte dat ik voortdurend mezelf aan de kant zette. Ik was niet goed bezig, dat was duidelijk.’

Het sleutelwoord is bewustwording, benadrukt Özbek. Dat je je realiseert waarom je iets doet, dat je volstrekt eerlijk tegenover jezelf bent als je je afvraagt waarom je iemand aanhoudt. Welke rol die onderbuik precies speelt. Zelf werd hij één keer zomaar aangehouden en meteen werd hem de vraag gesteld of hij wel Nederlands sprak. Dat voelde niet goed; als je een gesprek begint, redeneert Özbek, kom je daar vanzelf achter. Hij wil niet klagen, sterker, aan lamenteren heeft hij een hekel. ‘Ik kan goed relativeren en ik heb een sterk incasseringsvermogen. Ik ben Abdur en ik ben politieman en ik ben trots op wat ik doe.’ Al wil hij hier wel graag aan toevoegen: ‘Het gaat in dit vak wel om culturele sensitiviteit en daar is nog een wereld te winnen.’

Van Nederlandse collega’s wordt verwacht dat ze zich in andere culturen verdiepen, maar anderen mogen ook begrijpen dat de Nederlandse agent soms moeite heeft met al die veranderingen, vindt Özbek. De belangstelling en empathie moeten wel van twee kanten komen. En allochtonen zijn het onderling ook niet altijd met elkaar eens. Dat bleek ook na de mislukte coup in Turkije in juli 2016. Binnen het bureau zaten zowel Erdogan- als Gülen-aanhangers, de stemming tussen de beide partijen was soms om te snijden. Özbek onttrok zich daar zo veel mogelijk aan.

Hij vaart een nogal autonome koers. Als hij vanwege zijn werk – ‘Ik moet scherp zijn’ – niet wil vasten tijdens de ramadan is dat zijn zaak, vindt hij. Hij weet dat anderen binnen de politie hem daarop aankijken, maar daar trekt hij zich niets van aan. Özbek houdt er een duidelijke mening op na, zo is hij tegen het dragen van een hoofddoek voor vrouwelijke collega’s. ‘De politie moet neutraal zijn, op het moment dat je een uniform draagt moet je volstrekt onpartijdig zijn. Of je nu denk stemt of pvv, dat mag tijdens je werk niet uitmaken.’ Zelf stemde hij overigens cda, maar hij heeft het vertrouwen in de politiek verloren en besloten voortaan niet meer te stemmen. Verreweg de meeste politiemensen die ik in Amsterdam sprak, stemden vvd, eentje denk, eentje d66 en een paar stemden uit desillusie – ‘ik geloof niet meer in de politiek’ – helemaal niet meer.

De verharding van het maatschappelijk klimaat is niet alleen op straat maar ook binnen de politie voelbaar. Gesprekken over etnisch profileren of het al dan niet dragen van een hoofddoek liggen gevoelig. ‘Een Marokkaanse collega zei tegen me dat hij zijn Nederlandse collega’s minder vertrouwde’, vertelde een agente. ‘Ik dacht: hoe durf je dat te denken, maar ik hield me in. Hij was bang dat een Nederlander in moeilijke situaties minder loyaal aan een Marokkaan zou zijn. Dat was misschien pijnlijk, maar achteraf wel eerlijk.’ Die onderlinge spanning maakt soms onzeker, vult Hamza aan. ‘Die weerstand tegen de hoofddoek heeft volgens mij vooral met angst te maken.’ Hij zou er graag met zijn collega’s over praten, net als over andere gevoelige kwesties – alleen, hoe doe je dat?

Een agent vertelt over een gekleurde collega die per e-mail liet weten dat de harde grappen die over kleur werden gemaakt hem aan de vernederende tijd van de slavernij lieten denken. Een andere gekleurde collega reageerde meteen en schreef. ‘Ik begrijp hoe je je voelt.’ Hij had ook advies voor zijn beledigde collega: ‘Probeer het je niet te veel aan te trekken, zet het van je af. Je bent geen slaaf meer, die tijd ligt echt ver achter ons.’

