Ja hoor, heel erg

Het is een merkwaardig vervreemdingseffect: een overduidelijk Nederlandse toneelspeler stapt in twee klompen en begint met een Turks of Marokkaans accent het verhaal te vertellen van een geïntegreerde of geassimileerde buitenlander in een Hollands polderlandschap. Op een enorm videoscherm glijdt ondertussen het landschap voorbij waar hij soms nog van droomt - een eindeloze woestijn, zo'n landschap dat we hier niet hebben. Midden op de speelvloer ligt een klein tapijt - het ziet er oer-Nederlands uit, zo'n kleedje dat je vaak op cafétafeltjes ziet. Links ligt een berg polaroids, gezichten en gestalten uit een ver land, met wijdse en zeer on-Hollandse luchten op de achtergrond. De man in de klompen is verliefd op een Nederlandse vrouw, maar hij verbaast zich over de Hollandse gewoonten.

Hij kan ook maar niet wennen aan die vaste eettijden (om zes uur precies de dampende piepers op tafel) en aan het feit dat je niet zomaar bij elkaar kunt binnenvallen (zoals dat in Turkije - of was het toch Marokko? - kon). Aan het taalgebruik probeert hij zich fanatiek aan te passen. Maar uit zijn mond (we hebben het nog steeds over de overduidelijk Nederlandse toneelspeler die met een buitenlands accent spreekt) klinkt het woord ‘tof’ opeens heel raar.
Het drama van de voorstelling Het land in mij schuilt in die kleine, vreemde wendingen. De man kijkt toe hoe de vrouw een dansje doet, en je voelt een hopeloze kloof tussen culturen, onbegrip, en een wanhopige poging om er tenminste íets van te snappen.
De toneelspelers Jaap ten Holt en Dianne Krijnen portretteren een reeks buitenstaanders. Een Marokkaan die het woord 'zorgen’ heeft leren uitspreken, een jonge islamitische vrouw die last heeft van haar sluier, een Turkse drugsverslaafde die vooral kwaad is over alles wat hij meemaakt en die voor die woede geen woorden meer heeft, een vrouw uit Ankara die haar geliefde man is nagereisd naar Nederland en die in gebrekkig Engels vertelt dat ze met 'haar Wim’ weliswaar hier woont maar ook dat ze nog altijd niks van Nederland snapt. Het zijn schrijnende verhalen, gemaakt op basis van interviews over persoonlijke geschiedenissen van emigranten en landverhuizers.
Die basis is sympathiek, maar drama wil het niet worden. Je voelt als toeschouwer dat er bakken thuisloze ellende over je worden uitgestort. Maar die stapeldoos schrijnt op den duur niet meer. Mijn reactie ontaardde na een half uur in wezenloos geknik: ja, dat kan, dat is ook een enorm probleem, dat snap ik best, dat lijkt me allemaal bijzonder ellendig - maar dat had ik al eens ergens gelezen of gehoord. Waar zit het drama?
Het drama komt aan het eind van Het land in mij. De Nederlandse geliefde heeft uiteindelijk gekozen voor een minnaar uit Libanon. Ze wonen in een kast van een huis (jammerlijk geïllustreerd op het grote videoscherm - was dan getweëen op dat kleine cafékleedje gaan staan, dan geloof ik het ook wel zonder die uitvergrote foto, dacht ik nijdig). En in dat huis hebben ze hun eigen culturen omgebouwd tot kamers, in ieder geval eentje met een Europese en eentje met een Noord-Afrikaanse sfeer. Die dialoog aan het eind van de voorstelling doet echt pijn, vooral door het briljante spel van Dianne Krijnen, die een trieste, oer-Hollandse buurvrouw neerzet.
En met terugwerkende kracht voel je als kijker dat daar de voorstelling over had moeten gaan. Weg met al die anekdoten, laat maar zien waar het schuurt. Of maak een documentaire van al die verhalen. De titel ligt in de voorstelling besloten: Het dorp in mij.