Boekreizen

Jachtgeweer

Wat gebeurt er als een boek of schrijver je zo nieuwsgierig maakt naar een bepaald oord dat je er daadwerkelijk naartoe afreist?

Pas na vijf keer zoeken kon ik het juiste gebouw vinden. Ik wist dat White’s aan St James’s Street lag, midden in Londen , maar het lukte me niet het juiste gebouw te vinden. Nu is het logisch dat de meest exclusieve herenclub niet in manshoge letters zijn naam op de gevel heeft staan, maar pas toen ik ’s avonds over de straat liep, en spotlights op een witte, bezuilde gevel zag vallen, dacht ik: dat moet het zijn.

Prins Charles is lid van White’s, een hele reeks markiezen, hertogen en admiralen. Edward St Aubyn is lid, een van mijn favoriete Britse schrijvers, zijn stamboom gaat terug tot voorbij de inval van Willem de Veroveraar. Hoeveel white privilege me zal worden verweten, hoeveel cultureel kapitaal ik vergaar, nooit zal ik hier zomaar binnen mogen lopen.

In het eerste deel van St Aubyn’s autobiografische romans rond zijn alter ego Patrick Melrose wordt verteld hoe vader Melrose zijn clubgenoten vermaakt met een safari-anekdote. Hij is het type man voor wie snob een te klein begrip is. Zijn vingers staan kromgebogen van de reuma, maar hij blijft piano spelen. Hij is arts, maar heeft zijn carrière nooit echt doorgezet. Hij vertelt dat tijdens een safari een soldaat zwaargewond raakte, niets aan te doen, einde oefening. Maar de man bleef maar kermen op zijn doodsbed, terwijl zijn reisgenoten van hun maaltijd probeerden te genieten. Uiteindelijk liep vader Melrose met een jachtgeweer de ziekenboeg binnen, verloste de man uit zijn lijden, zodat er rustig verder gedineerd kon worden. ‘Ik denk dat toen mijn liefdesrelatie met de geneeskunde begon…’

Later in het boek misbruikt de vader zijn zoontje Patrick – zomaar, in een opwelling. Na afloop vraagt hij zich af of dit ook materiaal zou zijn voor een sterk verhaal in zijn herenclub.

Voor de deur van White’s kon ik niets zien. Geen inkijkje door een raam was mogelijk; ik stond er even, liep weer verder, ging een winkel in, kocht een boek, en botste bijna tegen een man aan. Enorme donkerblauwe jas, eentje waarin je kon verdwijnen. De man liep verder. Ik kon niet ophouden met lachen. Kon niet missen. Hij liep richting St James’s Street. Ik ging achter hem aan, haalde hem bij een oversteek in.

‘Pardon, bent u niet Edward St Aubyn?’

Ik moet hem met een krankzinnige grijns hebben aangekeken.