Brusseprijs

Jacht op klein wild

Amsterdam, 2016 © Gueorgui Pinkhassov / Magnum / ANP

Het vertrekpunt van Het recht van de snelste is een jongetje van negen dat weigert te accepteren dat ‘mensen de kans om op straat dood te gaan in wiskundige formules proberen te vatten’. Dat jongetje komt op de helft van het boek ter sprake, het is de kleine Marco te Brömmelstroet die ziet hoe zijn vriendje Dion, die achter een bal aanrent, wordt doodgereden: ‘Er kwam veel bloed uit zijn hoofd.’ Bij hem thuis wordt er na de begrafenis nauwelijks over gepraat, later gaat hij de gebeurtenis uit de weg uit angst om als getraumatiseerde activist te worden weggezet, in plaats van als hoogleraar urban mobility futures.

Te Brömmelstroet, alias de Fietsprofessor, schreef samen met journalist Thalia Verkade een boek over een fenomeen dat zo alomtegenwoordig en allesbepalend is dat we het, gelijk een vis het water, nauwelijks waarnemen: het verkeer en de bijbehorende infrastructuur die de manier waarop we leven diepgaand beïnvloeden. Of eigenlijk: zij schreef het boek, hij was degene die de onverwachte, fundamentele vragen stelde waarop het boek een antwoord probeert te geven. En dat is een ongewone rolverdeling, want normaal is de journalist juist degene die de deskundige met vragen confronteert en hem uitdaagt zijn zekerheden te laten vallen.

Het resultaat is een aanstekelijk boek over de samenhang tussen verkeer en ruimte. Het strekt zich uit van zaken zo prozaïsch als de afstelling van verkeerslichten en de beslissing van Lego om fietspaden te schrappen tot het verhullende taalgebruik dat onze blik richt en ons denken stuurt. Neem de opmerking dat ‘het verkeer vaststaat’, wat alleen betekent dat auto’s ergens niet door kunnen rijden, en dat verbloemt dat de meeste mensen – treinreizigers, fietsers, voetgangers – zich gewoon blijven verplaatsen. Of neem de geijkte uitdrukking ‘kwetsbare verkeersdeelnemers’, die maskeert dat voetgangers en fietsers pas kwetsbaar zijn geworden toen er grote, zware voertuigen op de weg verschenen – waarom noemen we die laatste dan geen ‘gevaarlijke verkeersdeelnemers’?

Lego krijgt onder druk van handtekeningen nu brede fietspaden

Het recht van de snelste is bij uitstek een politiek boek, dat voortbouwt op het verzet én de successen uit de jaren zeventig. Het begon allemaal met journalist Vic Langenhoff van De Tijd, die de stoot gaf tot de oprichting van comité Stop de Kindermoord. Hij schreef: ‘Een van de drieduizend verkeersdoden van 1971 was mijn jongste kind, zes jaar oud, op weg naar school van de weg gereden door iemand die met vol gas een onoverzichtelijke bocht in reed (ƒ 150,- (68 euro) boete: misdadig rijden is goedkoper dan u denkt).’ De pressiegroep zocht de confrontatie aan de hand van posters van een platgereden kinderfietsje en de tekst: ‘Jacht op klein wild. Het hele jaar door.’ En was daarmee succesvol: de auto werd ingedamd, de woonstraat deed zijn intrede, later gevolgd door het woonerf.

In 2000 – inmiddels was het aantal verkeersdoden met tweederde gedaald – was het lot van Kinderen Voorrang!, zoals het comité inmiddels heette, bezegeld: het werd door de subsidiegever gedwongen tot een fusie met de voormalige tegenstander, het veel grotere en machtigere Veilig Verkeer Nederland. Daarmee was het perspectief van de voetganger uitgewist. Enigszins onthutst schrijft Verkade, jaargang 1979 en zelf moeder van twee kinderen: ‘De grootste slachting was voorbij. Ik had geen idee dat die had plaatsgevonden, en hoe die was gestopt.’

Verkade en Te Brömmelstroet treden nadrukkelijk in de voetsporen van de pressiegroep. Weliswaar is hun toon rustiger en hun aanpak genuanceerder, maar dat maakt ze niet minder radicaal. Ze rekenen voor: zeshonderd doden per jaar, plus een vijfvoud daarvan aan ernstig gewonden, en hun families, vrienden en collega’s, en dat jaar in, jaar uit, dan heb je het over honderdduizenden mensen die direct of indirect worden getroffen: waarom zou je dat accepteren?

De laatste jaren krijgt de strijd tegen de dominante rol van de auto de wind opnieuw in de zeilen. Shared space – de openbare ruimte zo inrichten dat de snelheid van het verkeer wordt verminderd en verkeersregels niet meer nodig zijn – is in feite een woonerf in een modern jasje. Ook het massaal opheffen van parkeerplaatsen, het autoluw maken van binnensteden en de inrichting van fietsstraten, waar de auto te gast is, passen in het denken van de jaren zeventig. In zijn nieuwe woonplaats Ede lukte het Te Brömmelstroet om het schoolplein autovrij te laten inrichten. Al blijft het de omgekeerde wereld, constateert hij, dat ‘wie een andere invulling van het schoolplein wil dan de richtlijn voorschrijft, niet iemand [is] die iets anders wil, maar iemand die tegen de norm ingaat: een activist’.

Dat Verkade voor de Correspondent werkt is te merken aan de krachtige, persoonlijke manier van schrijven, en soms ook aan het wat sterk aangezette verbaasde toontje – denk Rutger Bregman. Samen met de Fietsprofessor is Verkade ook na het verschijnen van het boek, nu anderhalf jaar geleden, blijven hameren op het aambeeld van de inrichting van onze straten en steden. Die aanhoudende inzet leidt tot een levendige uitwisseling met andere activisten. En soms tot merkwaardige overwinningen: vorige maand meldde Verkade dat Lego onder druk van tienduizend handtekeningen overstag is: naar aanleiding van een initiatief van de Nederlandse ambtenaar Marcel Steeman – ‘gevoelsleeftijd 10’ – krijgt Legostad binnenkort fietspaden die de volledige breedte van de straat innemen.