Jaap

Op de eerste dag zag ik een fuut. Gewoon een fuut. Op de tweede dag viel me op dat ik hem voortdurend zag. Aan het einde van die dag heette hij Jaap. Misschien was hij wel een zij, dat is met het blote oog niet te zien, immers: ‘geslachten gelijk’ zegt Petersons Vogelgids. Op de derde dag was ik blij ’s ochtends vroeg Jaap te zien duiken en opduiken, duiken en opduiken. Hij was mijn vriend geworden, wat ik natuurlijk al had kunnen beseffen toen ik hem een naam gaf. Er waren daar ook meerkoeten, die boeiden me niet. Ik zag niet eens de oeverzwaluwen, omdat ik steeds maar Jaap in de gaten hield. Ik wilde hem op de foto zetten, hij was echter cameraschuw en nooit kwam hij boven waar hij verdwenen was. Op de vierde dag kwam Jaap als een torpedo omhoog, ik dacht aan een grote rat of een snoek. Tot ik op de vijfde dag zag dat er een ander, veel slinksere vogel rondzwom: de aalscholver. Ik vermoed dat ze elkaar onder water tegen het lijf gezwommen waren. Ik heb die aalscholver geen naam gegeven, gooide een tak in het water. Hij moest weg, dit was tussen mij en Jaap. Soms loerde ik met de verrekijker naar de grote zilverreiger aan de overkant van het brede water, al snel was ik weer tevreden met Jaap en het blote oog. Nooit zag ik hem met een visje bovenkomen, dat at hij dus onder water op.
Op de zesde dag was de wind iets afgenomen, deinde Jaap wat minder. Harde regen deerde hem niet. Bijna ontging me dat pal boven mijn hoofd twee 'schuurdeuren’ overvlogen, omdat ik net 'Nu heb ik je’ tegen Jaap gemompeld had, en de camera erbij pakte. Daarna bespiedde ik de zeearenden een tijd met de verrekijker. Maar toen het donker werd, de zevende dag naakte, keek ik weer naar hem, zijn kopje draaide heen en weer, het water was bijna vlak. Hij was heel erg mooi. Nu ben ik weg en Jaap blijft daar rustig duiken en opduiken, duiken en opduiken. Onverdraaglijk.