‘ja, maar…’ piepte hij

De Getuigen van Jehova komen mijn huis niet in. Daar doe ik niet ingewikkeld over. Maar wat te doen als er op een zondag een man op de stoep staat die je, in tranen, de vraag stelt: ‘Buurman… Bestaat God wèl of niet?’

Dus trok ik mijn jas aan en ging met hem een blokje om.
‘Uw vraag is eigenlijk niet relevant’, hoorde ik mijzelf oreren. 'Belangrijk is dat God zich niet laat zien. U, buurman, trouwens wij allemaal, wij zijn ooit verwekt en geboren. De geboorte is een genade. Daar zijn wij onze ouders eeuwig dankbaar voor, net als voor het feit dat zij op een dag sterven om ons eindelijk de ruimte te geven ons in alle vrijheid te ontwikkelen. Zo wil kennelijk ook God (de vader) niet voor pottekijker spelen. Dus waarom zouden wij de zaak ingewikkeld maken?’
'Ja, maar…’ opperde de buurman. Je hoorde zijn hersenen knarsen.
Ik besloot hem te overbluffen en schreeuwde in zijn oor: 'Als God meent zich schuil te moeten houden, wie ben jij dan wel om het te wagen naar Hem te zoeken!’
'Ja, maar…’ piepte hij andermaal.
'Oké, jij je zin. God bestaat niet. Want niemand kan tegelijkertijd onsterfelijk en almachtig zijn. Wie geen zelfmoord kan plegen, is niet almachtig en wie wèl zelfmoord plegen kan, is niet onsterfelijk.’
De buurman drukte mij warm de hand om vervolgens van deur tot deur de atheïst uit te hangen.
De stakker!
Hij kon de genade van de twijfel niet aan.