Ja, onmiddellijk!

Een uitroepteken dient om een zin met klem af te sluiten, en wordt slechts overtroffen door een groepje uitroeptekens (eventueel met een extra vraagteken), of met woorden of zinnen in drukletters. Soms is er woede in het spel, en stijgt onverwacht het volume van de in stilte gelezen tekst. In een uitroepteken valt een gestrekte wijsvinger te herkennen, samen met de vermanende autoriteit van wie het beter weet.

Maar in plaats van kracht kan er ook van machteloosheid sprake zijn: de uitroep voltrekt zich zonder dat de schrijver (of zijn personage) het wil, en het leesteken maakt van een gewone mededeling een kramp, een kreet of een kreun.

Herkomst van de Duitse schrijver Botho Strauss (1944) is een tekst van nauwelijks honderd bladzijden, met toch 56 uitroeptekens – een gemiddelde van één uitroepteken per dubbele pagina, hoewel de frequentie in de eerste helft van het boek beduidend lager ligt dan in de tweede. Er zit flink wat variatie in de strekking van die verzameling uitroeptekens. Strauss blikt terug op zijn kinderjaren, en in het bijzonder op het leven van zijn vader. Het verleden ontsnapt hem, niet omdat hij het niet kan beschrijven, maar omdat het niet langer toegankelijk is – omdat zoveel van vroeger voorgoed voorbij blijkt, en zich zelfs niet meer in een actuele versie aandient. Over het Goethe-gymnasium waar hij school liep, schrijft Strauss: ‘Ah, dat vertrouwde, beklemmende gebouw! Dat grote, grove rechthoekige blok, altijd als ik aan die tijd terugdenk een school, vroeger een inrichting!’ Soms wordt het uitroepteken ingezet om nostalgisch toe te geven dat hij terug wil naar vroeger, bijvoorbeeld om opnieuw de oorlogsverhalen van zijn vader te horen: ‘Wat zou ik er niet voor over hebben om hem nog één keer alle details van die helse nacht te horen schilderen en de volle kracht van de levenswendende treffer via de gelatenheid van de verteller, van de overlevende, in me op te nemen!…’ En heel af en toe duikt ook de cultuurcriticus op, bekend van Paren, passanten en Niemand anders, fragmentarische klassiekers uit de jaren tachtig, beide vertaald in de reeks Privé-domein. Strauss neemt de maat van de hedendaagse mens door middel van gedetailleerde en originele observaties, zoals wanneer hij de geliefde handen van zijn vader vergelijkt met de ‘aan zichzelf plukkende en trekkende, zich verhaspelende handen’ van ‘tegenwoordig’. ‘Zulke vuistjes lijken meer op zieke bladeren die hun ontstoken randen naar binnen rollen. Er had veel kunnen gebeuren wat niet is gebeurd, dat is wat ze uitdrukken. Kleine klauwen die altijd ontzien zijn!’

Medium gettyimages 541774459
‘Dat grote, grove rechthoekige blok, altijd als ik aan die tijd terugdenk een school, vroeger een inrichting!’

In dat laatste uitroepteken zit pessimisme vervat, en minstens een verlangen naar autoriteit, ingegeven door de overtuiging dat de totale vrijheid voor de meeste mensen geen positieve gevolgen heeft. Een flinke vaderfiguur moet dankbaar en liefdevol worden gehoorzaamd, en ook dat wordt door Strauss niet ontkend. ‘Misschien ben ik nooit een vrolijk weeskind van de rebellie geweest’, schrijft hij, ‘dat af wilde van zijn vader en bij wie levenslang van woede het zweet uitbreekt als hij wordt geconfronteerd met macht in de vorm van een machthebber, en neig ik daarom tot de opvatting dat de macht waarover veel mensen niet beschikken een beter leven toebedeelt dan de macht die door velen wordt gedeeld.’ Dat is waarschijnlijk enkel aan de oppervlakte antidemocratisch, en bovendien kan er gediscussieerd worden over de vraag of het Strauss tot een links of een rechts denker maakt. In elk geval voegt hij er zelf vergoelijkend aan toe, zonder uitroeptekens deze keer: ‘Maar dat zegt iemand die altijd alleen maar van autoriteit heeft geprofiteerd, voor wie voorbeeld, meesterschap en leiding in opvoeding en beroep vanzelfsprekend waren, en die daardoor altijd alleen maar is gestimuleerd en nooit onderdrukt.’

Dankzij meer van zulke dialectische passages wordt Herkomst toch een evenwichtig boek: Strauss weerlegt veel van zijn heimweevolle uitroepen, en bekritiseert geregeld eenzijdig enthousiasme voor het verleden. ‘Zou je echt in die bol willen, zou je nog een keer terug willen naar je wereldje van vroeger? Ja, zou ik roepen, onmiddellijk!’ En dan komt het besef dat het weinig zou uithalen, en dat zo’n rooskleurig verleden een fictie uit het heden is. ‘Zou je echt worden teruggeplaatst naar de complete herinneringsloze realiteit van je vroege bestaan, dan zou het daar absoluut niet aangenaam toegaan. Nooit heb je dieper gewanhoopt dan in de uren van compleet onschuldige wanhoop. Nooit heb je zo’n hard en puur ongeluk gevoeld als in de onrust en de dwarsheid van het ontwaken.’

Herkomst eindigt met een mooie, metaforische maar toch mysterieuze beschrijving van de presse-papier van vader Strauss: ‘een ronde steen van onyx, die mij, als ik hem vandaag aanraak, het gevoel teruggeeft voor de kleinheid van mijn kinderhand’. Een raar voorwerp, dat makkelijk door andere vervangen kan worden, maar dat zelf maar voor één ding bruikbaar is. Ook de vader van Botho Strauss, van beroep apotheker en chemicus, schreef papiervellen vol. Hij maakte op z’n eentje een ‘kritisch-satirisch maandblad’ naar het voorbeeld van Karl Kraus, met een oplage van twee- tot driehonderd exemplaren. Zijn zoon geeft toe nooit iets van Eduard Strauss te hebben willen lezen. Als de jonge Botho toch uit het tijdschrift werd voorgelezen, voelde hij zich ‘afgestoten’ door de ‘reactionaire uitvallen’ van zijn vader. Diens enige boek werd in 1943 in het Nederlands vertaald. Hij bleef er een leven lang trots op, en voelde zich in hoge mate miskend. De titel had van Botho kunnen zijn: Niet zo vroeg sterven!


Beeld: Botho Strauss neemt de maat van de hedendaagse mens. Foto Ullstein Bild / Getty Images