Juist deze wat relativerende reactie, die naar iedereen werd gestuurd, zette aan tot denken: ‘Iedereen begreep wat onze woorden teweeg konden brengen, vanaf dat moment zijn we beter gaan opletten.’

De term etnisch profileren werkt bij dit politieteam als een rode lap op een stier. Behalve Özbek zal niemand hardop zeggen dat hij of zij zich daar ooit schuldig aan maakte, terwijl onderzoeken onomstotelijk laten zien dat het regelmatig gebeurt. ‘Ik reageer op verdacht gedrag’, is steevast het antwoord. Al kennen ze wel collega’s die altijd ‘jongens met bontjes’ aan de kant zetten. Maar zelf wassen ze hun handen in onschuld.

‘Een bekende crimineel belde laatst, hij voelde zich belaagd door andere criminelen. Of we hem konden beschermen’

Die weerstand merkte Mathijs Pelgrim, 28, voortdurend toen hem een paar jaar geleden werd gevraagd mee te doen aan een project over etnisch profileren. ‘Wij doen dat niet’, zeiden zijn collega’s, die defensief en ook boos reageerden bij de suggestie dat er onnodig werd gecontroleerd. Een gesprek erover was niet mogelijk.

Laatst, vertelt een agente, was er in de nachtdienst een melding van een poging tot inbraak. ‘We surveilleerden extra en zagen een stilstaande auto met koplampen aan – het bleek een huurauto, criminelen gebruiken die veel. In de auto zaten twee negroïde mannen, ze werden boos, dit deden we omdat ze zwart waren. We vertelden over de woninginbraken en de bijrijder accepteerde die uitleg. De bestuurder bleef boos. Vaak krijg ik te horen dat het de “zoveelste keer” is als ik iemand met een kleur aanhoud.’

Mathijs Pelgrim noemt zijn zoektocht naar onbewuste vooroordelen ‘een ontdekkingstocht’. Hij realiseerde zich gaandeweg hoe complex dat werkt in ieders hoofd. Geleidelijk werd hij zich ook bewuster van zijn eigen gedrag. Dat hij en zijn collega’s ‘nette’ mensen, ouderen en vrouwen toch iets gemakkelijker laten doorrijden. Dat is niet per se discriminatie, jonge mannen zijn nu eenmaal vaker crimineel dan oude vrouwen, dus bij hen is meer resultaat te halen. ‘Je moet snel een inschatting maken, het zou beter zijn als je er langer de tijd voor neemt. Een kwartier tussen de mensen op een plein staan en goed opletten is beter dan almaar in je auto rondjes rijden. Ik ken collega’s die dat doen tot ze een melding krijgen. Ook zijn er collega’s die ieder kenteken intikken. Ja, de benadering is heel verschillend. Ik zou zeggen: wees je bewust van wat je doet. Praat erover met elkaar, daar leer je van – die gedachtenwisseling gebeurt nog veel te weinig.’

‘Ja’, concludeert Pelgrim bijna plechtig, ‘etnisch profileren bestaat.’

Hij refereert aan een indringende instructiefilm die circuleert en die ik helaas niet mocht zien, waarin collega’s als ervaringsdeskundigen optraden. Met als schrijnend voorbeeld een joggende collega die tijdens het hardlopen een inbreker zijn slag zag slaan. Hij aarzelde geen moment en probeerde de man tegen te houden. Er ontstond een gevecht, maar toen de politie arriveerde, werd hij, de collega, in de boeien geslagen. De boef was wit en de politieman was zwart. Dramatisch en beschamend. Een andere zwarte collega vertelde in de film dat hij niet één of twee keer was aangehouden, maar talloze keren. Waarom, vroeg hij zich af. Er was namelijk geen enkele reden voor.

‘Collega’s vonden het moeilijk om deze schokkende realiteit te accepteren’, herinnert Pelgrim zich. Ze zagen het als een ver-van-hun-bed-show, als onterechte kritiek en mede door de aanhoudende kritiek op de politie groeide hun weerstand tegen de naar hun idee overdreven aandacht voor etnisch profileren. ‘Politiemensen gingen vervolgens uit angst minder proactief controles uitvoeren.’ En dat was ook niet de bedoeling. Inmiddels is er een app in de maak, waarmee een agent kan zien hoe vaak iemand gecontroleerd wordt en ook waar die check toe heeft geleid. Die kennis kan het gedrag van de politie enigszins objectiveren, hoopt Pelgrim.

