Awater Poëzieprijs 2014

Ja menneke

Voor de zevende keer vroeg poëzietijdschrift Awater in december ‘beroepslezers’ uit Nederland en Vlaanderen om een top-drie van dichtbundels uit het afgelopen jaar. Dit levert niet alleen de winnaar van de jaarlijkse Awater Poëzieprijs op, maar ook tien aanbevolen bundels.

Medium cover heemstra

Maar liefst 29 medewerkers van onder meer de Volkskrant, De Morgen, NRC Handelsblad, Poëziekrant, De Groene Amsterdammer en Awater leverden hun lijstjes in van favoriete dichtbundels uit het afgelopen jaar. Met een simpele optelsom (drie punten voor elke nummer 1, twee voor nummer 2 en één voor nummer 3) kon worden vastgesteld welke bundel in het afgelopen jaar de hoogste ogen gooide. In voorgaande edities waren dat bijvoorbeeld Bij eb is je eiland groter van K. Michel, Eiland berg gletsjer van Anne Vegter, Mijn naam is Legioen van Menno Wigman en Tempel van Mustafa Stitou. Hoewel de geldelijke beloning gering is, slechts een vijftigste van de VSB Poëzieprijs, wordt de Awater Poëzieprijs toegekend door een bijna zes keer zo grote jury. Overigens is tot nu toe geen enkele bundel uit hetzelfde jaar bekroond met zowel de Awater- als de vsb-prijs. Wel eindigden vier van de vijf vsb-genomineerden dit jaar in Awaters top-tien.

Als we naar de uitgevers kijken, springt vooral het succes van De Bezige Bij in het oog: drie keer ging een bundel uit het poëziefonds van De Bezige Bij er met de prijs vandoor. Ook in 2014 scoort deze uitgever met afstand het hoogst: acht titels uit het fonds zijn in totaal dertig keer genoemd, wat een puntenaantal van 68 oplevert. Ter vergelijking: Querido, nummer twee onder de uitgevers, scoort met vier titels die achttien keer worden genoemd 33 punten. Daarop volgen met kleinere getallen achtereenvolgens Nieuw Amsterdam, De Arbeiderspers, Prometheus en nog tien uitgevers.

Vier bundels van De Bezige Bij haalden de top-tien, waaronder Marjolijn van Heemstra’s Meer hoef dan voet, die vier keer werd genoemd en zeven punten vergaarde. Met souplesse weet Van Heemstra in haar tweede bundel eigen overpeinzingen en zintuiglijke ervaringen te verbinden met zaken van een omvang die het individuele verre overstijgt, tot het kosmische aan toe. Het is aan haar originele en weldoordachte manier van formuleren te danken dat de boel onderweg niet genadeloos uit de bocht vliegt. Integendeel: het aardse en het buitenaardse, het dierlijke en het menselijke, het kleinste en het grootste, alles krijgt onder Van Heemstra’s pen een raadselachtige samenhang: ‘in mij sleept een slak zich prehistorisch kalm/ terug naar het begin en een mens zich naar het einde’.

Ook Wij totale vlam van de Vlaamse meesterverteller Peter Verhelst, verschenen bij Prometheus, werd vier keer genoemd en kreeg in totaal zeven punten. In zinnelijke gedichten schetst hij volgens criticus Paul Demets ‘de onmogelijkheid om de schoonheid van het moment te vatten’. Verhelst schrijft: ‘We zijn altijd op zoek geweest naar andere kleine dingen/ die kleine dingen die pijn doen onschadelijk maken’. Het levert een zeer intens logboek op van een reis naar de verste uithoeken van de menselijke geest, naar ‘de plek waar we de naam nog niet van kennen’.

‘In de schaduw van de dood was Teerlinck een dichter die het leven bezong om de dood te bezweren’

Henk van der Waal, wiens In de ogen van de god (Querido) ook zeven punten en vier vermeldingen kreeg, is door collega-dichter Robert Anker ‘de dichter van de afdaling, in de ziel, in de taal’ genoemd. Van der Waal zoekt in zijn lyrisch-filosofische zesde bundel inderdaad steeds weer de diepte op, om met ernstig taalplezier te tasten naar de kern van ‘dat je bent/ een denkend beginsel/ dat huist in het woud/ van je vlees’. Geen lichte kost, maar een voedzame maaltijd die tot nakauwen noopt, met als toetje deze heerlijke ‘vintage-Van der Waal’-slotregels:

want wie de zelfonthulling
in de ogen van de god
weerspiegeld heeft gekregen
weet de noodzaak in zich gaande
om al sprekend in die genoegdoening
te verdampen
om al turend in die toewending
te verstuiven
om al struinend in die omstrengeling
te vervliegen

