Philip Dröge: Meesterspion Bernhard

Jacht op een fantoom

Philip Dröge

Beroep: meesterspion: Het geheime leven van prins Bernhard

Uitg. Vassallucci, 212 blz., € 16,95

«Berlijn, 1933. Voor de garage staat op een waterige herfstochtend een eenzame figuur. De magere en bebrilde midden twintiger is gekleed in een onberispelijke, zwarte rijbroek met daaronder gloednieuwe rijlaarzen. Onder de dikke kaki jas is nog net een donkerbruin uniformhemd te zien; de zwarte stropdas rond de kraag wordt op zijn plaats gehouden door een glimmende metalen dasspeld met daarop prominent een hakenkruis. Op het hoofd draagt hij een zwarte pet met daarop het Totenkopf-insigne en weer de adelaar met het beruchte hakenkruis.»

Aldus het veelbelovende begin van Beroep: meesterspion: Het geheime leven van prins Bernhard van de hand van de jonge journalist Philip Dröge (Volkskrant, De Morgen, De Groene Amsterdammer). Dröge aarzelt niet en neemt de lezer meteen bij de hand naar de moeilijkst liggende episode uit Bernhards loopbaan, te weten zijn wilde studentenjaren in Berlijn. Dat de prins lid was van de SA, de SS, de NSDAP en het National-sozialistisches Kraftfahrerkorps (NSKK) wisten we al van Bernhard-biografen Wim Klinkenberg en Alden Hatch, maar Dröge duikelde in het Bundesarchiv in Berlijn nog een ander belastend lidmaatschap op, namelijk dat van de hitleriaanse paramilitaire jeugdbeweging Sturm. Bernhard zou daar al voor de machtsovername van Hitler in 1933 aan verbonden zijn geweest. Een pijnlijke vondst, ook voor de prins zelf.

Enige jaren geleden leidde de publicatie van Bernhards NSDAP-lidmaatschap door de historici Gerard Aalders en Coen Hilbrink in hun boek De zaak-Sanders nog tot een nationale rel. De prins ontkende bij hoog en laag dat hij lid was van de NSDAP (terwijl hij vreemd genoeg nog in de jaren zestig zijn mogelijk veel zwaarder wegende SS-lidmaatschap wél had opgebiecht aan zijn Amerikaanse hagiograaf Alden Hatch) en probeerde via zijn contacten met Aalders’ werkgever het Riod nog zijn gram te halen op de auteurs. Nu komt daar het lidmaatschap van Sturm overheen. Bernhard heeft zijn activiteit in het nazistische verenigingsleven altijd afgedaan als spielerei, alleen maar bedoeld om zijn examens makkelijker te kunnen halen en bovendien te kunnen leren vliegen, en in ieder geval van nul en generlei waarde.

Dröge waagt dat laatste te betwijfelen en citeert in dat verband een getuigenis van SS’er Friedrich Karl freiherr von Eberstein, een aristocratische nazi die tijdens het Tribunaal van Neurenberg verklaarde dat de toetreding van de prins van Lippe-Biesterfeld tot de SS van buitengewone, propagandistische waarde was. Bernhard en zijn broer Aschwin vervulden daarmee een voorbeeldfunctie die van grote invloed bleek op col lega-aristocraten en de Duitse bourgeoisie, aldus Von Eberstein.

Was Bernhard Leopold Friedrich Eberhard Julius Kurt Karl Gottfried Peter von Lippe-Biesterfeld, Graf von Schwalenberg und Sternberg, in zijn jonge jaren niet toch heel wat enthousiaster voor de bruine horden dan hij zelf tot nu toe heeft willen doen geloven? Dröge wijst op het troebele nazi-milieu waarin Bernhard zich stortte door zich in 1931 te vestigen in het Berlijnse studentenhuis Bleibtreustrasse 38. In dat in art deco-stijl opgetrokken herenhuis woonden Bernhard en Aschwin samen met Heinrich en Paul Langenheim, twee al evenzeer aan de SS verknochte broers, wier vader Adolf als Ortgruppenleiter van de Auslandorganisation Marokko van de NSDAP de hoogste Duitse fascistenleider in Noord-Marokko was. De Langenheims waren betrokken bij de machtsovername van Franco in Spanje, die vanuit Noord-Afrika (en met steun van veelal Berberse soldaten) werd georganiseerd.

Een andere huisgenoot was Walter Wunderlich, zoon van een Berlijnse kroegbaas en SS’er sinds 1932. Wunderlich trad in 1938 in dienst van de Sicherheitsdienst. Daarnaast was hij actief in de SS-organisatie Lebensborn, zo onthult Dröge. Lebensborn was een SS-project ter creatie van een zuiver arisch ras door middel van de techniek van de selectieve voortplanting. Wunderlich en de Langenheims waren overigens alledrie speciaal genode gasten op het huwelijk van Juliana en Bernhard in 1936, alwaar ze paleis Noordeinde tijdens het besloten huwelijksfeest in rep en roep brachten door aan te treden in de zwarte uniformen van de Spaanse fascisten van Franco.

Na deze vernietigende opening houdt de lezer zijn hart vast voor wat komen gaat. Wordt de prinselijke reputatie definitief afgeslacht door debutant-royaltywatcher Dröge? Gelukkig voor Bernhard wordt de soep bij Dröge in het resterende deel wat minder heet gegeten. De gevarenzone dreigt nog wel enige keren (bijvoorbeeld als Dröge op grond van een in 2001 vrijgegeven rapport van MI5 schrijft over de hechte relatie tussen Bernhard en Christiaan Lindemans, alias King Kong, de verrader van de Slag om Arnhem), maar telkens ontbreekt het laatste, beslissende zetje, zodat de horden fanatieke Bernhard-believers ook door Dröges boek niet definitief afscheid zullen nemen van hun idool als de oervader van het verzet.