De Amsterdamse politie doet de afgelopen jaren haar uiterste best om meer mensen met een niet-Nederlandse achtergrond aan te trekken. Het hoofdstedelijk korps moet ‘diverser’, de helft van de nieuwe agenten moet een migratie-achtergrond hebben, kondigde de Amsterdamse politiechef Pieter-Jaap Aalbersberg vorig jaar opgewekt aan.

Er wordt al decennia gewerkt aan een diverser politieapparaat. Abder Tonouh merkte dat toen hij twintig jaar geleden naar een informatieavond ging. Hij schrok toen hij daar alleen mensen met een niet-Nederlandse achtergrond zag, hij wist niet dat deze avond alleen voor hen bedoeld was. ‘Ik was nooit met mijn afkomst bezig geweest, ik had voornamelijk Hollandse vriendjes.’ Met verontwaardiging in zijn stem: ‘Ineens was ik de ander.’ Bij de zoals hij zegt ‘Nederlandse medemens’ duurde de selectieperiode in zijn herinnering een paar dagen. ‘En bij ons twee maanden.’ Dat onderscheid schokte Tonouh. Van zijn groep, zestig man, werden er uiteindelijk vijf aangenomen. Toen de twee groepen na een tijdje weer bij elkaar werden gevoegd, bleef dat gevoel van ongelijkwaardigheid. ‘Zo moet het niet, iedereen heeft recht op een gelijke behandeling’, vindt Tonouh, en als je niet goed genoeg bent, val je af.’ Hij vermoedt dat slechte ervaringen de oorzaak waren van deze manier van selecteren. Maar zo los je dat niet op.

Agenten met een Nederlandse achtergrond laken de roep om positieve discriminatie. ‘Zijn we dan niet goed genoeg?’ roepen ze in koor. ‘Ik werk hier nu al acht jaar’, zegt eentje, ‘en ik heb nog niemand in de wijk horen vragen om een Marokkaanse agent. Marokkaanse mensen vertellen mij ook alles.’ Die diversiteit wordt er, vinden ze, veel te veel ‘doorgedrukt’ en dat steekt. ‘Dan wordt Mohammed met extra hulp door de test gesleept, terwijl Klaas de betere papieren heeft. Je moet de beste mensen nemen en je niet zo krampachtig aan cijfers houden.’ Allemaal kennen ze wel een voorbeeld van een onterechte aanstelling of promotie. Hamza merkt dat de roep van de top om meer diversiteit op de werkvloer als een bedreiging wordt gezien, dat het polariseert. Özbek benadrukt dat kleur of afkomst niet zo belangrijk moet zijn, het gaat om een ‘open’ manier van denken. ‘Ik leer vooral veel van collega’s die andere opvattingen hebben.’

Autochtone agenten vinden dat de diversiteit hen door de strot wordt geduwd, het vooruitzicht dat ze misschien plaats moeten maken, maakt ze bovendien onzeker. Regelmatig hoorde ik: ‘Ben ik soms niet goed genoeg?’ Of: ‘Waarom moet dat zo geforceerd gaan?’ Agenten met een niet-westerse achtergrond voelen zich op hun beurt lang niet altijd geaccepteerd. Als het erop aankomt, denken ze, blijven ze ‘die ander’. Die botsende werkelijkheden maakt de diversiteitskwestie weerbarstig en gecompliceerd.

‘Het wordt tijd dat we een netwerk starten voor de doodnormale politieagent’, zegt iemand half grappend, doelend op alle belangengroepen die Amsterdam telt. Je hebt een Marokkaans politienetwerk, een Turks netwerk en eentje is roze en blauw, voor de homoseksuele agenten. Overigens is niemand tegen diversiteit en wordt het belang ervan veel meer onderkend dan in bijvoorbeeld Breda, maar het gaat om de manier waarop. Nu is dat kennelijk te bedreigend. ‘De politie praat te veel over cijfers’, constateert Tonouh. ‘Terwijl het op de werkvloer in de eerste plaats over menselijke emoties zou moeten gaan. Over de angst voor elkaar.’