Medium cover brassinga

Voor haar gehele dichterlijke oeuvre zal Anneke Brassinga in mei de P.C. Hooft-prijs in ontvangst nemen. Wie haar gedichten leest, stapt volgens de Hooft-jury ‘binnen in een geestverruimend heelal van taal’, en ook haar meest recente bundel, Het wederkerige (De Bezige Bij; vier keer genoemd, acht punten) biedt die leessensatie. Zoals Matthijs Ponte in de nieuwste Awater opmerkt: ‘Brassinga weet als geen ander te peuteren aan en te wroeten in de taal. Het lezen van haar poëzie is daarmee behalve een poëtische, ook een etymologische ervaring. Ze diept betekenismogelijkheden op waar we ze vergeten waren.’ Belangrijker nog is dat de dichter haar diepgaande taalkennis niet slechts aanwendt om er savante spelletjes mee te spelen, maar vooral om met ‘de kortstondige kracht van het zwakke’ de strijd aan te gaan met de talloze bedreigingen waaronder het leven soms haast bezwijkt, de dood voorop.

Ook Ademgebed van Martijn Teerlinck (acht punten, vier vermeldingen) is geschreven met de dood in het vizier. Zeer letterlijk helaas: de dichter kampte met een aangeboren en levensbedreigende afwijking van zijn bindweefsel en overleed in 2013, op 26-jarige leeftijd, nog voordat uitgeverij Lebowski zijn debuut uitbracht. Drie jaar eerder won hij het Nederlands Kampioenschap Poetry Slam. ‘In de schaduw van de dood was Teerlinck een dichter die het leven bezong om de dood te bezweren’, schreven de dichters Erik Jan Harmens en Pim te Bokkel in een in memoriam dat in Awater verscheen. In een beeldtaal die zowel exuberant als secuur is, kanaliseert hij zijn angsten en geeft hij stem aan zijn levensdrang, en weet: ‘door onze verkokerde ogen/ bekeken/ zijn wij niet meer dan/ momenten van vlees’.

Medium cover teerlinck

‘Wij hebben ons verspild en zijn hier aangespoeld/ als wrokkig wrakhout’, beschrijft Leonard Nolens in Opzichtige stilte (Querido, tien punten, zes keer genoemd) zijn conditie en die van zijn lotgenoten in de kliniek waarin hij terechtkwam en van waaruit het leeuwendeel van de bundel geschreven lijkt. Al bijna een halve eeuw laat Nolens zien dat wat hem betreft werk en leven in een zeer direct verband met elkaar staan. Wat hij ons lezen laat, biedt zicht op ‘de totale Nolens’. De stoffering is nieuw nu, maar de stem van de dichter blijft ook in zijn nieuweling uit duizenden herkenbaar. ‘Beklemmend, scherp en toch ook geestig’, zoals Janita Monna het noemt.

In hetzelfde jaar als Nolens, 1969, debuteerde Habakuk II de Balker, die na zeven bundels voortschreef als H.H. ter Balkt. Van hem verscheen verleden jaar bij De Bezige Bij de monumentale verzamelaar Hee hoor mij ho simultaan op de brandtorens (twaalf punten, vier vermeldingen): bijna achttienhonderd pagina’s in dundruk, voorzien van een dubbel leeslint. ‘Leest het best met je laarzen in de modder’, volgens Merijn Schipper, en bevat naast alle regulier verschenen bundels van Ter Balkt ook een groot aantal gedichten die eerder alleen te vinden waren in losse tijdschriften of bibliofiele uitgaven, én een omvangrijke bundeling van werk uit Ter Balkts tienerjaren dat nooit eerder in druk verscheen. Bovendien zijn alle Laaglandse hymnen die in de loop van de tijd verschenen nu bij elkaar gebracht om een indrukwekkende Nederlandse (of Europese) geschiedschrijving in verzen te bieden.

