Jachtrecht op de goyiem

Jeruzalem – Het heeft even geduurd, maar nu is het er toch: het 230 pagina’s tellende praktisch handboek voor joden, dat aan de hand van bijbelteksten met annotaties handige tips en richtlijnen geeft voor het vermoorden van goyiem. Sinds het verschijnen, enkele weken geleden, gaan exemplaren van Toraht Ha Melech (De koning van de Thora) als warme broodjes over de toonbanken van religieuze jeshiva-scholen en wordt het boek aanbevolen door verschillende prominente rabbijnen.

De auteur is rabbijn Yitzhak Shapiro, voorzitter van de Od Yosef Chai-jeshiva uit de illegale joodse nederzetting Yitzhar op de Westelijke Jordaanoever. Zijn antwoord op de vraag welke niet-joden mogen worden vermoord, is eenvoudig. Goyiem die het land van Groter Israël voor zichzelf opeisen, die helpen om joden te vermoorden, die schadelijke blasfemie verspreiden en degenen die door hun meningsuiting de soevereiniteit van Israël verzwakken, zijn een bedreiging voor Ertzenoe (ons vaderland) en dus mag je ze doden, zelfs als zij niet verantwoordelijk zijn voor de bedreigende situatie. Shapiro verzekert: ‘Als we een goy vinden die gezondigd heeft of de zeven Noahide geboden heeft overtreden – want wij (joden) zijn de geboden – dan is moord beslist niet verkeerd.’
Hij gaat nog een stap verder, want de ‘licence to kill’ geldt ook voor de onnozelen van geest: ‘Zelfs (niet-joodse) baby’s en kinderen mag je doden, als duidelijk is dat zij zullen opgroeien en ons bedreigen (…) en als je een slechte leider kunt dwingen om zijn wrede acties te staken door zijn kinderen te vermoorden.’ Wraak, vindt de rabbijn, is een noodzaak onder joods recht.
Shapiro verwijst niet naar concrete kandidaten voor de joodse wraak; te denken valt aan Palestijnen, Arabieren, soldaten of linkse buitenlandse journalisten. Maar om elke onzekerheid van joodse kolonisten over de omvang en legitimiteit van hun jachtrecht weg te nemen, wordt nu een brochure in nederzettingen verspreid die aangeeft: ‘Het is onnodig om uit te leggen dat de conclusies in het boek zich niet beperken tot de situatie uit de oudheid.’
Het boek veroorzaakte een golf van verontwaardiging en afgrijzen in religieuze Israëlische kring, waar wordt benadrukt dat dit enkel het standpunt van ultrarechtse, extreem-religieuze joden is. Maar extreem-rechtse joodse groepen kolonisten in de Westelijke Jordaanoever zien het als een vrijbrief. Sinds het uitbreken van de tweede intifada voltrekt zich daar een soort coming out. Volgens de Israëlische ngo Btselem is er de laatste tijd een grote toename van geweld van joodse kolonisten tegen Palestijnen. Wekelijks zijn er incidenten waarbij Palestijnen worden geslagen of mishandeld, olijfboomgaarden ontworteld en huizen in brand gestoken.
Natuurlijk vormt het boek van Shapiro niet de mening van mainstream Israël en zelfs niet van de meeste orthodoxe joden. Maar de vraag die opkomt, is hoe Israël zou reageren als een islamitische kadi een soortgelijk boek in Israël zou publiceren en verspreiden.