Medium anp 54151084
Politie op het Amsterdamse Mercatorplein, waar fans van het Marokkaanse voetbalelftal feest vieren. De fans gingen de straat op omdat Marokko zich geplaatst heeft voor het WK voetbal in Rusland, 11 november 2017 © MISCHA SCHOEMAKER / ANP

Over die angst en hoe een verschillend perspectief grote gevolgen kan hebben voor de manier van optreden vertellen agenten aan de hand van de gebeurtenissen op 11 november 2017, toen het Marokkaanse elftal zich kwalificeerde voor het WK. Die avond liet zien hoe de aanpak van ‘verbinding’ botste met die van ‘handhaving’ en ‘repressie’. Tijdens de overdracht van de ochtend- naar de middagdienst werd gemeld dat het druk kon worden als Marokko zich zou kwalificeren voor het WK. Rond 20.45 uur vroeg teamchef Mourad Chejjar aan de dienstdoende commandant Peter Mellenberg een kijkje te gaan nemen bij het Mercatorplein, waar de inmiddels feestende Marokkanen zich begonnen te verzamelen. Er zou sprake zijn van verkeershinder, trams kwamen niet door de uitgelaten menigte.

Mellenberg trof een vrolijke boel aan en mengde zich tussen de honderden Marokkaanse feestvierders, iedereen was dolblij met de behaalde overwinning. Auto’s toeterden, mensen juichten, er waren mannen, vrouwen, opa’s en oma’s en kinderen. Mellenberg vroeg iedereen om het kruispunt te verlaten en het plein op te gaan. Ondersteuning was in aantocht. Onderweg naar het Mercatorplein zagen collega’s talloze auto’s die zich niet aan de verkeersregels hielden en over de trambaan scheurden. ‘Schrijf alle kentekens op!’ was hun eerste reactie, maar even later begrepen de agenten dat bekeuringen schrijven in deze uitzonderlijke situatie misschien niet de eerste prioriteit was.

Small lotte wagemaker krijgt vlag in haar handen gedrukt
11 november 2017. Lotte Wagemaker krijgt een Marokkaanse vlag in haar handen gedrukt

Op het plein probeerden andere collega’s ondertussen orde in de chaos te brengen. Dat was lastig omdat er telkens nieuwe feestvierders bij kwamen zodat het kruispunt een knooppunt bleef. Agenten van het August Allebé-bureau hadden ervaring met mensenmassa’s, zij waren ook aanwezig geweest bij het huis van voetballer Nouri waar een mensenmassa zich had verzameld na het bericht van zijn hartfalen. Alles verliep daar vreedzaam, door rustig te blijven, contact te zoeken en zeker door de medewerking van enkele Marokkaanse mannen die zich ook in de mensenmassa begaven. Datzelfde gebeurde nu op het Mercatorplein. Marokkaanse mannen boden meteen hun hulp aan Mellenberg aan.

Waar de een een feestje zag, zag de ander een openbare-ordeprobleem. Want de meldkamer vond het intussen helemaal geen leuk feestje, sterker nog, ze vonden het een linke situatie. ‘Ze riepen dat we werden aangevallen’, zegt Mellenberg, ‘maar dat was niet zo. Ik kon het weten, want ik stond er middenin en ik heb me geen moment onveilig gevoeld! Ik vond het wel frustrerend dat we geen einde konden maken aan die verkeersstremming.’ ‘Op het bureau hoorde ik Hamza zeggen dat Peter goed bezig was’, herinnert Lotte Wagemaker zich.

In de hele stad werden intussen agenten opgetrommeld, waaronder Hamza en Wagemaker, die in busjes naar het Mercatorplein afreisden en konden ingrijpen als dat nodig was. Ze droegen wel de lange lat en die draag je alleen als wordt verwacht dat die mogelijk gebruikt gaat worden.