Dröge richt zich in Beroep: meesterspion uitsluitend op Bernhards activiteiten in het schemerige milieu van de internationale spionage. Na Berlijn komt de lezer terecht bij het inlichtingenbureau van IG Farben NW7, waar Bernhard op het spoor komt van zijn toekomstige bruid, en van daaruit volgen we de prins op zijn lange queeste door de wereld van het internationale spionnen wezen. Daarbij komt Bernhard vooral naar voren als een door alle partijen in te huren freelancer, voor wie het in eerste instantie gaat om welbegrepen eigenbelang. Dröge brengt Bernhard in verband met de Poolse geheime dienst, de Britse MI5 en MI6, de Amerikaanse OSS, de CIA en het duistere Zuid-Afrikaanse huurlingenleger van Operatie Lock. Maar net als de lezer weet hij het antwoord niet te geven op de vraag waar Bernhards sympathie al die jaren nu precies heeft gelegen.

Dröge wil vooral geen morele scherp slijper zijn, zo lijkt het. Die morele waardevrijheid is zowel de kracht als de zwakte van zijn boek. Op beslissende momenten vervaagt de figuur van Bernhard weer tot dat ongrijpbare fantoom, een Nederlands-Duitse 007 van wie niemand precies weet wat hij aan hem heeft, een probleem waar intimi uit de kring van Bernhard, zoals Ian Fleming en zijn journalistieke vriend Sefton Delmer, ook al mee hebben gekampt. De loyaliteit van een dubbelspion — of misschien wel driedubbelspion — is daar natuurlijk inherent aan. Bernhard is nooit voor één gat te vangen. «Zoals de meeste spionnen zullen we Bernhard — in ieder geval voorlopig — nooit leren kennen», zo luidt dan ook de moedeloos makende slotzin van Beroep: meesterspion. Dat is, hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk nogal onbevredigend.

Dröge distantieert zich nadrukkelijk van het werk van zijn voorloper Wim Klinkenberg, wiens Bernhard-biografie uit 1979 vooral uitging van de these dat de prins in de eerste plaats de belangen van zijn eerste vaderland trouw is gebleven, en dat hij die verborgen sympathieën na de oorlog vooral botvierde in Zuid-Amerika, waar hij nauwe banden aanknoopte met Führer-freundliche dictators als Juan Perón in Argentinië en Alfredo Stroessner in Paraguay. Dröge volgde dat spoor en ontdekte belangwekkende gegevens over de prinselijke financiële steun aan operatie Condor, het grote Zuid-Amerikaanse meesterplan om alles wat links was te elimineren (culminerend in de moord op president Allende in Chili door Pinochet, die ook al op steun uit Soestdijk blijkt te hebben kunnen rekenen).

Toch onttrekt Dröge zich aan het prinselijke loopbaantraject dat wijlen Klinkenberg publiceerde in zijn Bernhard: een politieke biografie. Tekenend is dat hij het pionierswerk van Klinkenberg nog niet eens noemt in zijn bronvermelding, wat toch wel een curieuze omissie mag heten, alsof je een biografie van Jezus schrijft zonder in te gaan op het Nieuwe Testament. Uit het oeuvre van collega-bernhardoloog J.G. Kikkert citeert Dröge weer wél veel, mét bronvermelding, terwijl Kikkert op zijn beurt weer zeer schatplichtig aan Klinkenberg is. Het zal toch niet zo zijn dat Dröge heel politiek correct vindt dat een boek geschreven door een verstokte communist als Wim Klinkenberg niet als bron mag fungeren? Noblesse oblige, en de politieke biografie van Klinkenberg is hoe dan ook onontkoombaar voor een ieder die zich met het fenomeen Bernhard bezighoudt.

Het negeren van Klinkenberg leidt er bij Dröge bovendien toe dat hij essentiële contacten van Bernhard en zijn familie over het hoofd ziet. Zo schreef Klinkenberg in het hoofdstuk «Prinses Armgard of De Koffiezendingen der Nederlandse Regering» in zijn boek Buitenlandsche Zaken (1991) op grond van tal van originele documenten overtuigend over de relatie tussen de Lippe-Biesterfelds en Abwehr-chef Wilhelm Canaris. Die connectie is bij Dröge een soort missing link, een lacune die echter gemakkelijk had kunnen worden opgevuld als hij Klinkenberg de erkenning had gegeven die hij in dezen verdiende.

Dit laat evenwel onverlet dat Dröges exercitie alleszins de moeite van het lezen waard is. Uit tal van archieven duikelde hij intrigerende details op. Bijvoorbeeld over Bernhards harmonische relatie met Heinrich Focke, vliegtuigbouwer van Adolf Hitler en als zodanig verantwoordelijk voor de dood van tal van collega-piloten van Bernhard bij de RAF. Focke zag na de oorlog zijn vliegtuigfabriek Focke-Wulf tot puin gebombardeerd en hoopte op herstel van zijn imperium via Nederland. Bernhard bestond het als inspecteur-generaal van de Nederlandse krijgsmacht zelfs aan de Nederlandse regering voor te stellen om Focke aan te trekken bij wijze van Wiedergutmachung. Dat werd geweigerd, waarna de verbitterde vliegtuigbouwer de wijk nam naar Brazilië. Focke-Wulf fuseerde uiteindelijk overigens wel met de Nederlandse vliegtuigfabriek Fokker. En zo staan er nog wel meer behartigenswaardige zaken in het vlot geschreven boekje van Philip Dröge, dat in de eerste plaats moet worden gezien als een ideale introductie. Vooralsnog is de Bernhard-markt nog lang niet verzadigd.