Interview: Theo Maassen «Ja, ik kwets mensen»

«Ja, ik kwets mensen»

Vroeger was Theo Maassen vooral kwaad. In zijn nieuwe voorstelling Tegen beter weten in is hij veel positiever: «Optimisme vind ik een dapperdere instelling.»

Cabaret is voor Theo Maassen een verlengde van de manier waarop hij met vrienden over dingen praat. Grappen maken zijn leven draaglijker. Hoe harder hoe leuker. Hij denkt over zichzelf en de wereld na in het kader van het maken van een voorstelling. Hij kan mooi en gelaagd acteren, maar dat wil niet zeggen dat hij daar boeiende gedachten over formuleert: het is zoiets als «hutten bouwen in de zomervakantie».

Een momentopname tijdens de try-outs voor zijn nieuwe, vijfde programma, Tegen beter weten in. December 2005, het Konings theater in Den Bosch. Theo Maassen (39) komt balend aan in de kleedkamer. Voor het eerst is een try-out helemaal misgegaan: «De pijlers van deze voorstelling zijn kanker, dood, seks en religie. Daar moest het publiek niet om lachen. Om allerlei niet-leuke dingen wel. Niks werkte, het was afschuwelijk. Ik voelde al snel dat het mis was, en dan zit je zo gevangen in je eigen programma. Omdat je weet: dít komt nog, en dat komt nog. En als ze hier al niet om lachen of in meegaan, hoe moet dat dan straks? En dan duurt anderhalf uur lang. Drie van dit soort avonden en ik kap ermee.»

De dood van Maassens ouders speelt een grote rol in Tegen beter weten in, in tekst en décor. Zo staan er delen van de erfenis op het podium. Zijn moeder is in 2002 overleden, zijn vader vorig jaar. «Ik heb al een hoop shit meegemaakt en heb een sombere inslag. Maar zeker sinds mijn vaders dood ben ik een optimistischer mens geworden. Misschien heb ik dat van hem overgeërfd; hij was een optimist tot in de kist. Ik denk dat het ook bevrijdend werkt om zo nadrukkelijk geconfronteerd te worden met de dood. Het is zo’n heftig gegeven, dat doet iets met je. Daar kun je somberder van worden, maar ik ben het er juist minder door geworden. Ik voel me vrijer. Bij Functioneel naakt, m’n vorige show, was ik bijvoorbeeld heel kwaad en pessimistisch. Toen zei ik: een optimist is een slecht geïnformeerde pessimist. Daar ben ik het nu eigenlijk niet meer mee eens. Ik geloof niet meer dat een optimist een soort van dom is omdat hij de feiten niet onder ogen wil zien. Natuurlijk, er is elke dag reden genoeg om je polsen door te snijden of een gebouw op te blazen. Pessimisme is eigenlijk ook veel makkelijker, een soort win-win situatie. Of het valt mee, en dat is dan te gek, of je hebt gelijk en dan heb je daar de bevrediging van. Het is een soort angst om te hopen. Optimisme vind ik een dapperdere instelling.»

In de zomer van 2004 probeert Maassen voor het eerst wat ideeën uit in de Amsterdamse stand-up comedyclub Toomler. Een paar maanden later is Theo van Gogh vermoord en staat Maassen in het Betty Asfalt Complex in Amsterdam. Met een Perzisch kleedje op de grond en de vraag of de man die een dokter slaat omdat deze zijn vrouw een hand gaf, niet beter op een plek op aarde kan gaan wonen waar zijn opvattingen beter passen dan hier. «Het maken van een programma begint meestal uit verveling. Dan heb ik een paar maanden niks gedaan, alleen maar geconsumeerd. Alle films gezien, veel gelezen. En dan moet ik zelf weer iets gaan maken. Dat begint eigenlijk onbewust; ik ga niet gerichter kijken of lezen. Dat zelfreflectieve zit geloof ik in me. Ik vind het logisch dat als je op een podium dingen gaat staan beweren, je juist op die plek iets doet met thema’s als vrijheid van meningsuiting en fundamentalisme. Maar heel actueel ben ik eigenlijk nooit. Ik heb het toch meer over de tijdgeest dan over wat er in een jaar gebeurd is. Terwijl ik het persoonlijk veel vervelender vind als ik net schone sokken heb aangetrokken en in de badkamer in een plas water ga staan.»

Rondom een voorstelling heeft Maassen het liefst vertrouwde mensen om zich heen. «Mensen die ik al lang ken en die me met rust laten.» Lichtman en mental coach Hans Ackermans waarmee Maassen al sinds zijn eerste programma in 1994 naar theaters overal in het land rijdt, geluidsman Marco Jansen die op de middelbare school bij hem in de klas heeft gezeten, zus Judith die sinds bijna twee jaar zijn manager is. En Martijn Bouwman, leraar op de theateropleiding in Eindhoven die Maassen vanaf 1987 heeft gevolgd, en die hem sindsdien bijstaat tijdens de totstandkoming van zijn voorstellingen.