In de buurt van het plein zag Wagemaker tot haar verbazing alleen plezier. ‘Feestende mensen, het verkeer stond stil, maar het was vooral één groot feest. Er was vuurwerk afgestoken, maar dat werd niet naar collega’s gegooid. We besloten in tweetallen het plein op te gaan, zonder de wapenstok. Ik feliciteerde iedereen en zei dat het een leuk feestje was’, vertelt Wagemaker. ‘We werkten hard, deden twee stappen vooruit en dan eentje achteruit.’

‘We waren met acht man van ons team’, vult Hamza aan. ‘In totaal waren er ongeveer vijftig collega’s. Toen ik arriveerde, liep ik naar Peter die zei dat alles in orde was. Er reden ook patserbakken met baldadige jongens die uit de ramen hingen. Ik haalde alles uit de kast om de boel rustig te houden, ik kreeg hulp van een boomlange man met gezag onder de jongeren. Na een tijdje was bijna iedereen op het plein: ons doel was bereikt.’

‘Ik dacht: als de lat er overheen gaat, wordt het een bloedbad. De moed zakte me in de schoenen’

Maar elders op het plein waren agenten uit andere delen van de stad die wél bang waren en die zich niet beschermd voelden, omdat de situatie chaotisch was. Er was verschil van mening over de beheersbaarheid van de situatie. De communicatie met de meldkamer bleef moeizaam vanwege het lawaai. Mellenberg, die tussen de feestvierders stond, terwijl een commandant beter buiten het incident kan blijven, dacht de zaak in de hand te hebben. Hij wilde wel meer tweetallen op het plein. De meldkamer kreeg de indruk dat de situatie riskant was, Mellenberg kon ze niet geruststellen. Was het hem boven het hoofd gegroeid?

Terwijl Mellenberg, Hamza en Wagemaker vol overtuiging de lijn van ‘verbinding’ doorzetten, bleek het commando via de meldkamer te zijn overgedragen aan een andere collega. ‘Ik draaide me om en zag ineens een linie staan’, weet Hamza nog. Een linie zet je neer om de orde, desnoods met harde hand, te herstellen. Agenten die uit de rest van de stad kwamen, voelden zich kennelijk minder veilig. ‘Zij zagen de feestvierders als de vijand’, was de indruk van Hamza. ‘En ik was in hun ogen een verrader, zo voelde het in ieder geval’, zegt hij bitter. ‘Hoe kon ik praten met dat uitschot?’

Wagemaker schrok toen ze de linie zag staan: ‘Ik was bang dat ze zouden gaan meppen en wat zou er dan gebeuren?’ ‘Vanaf het moment dat de linie er stond, werd de sfeer op het plein grimmig’, zegt Mellenberg. ‘Ik dacht: als de lat er overheen gaat, wordt het een bloedbad. De moed zakte me in de schoenen.’

Wagemaker zag een scooterrijder bij de linie die voor het rode stoplicht stilhield. Tot haar verbijstering zag ze dat hij van twee collega’s klappen kreeg. ‘Hij moest doorrijden van ze, maar het stoplicht stond op rood! Omdat ik niet wist wat er zou gaan gebeuren, voelde ik me nu ook onveilig, maar ik wilde ook niet uit mijn positie. Ik wilde op het plein blijven.’

Dat mocht niet, want de linie kon pas oprukken als alle collega’s van het plein waren. Uiteindelijk besliste René Besten, de laat gearriveerde teamchef van Overtoomse Sluis, waar het Mercatorplein onder valt, dat de linie toch niet werd ingezet. Hamza werd vervolgens gevraagd de menigte toe te spreken, uit te leggen dat ze moesten vertrekken. Hij ging met de auto het plein op, begroette de menigte met een welgemeend ‘salam aleikum’ en feliciteerde de feestvierders met de overwinning eerder die avond. ‘Wat was dit een prachtige avond’, vervolgde hij, ‘en nu krijgen jullie tien minuten van ons om het plein te verlaten. Als jullie dat niet doen, wordt er alsnog een charge uitgevoerd en dat hebben jullie dan aan jezelf te danken.’

Binnen een half uur was het plein vrij.