‘De mythische geschiedenis geeft zin aan de menselijke worsteling met angst en schaamte’

Met vijf vermeldingen en twaalf punten eindigde Archaïsch de dieren (De Arbeiderspers) van Hester Knibbe op de derde plaats bij Awater. Intussen is de bundel over ‘alles wat ons menselijk maakt’ bekroond met de VSB Poëzieprijs. In haar vloeiende verzen is de hedendaagse werkelijkheid altijd nabij, onze culturele voorgeschiedenis nooit ver weg. In de woorden van de vsb-jury: ‘Verwijzingen naar de actualiteit krijgen een existentiële lading in deze context van antieke en bijbelse verwijzingen. (…) De mythische geschiedenis geeft zin aan de menselijke worsteling met angst en schaamte.’ Beperkt en bang, maar ook koppig en barmhartig schuifelen we uiteindelijk door de dagen: ‘Laten we// daar eten drinken en geven// de zanger genoeg om dronken te worden/ de bedelaar wat hem toekomt’.

Medium cover hester knibbe archaisch de dieren klein

Van een geheel andere orde en insteek is Ik trek mijn species aan, de derde bundel van Sasja Janssen (vijftien punten, zes vermeldingen): ‘Een zelfbevalling’, zoals dichter en _Awater-_recensent Willem Thies het noemt. ‘Genoeg gedicht over ik’, schrijft Janssen meerdere keren, maar geen bundel van het afgelopen jaar bood een meer persoonlijke en intensere zoektocht naar de eigen identiteit. Lucide en nerveus keert de dichter zichzelf en haar species telkens binnenstebuiten; de tussentijdse uitkomsten noteert ze gevoelig, fel en stellig, maar geenszins gerustgesteld. ‘Ik trok daarna mijn species uit, om te zien of ik leeg was/ om te zien of ik dat durfde, de bloedeloosheid ik durfde.// De anderen loerden naar hoe ik was, dat er niets van me/ overbleef, moest er wat overblijven van mij of iets?’

Voorlopig blijft de traditie gehandhaafd: ook dit jaar kennen de vsb- en de Awater-prijs elk hun eigen favoriet. Bijna de helft van de _Awater-_respondenten nam dezelfde bundel op in zijn lijstje, een bundel ‘die imponeert (en beklemt) door de rijkheid, de verrassende wendingen, het tragische, het tragikomische − en ten slotte vooral door de onverschrokkenheid van de dichter’, aldus hoofdredacteur Edwin Fagel.

In een veelheid van vormen, variërend van beklemmende (dag)droomsequenties tot een rechtbankverslag met Twitter-commentaren, van interviews tot televisiequizverslagen, wordt een geweldige geschiedenis gefabuleerd rond de negentiende-eeuwse Zuid-Afrikaanse krijgsheer Sjaka Zoeloe. ‘Eerste feit. Op van alles en nog wat ben ik gebaseerd/ niet op de waarheid − ja menneke, dat zou je wel willen hè/ zei mijn moeder altijd’. Op weergaloze wijze vermengt de dichter fictie, non-fictie en poëzie, om zijn wrede en bizarre held onze tijd in te trekken, en onze bizarre en wrede tijd aan hem te spiegelen. Met dertien vermeldingen en 34 punten gaat de Awater Poëzieprijs 2014 naar Alfred Schaffers zesde reguliere bundel, Mens Dier Ding (De Bezige Bij).


De Awater Poëzieprijs

De Awater Poëzieprijs is de prijs die poëzietijdschrift Awater jaarlijks toekent aan wat volgens een grote groep ‘beroepslezers’ (poëziecritici, -wetenschappers en -bloemlezers) de beste bundel van het afgelopen jaar was. De Awater Poëzieprijs 2014 (bestaande uit vijfhonderd euro en een unieke Awater Poëzieprijs Mok) wordt aan het eind van de Week van de Poëzie uitgereikt, tijdens het Gedichtenbal in de Amsterdamse Stadsschouwburg, op woensdagavond 4 februari aanstaande.

Uit Nederland en Vlaanderen werd aan de prijs bijgedragen door medewerkers van Awater, Boekenkrant, CultuurBewust, De Groene Amsterdammer, De Leeswolf, De Morgen, De Standaard der Letteren, de Volkskrant, DWB, Het Liegend Konijn, Het Parool, Leeuwarder Courant, Literair Nederland, Meander, NRC Handelsblad, Ons Erfdeel, Poëziekrant/Poëziecentrum, Radboud Universiteit Nijmegen, Terras, Trouw, Universiteit Utrecht, Versspreken, Vrij Nederland, 8weekly