De prijs van migratie  Importbruiden

Ja, ik wil niet

Trouwen huwelijksmigranten uit liefde voor hun in Nederland wonende aanstaande partner, of uit liefde voor een verblijfsvergunning? En waarom doet de overheid daar zo moraliserend over?

‘MET VRIJE LIEFDE heeft het ook niets te maken.’ In het voorjaar gaf PVDA-minister Eberhard van der Laan van Integratie de discussie over huwelijksmigratie een zwengel door in een interview in De Telegraaf openlijk de idee onderuit te halen dat in Nederland verblijvende Marokkanen, Turken en andere migranten allemaal uit liefde trouwen met een partner uit het land waar ze zelf of hun ouders vandaan komen.
Maar wat heeft de overheid er eigenlijk mee te maken of Mohammed of Samira trouwt uit liefde?
Opnieuw loopt het aantal gezinsmigranten – huwelijksmigranten én gezinsherenigers – op en opnieuw gaat een kabinet maatregelen nemen om het aantal huwelijksmigranten onder hen terug te dringen. Vier keer eerder gebeurde dat al: in de jaren negentig kwam er een inkomenseis die inmiddels ook al twee keer is verhoogd, vijf jaar geleden werd daarnaast vastgelegd dat de huwelijkspartner voortaan minimaal 21 jaar moet zijn en twee jaar later, in 2006, kwam daar ook nog de voorwaarde bij dat de partner een inburgeringsexamen moet afleggen voordat hij naar Nederland komt.
Na de laatste aanscherpingen daalde het aantal gezinsmigranten aanvankelijk, maar inmiddels is het weer opgelopen. De reden om in te grijpen zijn de kosten, in geld en menselijke energie, die met de constante instroom van de groep veelal kansarme huwelijksmigranten gepaard gaan. Als minister die verantwoordelijk is voor de integratie van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving ziet Van der Laan de baten van de inburgering verloren gaan als steeds opnieuw laagopgeleide vrouwen, maar ook mannen, uit Turkije, Marokko of een ander niet-westers land naar Nederland komen. Of zoals hij het dit voorjaar zei: ‘Deze voortdurende immigratie gaat onze spankracht te boven.’
Om een indruk te geven: tussen 1976 en 2006 was een huwelijk of de hereniging met een partner of ouder het belangrijkste motief voor de naar Nederland komende migrant, belangrijker dan het aanvragen van asiel, het vinden van werk of het volgen van een studie. Dat dit zo zou zijn, had het merendeel van de beleidsmakers in de jaren zestig en begin jaren zeventig niet bevroed. Toen in die jaren toestemming werd gegeven aan de hier naartoe gehaalde arbeidsmigranten om hun gezinnen of nieuwe huwelijkspartners naar Nederland te laten komen, was de gedachte aanvankelijk dat deze gezinnen terug naar het land van herkomst zouden gaan. Er waren twee redenen om toestemming te geven voor de gezinsmigratie: de morele reden dat een mens recht heeft op een gezinsleven, en de economische reden dat Nederland een aantrekkelijker land zou zijn voor gastarbeiders als ze hun gezin hier hadden. Vooral het CDA en de VVD waren destijds voorstanders van het laten overkomen van partners en kinderen.
Ambtenaren van het ministerie van Justitie hadden weliswaar voorspeld dat de gezinnen zouden blijven, maar naar hen werd niet geluisterd. Toen de buitenlandse gezinnen inderdaad in Nederland bleven, dachten de beleidsmakers vervolgens dat de gezinsmigratie een eenmalig iets zou zijn. Alleen de eerste generatie zou de partner nog uit het land van herkomst halen. Maar ook dit bleek anders uit te pakken. Ook volgende generaties blijven in groten getale partners trouwen uit het land waar hun ouders of grootouders ooit vandaan kwamen.
Bovendien kwam in de jaren tachtig de stroom asielzoekers op gang. Ook zij deden het aantal gezinsmigranten groeien, want als ze de vluchtelingenstatus krijgen, mogen ze hun partner en eventuele kinderen over laten komen.
Uit de meest recente cijfers van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) blijken gezinsmigranten, wederom huwelijksmigranten en gezinsherenigers samen, ook in de eerste zeven maanden van dit jaar de grootste groep migranten te zijn geweest. Van de in totaal 29.160 personen die een voorlopige verblijfsvergunning kregen, kwamen er 15.500 naar Nederland met als reden gezinshereniging of huwelijk. Dat is 53 procent. Ter vergelijking: in diezelfde maanden januari tot en met juli van dit jaar was zes procent een arbeidsmigrant. Daarnaast komen er ook gezinsmigranten binnen op een reguliere verblijfsvergunning. In de eerste zeven maanden waren dat er nog eens bijna vijfduizend.