Van de aanwezige politieagenten ging bijna iedereen die avond met een onbestemd gevoel naar huis, sommigen waren ronduit gefrustreerd. De agenten in de linie begrepen niet waarom ze niet hadden mogen optreden, hun collega’s die ‘de verbinding zochten’ waren ontdaan over de onverwachte en wat hen betreft onnodige repressieve koers. De schade die een hard optreden, zie de rellen in 1998 en 2006, had kunnen veroorzaken was volgens hen niet te overzien geweest.

Medium anp 54151072
Amsterdam, Mercatorplein, 11 november 2017 © MISCHA SCHOEMAKER / ANP

De vraag bleef: was het een feest of waren het rellen? Interessant is dat de interpretatie van wat er ter plekke gebeurde totaal verschilde. De ene agent vond het fantastisch om bij dit feest te zijn, de andere was ronduit bang. Het was chaotisch en volgens sommigen ontbrak het aan leiding. Daarbij, zoveel opgewonden Marokkanen bij elkaar, kon dat wel goed gaan? Marokkaanse Nederlanders zijn niet bij alle collega’s even populair. ‘Sommigen zijn Marokkanenmoe’, besefte Lotte Wagemaker.

Het politieteam van het August Allebéplein wordt als ‘soft’ gezien, zeggen ze zelf, ‘te aaiend, te zoet’, volgens Wagemaker. Zelf denken de agenten uit West dat ze door ervaringen in het verleden hebben geleerd dat repressie in zulke situaties niet veel oplevert. Ze treden ‘zacht op als het kan, hard als het moet’. Of zoals het credo van Peter Mellenberg luidt: ‘Buiten winnen is binnen beginnen.’

Mellenberg, Hamza en Wagemaker benadrukken dat er die avond nauwelijks overtredingen zijn begaan. Behalve aan het begin van de avond toen een agent gehoorproblemen kreeg, nadat vlak naast hem vuurwerk was geland. Maar er zijn geen winkelruiten ingeslagen, geen banden leeg gestoken. Terwijl er in Den Haag, waar de politie wel hard optrad, ernstige ongeregeldheden waren uitgebroken.

Small marokko kwalificeert voor wkamsterdam
11 november 2017

vvd-Kamerlid Dilan Yesilgöz had op Twitter al snel haar mening klaar: ‘Als je de boel vernielt & de politie aanvalt, ben je geen feestvierder of voetbalsupporter, maar gewoon tuig.’ De Amsterdamse politiek bemoeide zich er ook mee. vvd-raadslid Marianne Poot sprak een paar dagen later tijdens een spoeddebat niet over feestvierders maar over ‘intimiderende relschoppers die dachten dat de straat van hen was’. De politie had wat haar betreft harder moeten optreden.

Reinier van Dantzig van d66 vroeg zich af waarom Poot in godsnaam een spoeddebat had aangevraagd. ‘Er is vaker sprake van voetbalgeweld, toch bespreken we dat niet iedere keer. Mij bekruipt het gevoel dat we dat nu doen omdat het om Marokko gaat.’ Hij somde een aantal wedstrijden op, zoals die tegen Standard Luik waarbij vuurwerkbommen afgingen en zeven agenten last van hun gehoor kregen, de keer toen het Schotse Celtic op bezoek kwam en dertien agenten gewond raakten. Niemand wilde toen een spoeddebat. ‘Dat dat nu wel gebeurt, werkt polariserend.’

Een week na de WK-kwalificatie organiseerde de politie een zogenaamde debriefing, bedoeld om na te praten voor degenen die er die avond bij waren. Maar de bijeenkomst in het auditorium van opleidingscentrum De Eenhoorn trok meer belangstellenden. Op de eerste rij zaten de mensen van de meldkamer, die volgens Mellenberg die bewuste avond vanaf het begin in ‘oorlogsstand’ waren geweest. De bijeenkomst verliep emotioneel, er werd gehuild, er was woede. Het zelfhulpteam dat inspringt bij heftige emoties en ooit door Mellenberg werd opgericht, was ook aanwezig. De zaal zinderde van frustratie. De manier waarop het feest werd gevierd, werd als intimiderend ervaren. Voeg daar de slechte onderlinge communicatie aan toe en je begrijpt dat agenten zich onzeker voelden. Een paar keer werd er hardop geroepen ‘Ja, maar die Marokkanen!’, daarmee aangevend dat het wel om een speciaal en moeilijk te hanteren publiek ging die avond.