In de ontwikkeling van het programma dacht Maassen erover om iets te doen met het infuus waarvan zijn vader op diens ziekbed gebruik heeft gemaakt. Zus Judith en regisseur Bouwman vonden dat een minder geslaagd idee. Eerder had Maassen al besloten toch maar niet te gaan jongleren met de drie urnen waarin de resten van zijn vader, moeder en twintig jaar geleden overleden broertje zouden zitten.

«Ja, ik kwets mensen. Ik vind dat iedereen maar een flinke dosis incasseringsvermogen moet hebben. Nee, die grove grappen over mijn ouders maak ik niet om dat duidelijk te maken. Om te laten merken: als ik dit over mijn eigen leed durf te zeggen, moeten jullie ook niet zeuren als het over jullie dingen gaat. Dit is mijn manier van doen, mijn levensstijl. Het is júist leuk om grappen te maken over onderwerpen waar veel spanning bij zit. En dus over onze multiculturele samenleving, het geloof, de islam en vooroordelen. En dan ga ik natuurlijk niet de hele tijd uitleggen: eigenlijk ben ik oké en ik bedoel alleen maar dit of dat. Ik wíl juist een spannend programma maken. Volgens mij is mijn publiek voor 99 procent blank en Nederlands, maar ik zou het geweldig vinden als er een evenredig percentage van wat er in Nederland rondloopt bij mij in de zaal zou zitten. Ik wil dat we met z’n allen kunnen lachen.»

De innerlijke behoefte aan het delen van gedachten en gevoelens is voor Maassen de reden het podium op te gaan: «Het geeft een gevoel van verbondenheid. Dat je niet helemaal alleen staat. Dat je herkenning voelt en hoort. Ik denk ook wel dat het gezond voor me is dat ik dit doe. Het houdt me helder, helpt me om me niet in de chaos te verliezen. En het zijn ook maar gedachten die je hebt, geen stenen die je vervolgens de rest van je leven met je mee moet zeulen. Ik vind het eng als dat materialiseert of star wordt; die dingen zijn vloeibaar en buigzaam.»

In de try-outs merkte Maassen dat dit programma op verschillende plaatsen verschillende reacties oproept: «In Rotterdam spelen andere dingen dan bijvoorbeeld in Eindhoven. Soms wordt er in bepaalde steden op rare momenten geapplaudisseerd. Dan denk ik: wat is dit? Vinden jullie dít grappig? Of raak ik nu iets, heb ik het over iets wat jullie ook altijd al vonden en waarvan jullie blij zijn dat ik het hier nu zeg? Die heel verschillende reacties heb ik bij dit programma meer dan ooit. Ik weet niet hoe zich dat ontwikkelt. Vaak is duidelijk dat er een dialoog gaande is, waarbij ik de enige ben die aan het woord is. Dan lijkt het alsof er iets samenkomt, alsof er stofjes zijn tussen de zaal en mij. Maar die stofjes kunnen erg variëren. Soms zijn dat van die lompe tegels die op elkaar gestapeld worden, en dan vind ik mijn eigen programma banaal. Dan denk ik: wat ben ik eigenlijk een viespeuk, wat zit ik hier allemaal voor vieze praatjes te verkopen. Het gaat helemaal nergens over. Maar andere keren zijn die stofjes heel fijngevoelig en dan wordt mijn programma genuanceerd, dan heb ik het gevoel dat het over de meest essentiële zaken gaat. In elk geval voor mij. Als het goed werkt, neem ik mensen mee op een soort trip, dan delen ze in m’n gedachtegoed. En dan is het weer wél leuk om met plattere scènes op het podium te staan. Als een soort Erleichterung van alle weltschmerz. Banale dingen als tegenhanger voor al het andere.»

Een nieuwe try-out in Den Bosch. Kleine veranderingen, een iets gewijzigd decor, een poging revanche te nemen. Anderhalf uur later zit Maassen, redelijk tevreden, weer in de kleedkamer: «Dit was beter. Nu durf ik er weer iets meer in te geloven. Ik ben gewoon overgevoelig. Soms zie ik mezelf terug op band en dan snap ik niet waar ik zo moeilijk over deed. De mensen zijn toch leuk? Ze lachen, ze luisteren. Dan denk ik: het zit allemaal in mijn eigen hoofd.»

Het einde van de voorstelling is mooi, vindt regisseur Bouwman. «Ja?» vraagt Maassen. «Die laatste zin is wel goed, hè?» Hij grijpt naar zijn gemillimeterde hoofd. «Denk ik.»

Theo Maassen, Tegen beter weten in. Tournee tot juni. www.theomaassen.nl