HET KABINET ONDERNEEMT nu dus een nieuwe poging om de stroom gezinsmigranten in te dammen. De aandacht richt zich daarbij vooral op de kersverse huwelijkspartners, ook wel importbruiden genoemd, waar dan ook de bruidegoms onder vallen. In het vakjargon gaat het om gezinsvorming. Maar zijn dat wel de gezinsmigranten die de grote getallen maken? De IND rekent immers onder gezinsmigratie niet alleen de gezinsvorming, maar ook de gezinshereniging, het naar Nederland halen van de partner waar de betrokkene al mee getrouwd was voordat hij naar Nederland kwam en van de eventuele kinderen die in dat huwelijk al geboren zijn. Dit is een niet onbelangrijk onderscheid voor de discussie.
Zo is van de grote groep gezinsmigranten die in de eerste zeven maanden van dit jaar naar Nederland kwamen op een voorlopige verblijfsvergunning een zeer groot deel afkomstig uit Somalië. Hoewel de IND deze cijfers op haar website niet heeft uitgesplitst naar hen die hier komen als kersverse bruid of bruidegom en hen die al veel eerder getrouwd waren plus de kinderen die al uit die huwelijken waren geboren, is de kans groot dat het bij deze groep Somalische vluchtelingen gaat om gezinshereniging. Daar hebben deze Somaliërs, evenals gevluchte Irakezen of Afghanen, recht op, een recht dat is vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Nederland kan daar niet zomaar aan gaan tornen door ook aan hen bijvoorbeeld eisen te gaan stellen aan de hoogte van het inkomen van de hier reeds verblijvende migrant of aan het opleidingsniveau van de overkomende partner.
Een beter inzicht in de cijfers is daarom volgens het VVD-Kamerlid Paul de Krom een eerste vereiste in het debat over het indammen van de gezinsmigratie. Hij ergert zich enorm aan de ondoorzichtigheid van wat de IND aanlevert. In de small scale study gezinshereniging 2007 van de IND staat overigens wel hoe de verhoudingen tussen gezinsvorming en gezinshereniging lagen in de jaren 2005 en 2006: beide keren was het aantal herenigers groter, in 2006 bedroeg deze groep zelfs 62 procent van het totaal aantal gezinsmigranten.
Maar ook als huwelijksmigranten het kleinste deel van de totale groep gezinsmigranten uitmaken, wil De Krom dat er wordt ingegrepen. Om daarnaast ook het aantal gezinsherenigers terug te dringen moet volgens hem het asielbeleid veel strenger worden. De Krom twijfelt niet alleen aan de liefde tussen huwelijksmigranten, maar ook aan het vluchtverhaal van menige asielzoeker.

