Ja, maar

Vermoedelijk is de grootste ziekte van deze tijd onder jongeren: onzekerheid.

Ik hoor niet anders om me heen.

‘Wat wil je doen?’

‘Ik weet het niet.’

‘Ik dacht dat je een boek wilde schrijven.’

‘Ja, ik weet het niet…’

‘Hoezo, ik weet het niet!’

‘Ik ben er onzeker over.’

Uiteraard ben ik ook onzeker bij alles wat ik doe, maar mijn onzekerheid is anders van aard. Mijn onzekerheid komt voort uit schuldgevoel: leef ik wel lang genoeg om de dingen te doen die ik wil, terwijl ik maar door blijf eten en drinken, gaat het wel goed met mijn dochter en haar kind, gaat de kwaliteit van mijn werk niet achteruit door gemakzucht of een teveel aan cynisme…

De jeugd lijdt onder een andere onzekerheid: krijg ik wel succes genoeg, ben ik wel genoeg gepassioneerd hiervoor, wat heeft het eigenlijk allemaal voor zin, moet ik toch niet gaan reizen, hoe kom ik aan mijn geld, wil ik niet liever moeder worden…

Onzekerheid, zo luidt mijn stelling, is een levensbeschouwelijk probleem.

Je wilt opeens een boek schrijven. Dan schrijf je een boek. Wil een uitgever het niet uitgeven, dan zoek je een andere uitgever of je geeft het in eigen beheer uit. Verkoopt het niet? Dat dondert niet, het is er in ieder geval. Wil je een film maken? Dan gaan we een film maken. Geen geld? Dan maken we een film met onze iPhone. Wil niemand die film zien? Dan zetten we hem op een cd’tje en gooien hem bij bekende regisseurs, recensenten en producenten in de bus. Onzekerheden over zaken als: is het verhaal wel goed, kan ik wel regisseren, wil ik eigenlijk wel actrice zijn, hoe moet ik aan mijn geld komen – die kent mijn oude generatie niet.

Als ik wel eens een lezing of een ‘masterclass’ geef (ik vraag er veel geld voor, dat u dat weet, ik haat het namelijk om te doen) dan valt het mij altijd op dat men – als het gaat om schrijven – altijd bedelt om techniekjes. Hoe schrijf ik een dialoog, hoe maak ik een scenario, hoe zet ik een verhaal op. Ik begin dan vaak een verhaal over wat techniek eigenlijk is, namelijk: een vorm van plagiaat. Jij doet iets wat ik niet kan, dus doe ik het daarna zoals jij doet. Maar hoe ik dat gebruik, weet ik niet. Het beste is zelf iets uit te vinden. Wat een goede dialoog is, wat een goed verhaal is, wat een mooie stijl van schrijven is, wordt vaak door de mode voorgeschreven. En wat de mode is en hoe die tot stand komt, weet ik niet. Het is een van de eerste vragen die ik ga stellen als ik voor God gebracht word.

Laatst weer: ‘Ja, maar, er zijn soms dialogen die ik, als actrice, mijn bek niet uit krijg…’

Dan antwoord ik: ‘Dan zijn er twee oplossingen: je doet als actrice beter je best, of je zegt tegen de schrijver: ik krijg deze dialoog mijn bek niet uit, herschrijf.’

Een slechte dialoog hoeft niets te zeggen over de kwaliteit van de schrijver.

Onzekerheid is welbewust de existentiële vraag niet beantwoorden: wat is de zin van mijn bestaan? Omdat je consequenties vreest.

De consequenties?

Ja, armoede, pesterijen, een vernietigend oordeel dat er over je wordt uitgesproken, verlies van vrienden. Zie je daar tegenop, word dan geen kunstenaar.

Ik ga denk ik daarom maar masterclasses geven waarin ik mensen ‘zeker’ maak. Vooral jonge mensen die hun ouders niet willen teleurstellen en, net als ik, lijden aan een groot schuldgevoel. Maar hun schuldgevoel is anders dan het mijne. Ik voelde mij schuldig omdat ik wist dat ik mijn ouders ging teleurstellen (‘Word toch advocaat of dokter’), maar jongeren van ­tegenwoordig voelen zich schuldig tegenover zichzelf. Ze kunnen alles, maar weten niet waarom.