Politie en diversiteit

De politietop is vast van plan het politiekorps diverser te maken. In 2017 kwam Parrhesia, een onafhankelijke denktank van de politie, met een zwartboek over discriminatie en intolerantie bij de politie met daarin persoonlijke ervaringen van agenten. Juist in dat jaar scoorde de politie goed wat betreft de instroom van agenten met een migratieachtergrond. Het streven was 25 procent, eind 2018. Dat cijfer is inmiddels gehaald. De ambitie van meer diversiteit veroorzaakt ook onrust binnen het van oudsher gesloten bolwerk. Margalith Kleijwegt sprak met tientallen agenten over hun vak in een veranderende samenleving en portretteerde twee eenheden, één in Breda en één in Amsterdam. Het verhaal overBreda stond vorige week in De Groene.

Hamza was net als een andere Marokkaanse collega niet naar de debriefing gekomen. Hij vond dat Mellenberg prima had opgetreden die avond, maar was bang dat zijn collega de volle laag zou krijgen. ‘Ik vreesde dat ik daar emotioneel van zou worden.’ Wagemaker was er wel en merkte dat Mellenberg niet serieus werd genomen toen hij zijn verhaal deed. Ze zagen hem als een softie. Een tijdje hield ze haar mond, bang dat ze gelyncht zou worden als ze iets zou zeggen. Op sociale media was ze ook al voor van alles en nog wat uitgemaakt toen bleek dat er op de avond van de WK-kwalificatie een foto van haar was gemaakt met een Marokkaanse vlag die in haar handen was gedrukt.

Wagemaker kwam tijdens de debriefing in gewetensnood: kon ze haar collega Mellenberg in de steek laten? ‘Ik kreeg kortsluiting van de manier waarop daar werd gesproken. Ze hadden het ook steeds over “die Marokkanen”. Uiteindelijk heb ik mijn mond opengedaan, maar ik werd niet serieus genomen. Ik had het gevoel dat die hele rassenkwestie eronder lag.’

Ook de teamchef van het August Allebéplein, Mourad Chejjar, voelde zich ongemakkelijk tijdens de debriefing, mede door de harde woorden die vielen. Maar hij zag ook hoe oprecht ontdaan de mannen en vrouwen van de meldkamer nog steeds waren over de gebeurtenissen van die avond.

Jaap van der Woude, teamchef Zeeburg/Amsterdam-Oost, aanwezig bij de debriefing en verantwoordelijk voor de commandant die de linie opstelde, beaamt dat er een groot verschil in beleving was. ‘Onze politiemensen kwamen in een chaos terecht en er moest orde komen. Als je een linie zet, geef je een signaal af; je stelt paal en perk aan het publiek en dat werd door de commandant die het overnam nodig geacht. De avond heeft onderling zeker wrijving opgeleverd, maar die geeft ook glans. We moeten lering uit die avond trekken en het er zeker onderling over hebben. Bij de debriefing zijn krachtige woorden gebruikt, er werd zelfs over racisme gesproken en dat is nogal wat. Terwijl ik zeker weet dat dat niet speelde bij mijn mensen. De kou is nog steeds niet uit de lucht, dus het gesprek moet binnenkort verder worden gevoerd. Ook omdat dit soort situaties, spontane feesten, vaker zal voorkomen.’

Zeker is dat veel betrokkenen een rotgevoel overhielden aan de avond dat Marokko zich voor het WK kwalificeerde. En dat er onderhuids van alles speelde, zal niemand ontkennen. De gebeurtenissen van die elfde november zouden prachtig lesmateriaal kunnen opleveren. Juist omdat iedereen het waarschijnlijk goed bedoelde, maar het perspectief van waaruit werd gedacht en gehandeld zo fundamenteel verschillend bleek te zijn.


Dit verhaal kwam tot stand met steun van Fonds 1877