HET WAS DE VVD die bij de recente algemene politieke beschouwingen met een lijst eisen kwam om de huwelijksmigratie terug te dringen: leeftijd van de binnenkomende partner van 21 naar 24 jaar, de eerste tien jaar na binnenkomst geen recht op een bijstandsuitkering, een borg vooraf van 7500 euro en een verbod op neef-nichthuwelijken. Dat laatste, zo lichtte premier Jan Peter Balkenende toen al een tipje van de sluier op, zou in ieder geval genoteerd zijn op het lijstje van maatregelen dat het kabinet afgelopen vrijdag bekendmaakte. Het leidde meteen tot veel kritiek: hoe in hemelsnaam na te gaan of iemand trouwt met een familielid, zeker als dat tot in de vierde graad wordt verboden?
Het kabinet is verder niet gecharmeerd van de VVD-voorstellen, vooral het PVDA-smaldeel niet. De regering kiest niet voor een borg of een verdere verhoging van de inkomenseis of leeftijdsgrens, al wil ze naar het laatste wel in Europees verband een onderzoek gaan doen. Het kabinet zet vooral in op het bestrijden van fraude, het tegengaan van gedwongen huwelijken en polygamie en het onderzoeken of er aanvullende opleidingseisen gesteld kunnen worden aan de partner na binnenkomst in Nederland. Zal het deze keer wel het gewenste effect hebben of loopt het wederom anders dan de beleidsmakers denken?
De PVV maakt nu een heel nummer van fraude bij huwelijken. Maar vier jaar geleden vroeg de toenmalige Amsterdamse PVDA-wethouder Ahmed Aboutaleb daar ook al aandacht voor. Hij wees het kabinet er destijds op dat er voor de schijn arbeidsovereenkomsten werden opgesteld. Op basis van dergelijke valse contracten kregen bruiden of bruidegoms het recht naar Nederland te komen. Volgens De Krom wordt er nog steeds mee gesjoemeld, net als met de hoogte van het inkomen. Allemaal om toch maar aan de eisen te voldoen. Is dat allemaal uit liefde voor elkaar of uit liefde voor een verblijfsvergunning?
Behalve de fraude wil het kabinet ook de gedwongen huwelijken aanpakken. De huwelijken waarvan Van der Laan zei dat ze niks met vrije liefde te maken hebben. Maar hoe wil de minister dat controleren? Een vrouw uit het Rifgebergte laten antwoorden op de vraag of ze van haar toekomstige partner houdt? Haar vragen wat zijn lievelingskostje is? Als een arbeidsovereenkomst of de hoogte van een inkomen vervalst kan worden, dan kan een liefdesverklaring dat nog veel gemakkelijker.
Bovendien: wie zegt dat liefde de reden voor een huwelijk moet zijn? Daar heeft de overheid feitelijk niks mee te maken. Het onderscheid tussen een huwelijk uit vrije wil en onder dwang is al moeilijk genoeg; is de eis dat er liefde in het spel is niet een ongeoorloofde inmenging in iemands privé-leven? Stel dat een Marokkaanse heel eerlijk zegt: ik trouw uit vrije wil met M., maar ik houd niet van hem. Krijgt ze dan geen verblijfsvergunning?
Een paar jaar geleden pleitten hoogleraar arbeidsverhoudingen Paul de Beer en filosofe Jola Jakson ervoor om de automatische koppeling tussen een huwelijksbriefje en een verblijfsvergunning los te laten. Met als reden dat een overheid niet de eis kan en mag stellen dat een huwelijk uit liefde wordt gesloten. Om jong gehuwden toch het recht op een verblijf in Nederland niet te ontzeggen, stelden ze voor om aan hen dezelfde eisen te stellen als aan studie-, kennis- of arbeidsmigranten: het volgen van een studie, het doen van onderzoek of het hebben van werk.
Hun voorstel heeft twee voordelen: dat niet steeds wordt gefraudeerd met nieuwe eisen die door de overheid aan een huwelijk met een buitenlander worden gesteld, en dat de overheid zich niet bemoeit met de vraag of er ware liefde in het spel is. Voor de aanhangers van romantische verbintenissen is het een mooie bijkomstigheid dat dit voorstel overigens juist wel zou kunnen leiden tot meer huwelijken uit ware liefde. Voor de vergunning hoef je het dan tenslotte niet meer te doen.
Natuurlijk zitten er ook haken en ogen aan dit uit elkaar trekken van huwelijkspapieren en verblijfspapieren. Hoe verhoudt het zich bijvoorbeeld tot het recht op een gezinsleven? Maar het past wel bij het out of the box denken waar dit kabinet zo’n groot voorstander van zegt te zijn.