Ja zo is het

Mattias is de man die alles wil, zich alles voorneemt, grootse plannen maakt, op reis gaat zonder voorbereiding, altijd nieuwe dingen uitprobeert. Kernzin: ‘Mattias had het nooit over voorbereiding, en al helemaal niet over dagelijks leven.’ Hij weet zeker dat hij gelukkig kan worden, als hij maar wil. Dan sterft hij en blijven we verbijsterd achter. Peter Zantingh schreef een verhalenroman over rouw. Allerlei personages die Mattias gekend hebben, de een beter dan de ander, komen voorbij. We krijgen verhalen van en over zijn vriendin, een vriend, daar een kennis van, een roadie van de band waarvan hij het concert bezocht, zijn grootouders, zijn moeder en nog een paar. Soms zijn het verhalen waarin Mattias niet eens een grote rol speelt. Gewone verhalen over mensen die hun hoofd boven water proberen te houden. En zo ontstaat langzamerhand een beeld van die lieve en rare, opgewekte en wereldvreemde jongeman, maar ook van zijn familieleden en min of meer bekenden.

Amber, zijn vriendin, herinnert zich ‘het spontane dat hem leek te omringen’, zelf voelt ze zich beklemd in haar kleinburgerlijkheid. Zijn moeder herinnert zich dat hij een keer thuiskwam met een blauw oog. Iemand had voorgedrongen in een garderobe en hij had er iets van gezegd. ‘Hij kreeg een klap. Zijn wenkbrauw lag open. Hij sloeg niet terug.’ Ze probeert haar leven zin te geven via taalles aan vluchtelingen. We betreuren als lezer samen met deze figuren symbolisch Mattias’ dood. Op het einde weten we nog steeds niet precies wie Mattias was en wat hem dreef. Hij is het geheim dat de personages met elkaar delen en ineens kwam er een einde aan zijn leven, hoe, dat onthult de schrijver maar met mondjesmaat. Hij houdt niet van bloederige taferelen.

Mattias is het geheim dat de personages met elkaar delen en ineens kwam er een einde aan zijn leven

Fraai is het verhaal van Quentin met wie Mattias een koffieshop wilde opzetten. Het bleef bij een plan, Quentin legt zich nu toe op het begeleiden van een blinde, Chris, die graag wil hardlopen. Met een touwtje zijn ze met elkaar verbonden en zo lopen zo door de straten van de stad. Verderop krijgen we diezelfde looptochten voorgeschoteld, maar nu beschreven vanuit de belevingswereld van Chris. ‘Je denkt natuurlijk dat het ingewikkeld is. Met zo’n stok.’ En verderop nog zo’n typisch laconieke en ingehouden geestige Zantingh-zin: ‘Het is lang geleden dat je zoon of dochter iets schattigs deed en je géén camera tussen jullie in duwde.’ Cynisme en gevoeligheid vlak bij elkaar, zo zet Zantingh zijn verhalen op en wil hij al te veel emotionele inleving op een afstand houden. Daarbij probeert hij, door zijn inventieve schrijfwijze en stilistische klasse, al te grijs realisme te mijden. Voorbeelden te over, hierboven staan er een paar.

In sommige verhalen lukt dat minder goed en krijgen we het echt voor onze kiezen. Bijvoorbeeld in het verhaal over de grootouders van Mattias die langzamerhand ondergaan in wederzijdse kwelling. Wat is er nog overgebleven van de oorspronkelijke liefde? Ik wil dat als oudere lezer en echtgenoot natuurlijk niet weten en zat er handenwringend naar te kijken. ‘Er waren nachten met felle ruzie, dat hij de kamer uit beende en zij huilde in het kussen. Zij zag hoe het niets meer deed. Dat was nog het ergste. Vroeger smolt hij als ze huilde.’

Small peter zantingh  amsterdam 2018  3   koos breukel
Peter Zantingh – Cynisch en gevoelig © Koos Breukel

Zo gaat het vast vaak bij anderen. Tegelijk bekroop me het idee dat Zantingh zich hier te veel liet leiden door het algemene idee dat we hebben, of dat ons wordt aangepraat, over de uitdovende liefde op latere leeftijd. Hij zet ons hier het te veel bekende voor. Waarom niet literair doorzetten en er een krankzinnige tearjerker van gemaakt, of een horrorstory? Nu zat ik er bedachtzaam bij te knikken: ja, het valt niet mee met de liefde tussen ouderen. Maar ik wil helemaal niet bedachtzaam en gevoelvol knikken bij literatuur (‘daar ben ik voor behandeld’) en, nog erger, een schrijver ergens gelijk in geven. Daar lees ik niet al die boeken voor. Ik wil de onbekende wereldzee op van de literatuur, aan de trapeze hangen van het afgrijzen, van het ongehoorde, of van de verwoestende grap.

Datzelfde gevoel bekroop me bij het verhaal over de vluchtelinge Tirra die haar boosaardige zoon op het rechte pad probeert te houden. Te veel politierapporten en sociologische congressen steken hier de kop op. Veel jongeren belanden in verkeerde kringen en raken de kluts kwijt. Ja, zo is het, maar doe toch als schrijver net alsof je die rapporten niet kent (‘nee, ik lees nooit rapporten’), hou ze zo ver mogelijk van me vandaan. Laat me niet te vaak denken: ja, het is erg en wat heb ik veel medelijden met de ouders, de hulpverleners en de jongeren. Al is medelijden natuurlijk wel een fijn, zij het een enigszins dof gevoel.

Zantingh toont zich in deze verhalenroman opnieuw een bedreven schrijver met een groot en warm gevoel voor miskende en emotioneel gemankeerde figuren. Daarover twijfelde ik na lezing geen moment. Maar toch. Misschien moet een schrijver, ik heb het nu ook tegen mezelf, zijn talent juist en vooral wijden aan iets wat we sinds het einde van de achttiende eeuw ‘literatuur’ plegen te noemen. Niet aan de bestrijding van het menselijk tekort dus. Minder werken met sociaal gevoel, ik geef toe dat dit verregaand onbehoorlijk klinkt en is, dat ik me diep moet schamen. Meer literair gevoel dus, meer literaire wanhoop en literaire ambitie, ondanks alles. Meer net doen alsof literatuur weinig tot niets te maken heeft met wat we uit de krant al weten.