Ja, hoor

Tim Henman. Bij hem heb ik het nooit kunnen winnen van Wimbledon altijd aan zijn afkomst geweten.

Dat, samen met de druk van al die Britten die hartstochtelijk wilden dat hij het een keer deed, omdat alleen dan het oudste Grand Slam-toernooi ter wereld weer zijn ware glorie zou hebben verkregen. Kijk, die grappige, extraverte Amerikanen en Australiërs en een verdwaalde Duitser of Kroaat, allemaal leuk en aardig, maar het werd toch echt hoog tijd dat een Brit het Britse toernooi zou winnen. Dat werd niet Tim, het werd een nurks joch uit Schotland (Schotland, verdorie! maar toch Brits, als het zo uitkomt).

Het Tim Henman-effect. Bauke Mollema, Steven Kruijswijk, Robin Haase, Igor Sijsling, Churandy Martina. Wat is daar toch aan de hand? Waarom zit ik voor de tv en kan ik alleen maar een gelaten ‘Ja, hoor…’ uiten als ik Bauke en Steven zie vallen, als ik Robin – als hij eindelijk eens lekker op dreef is – last zie krijgen van zijn oude knieblessure, als ik Igor zie zuchten en berusten, als ik Churandy voor de zoveelste keer op de witte lijn zie trappen? Let wel, ik doe dat liever niet, 'ja hoor’ zeggen tegen het tv-scherm. Maar het verbaast me niets. Is het geld? Zouden Mollema en Kruijswijk wél de Giro of de Tour kunnen winnen als er een paar extra miljoenen in gestoken zouden worden? Als ze omgeven zouden zijn door louter Sky-achtige meesterknechten? Als ze de beschikking hadden over nóg beter materiaal, omgeven zouden zijn door de allerbeste artsen, verzorgers, haptonomen, materiaalmensen? Ik vrees van niet. Mollema en Kruijswijk zijn geen Froome, Nibali, Contador. Zet die vijf op een rijtje en je ziet het al. Waar ’m dat in zit, weet ik niet precies, maar je zíet het.

Is het dan dus – iets wat ik zelf ook ken – een ingebakken polderminderwaardigheidscomplex? Als ik op een of ander buitenlands literatuurfestival naast Per Petterson zit, ben ik klein en is Petterson groot. Als Salman Rushdie per helikopter ingevlogen wordt, verdwijn ik van puur ontzag ín de groene bank waarop ik zit te wachten tot ik optreden moet. Terwijl daar feitelijk helemaal geen reden toe is, immers: Petterson en Rushdie en ik beoefenen precies hetzelfde ambacht. We leveren dezelfde waar. En toch, en toch. Zou Mollema als hij een berg van de 1e categorie op stoempt het lege Groningse land voor zich zien, terwijl hij vermoedt dat die kerel in de gele trui voor hem van Keniaanse heuvels droomt, en dat hij daardoor compleet van de rel raakt? Verlamt hem dat? Maakt dat dat hij onderuitgaat op een plek waar 174 andere wielrenners overeind gebleven zijn?

Of hebben we toch en altijd maar weer te maken met die oer-Hollandse begrippen als nuchterheid en calvinisme? 'Elfde in de Tour de France, nou, dán kun je fietsen hoor!’ Dat er niet een ingebakken wil is om de beste te zijn, of anders: dat het 'niet lekker voelt’ om de beste te zijn, en te blijven. Dat de veiligste plek die óp het maaiveld is, omdat vrijwel iedereen zich op die hoogte bevindt? Dat die ene meter erboven een vrijwel niet te torsen last is? Dat wij Nederlanders domweg de mentaliteit ontberen om te winnen en te blijven winnen? Ik heb weleens het idee – en ja, natuurlijk zijn er uitzonderingen, ik denk dan vooral aan zwemmers – dat Nederlandse sporters uitschietersporters zijn, die één keer iets geweldigs doen. Ellen van Langen, Epke Zonderland (hoewel die nog volop de kans heeft daar iets aan te doen), Rens Blom, Yuri van Gelder, Jan Janssen, Joop Zoetemelk, de waterpoloheren en -dames, de meeste schaatsers (met uitzondering van heer en meester Kramer, hoewel die dan weer een olympisch 10-kilometer trauma heeft). Eén keer iets geweldigs, misschien min of meer per ongeluk, juist omdat de betreffende sporter er 'even niet met zijn hoofd bij was’ of om welke reden dan ook helemaal niet bezig was met winnen of een wereldrecord.

Zijn Nederlandse sporters onbewust zen-achtige wezens, die in een bepaalde staat van zijn iets bereiken, die uitsluitend als ze bezig zijn met de weg en niet het doel tot grootse prestaties komen? En als dat doel eenmaal is bereikt met de beste wil ter wereld dat Winnie-de-Poeh-gevoel niet terug kunnen vinden omdat dat nu eenmaal inherent aan de instelling onmogelijk is?

Of zijn veel Nederlandse sporters gewoon niet goed genoeg? Trainen ze minder of minder goed dan andere sporters? Nee toch zeker? Of toch? Kan iemand als Froome het drie weken volhouden en moet Mollema noodgedwongen na tweeënhalve week afhaken? Heeft Gael Montfils domweg meer talent, uithoudingsvermogen en doorzettingsvermogen dan Robin Haase? Zal Usain Bolt altijd en eeuwig Churandy Martina eruit lopen? Nee hoor, daar geloof ik niet in. Een mens is een mens, waar ter wereld hij of zij ook woont, en ieder mens zou hetzelfde moeten kunnen bereiken.

Ik weet het niet, ik kan deze column nog eens duizend woorden langer maken, en dan nog zal ik het niet ontdekt hebben. Het zal iets 'ongrijpbaars’ zijn. En natuurlijk heb ik het als 'Ja, hoor-zegger’ op de bank oneindig veel gemakkelijker dan die sporters die ik op de tv zie. Die moeten een berg op, die moeten zeventien aces slaan, die moeten erop letten niet op een witte streep te gaan staan. En als Kruijswijk wél de Giro wint, zul je – als je hem in dat rijtje winnaars zet – misschien niet meer zien dat hij er niet in thuishoort. En twee dagen later is ergens een aanslag, IS-gerelateerd of niet, en is iedereen het weer vergeten, terwijl zijn buiteling in de sneeuw op 27 mei 2016 niet vergeten zal worden. Ik wil maar zeggen: moet je winnen? Moet je wíllen winnen? Draait het in de sport niet veel meer om het verhaal? In ieder geval voor de toeschouwer? Misschien is dat wel het allerbeste: niet willen winnen, want wat schiet je daar nou helemaal mee op? Ja, geld en eer en dat soort dingen. En als je niet wilt winnen, zul je mogelijk als Winnie de Poeh per ongeluk toch winnen, achterom kijken en 'hela hola’ denken, of 'potverdrie zeg’. En laten we wel wezen: nu Froome voor de derde keer de Tour heeft gewonnen, begint dat aardig saai en voorspelbaar te worden. Vooral voorspelbaarheid is niet fijn in sport, dat jaagt kijkers weg, dat doodt de spanning. Desalniettemin zou ik toch vanop de bank in plaats van 'ja, hoor’ weleens een keertje 'ja!’ willen roepen. Daar moet Dafne dan maar voor zorgen over een week of drie. Dafne is hors catégorie.