Jack walvis, zuiveraar

Jack Walvis werd op 11 mei 1937 geboren in Rotterdam. Hij werkte als inspecteur in het verzekeringsbedrijf, trouwde in 1964 en heeft twee kinderen. Hij werd ontslagen aan het eind van de jaren zeventig omdat hij zich te veel met de zaak-Aantjes bemoeide. Hij leeft nu van een bijstandsuitkering, omdat hem, net als zijn ouders, een WUV-uitkering werd geweigerd. ..LE ‘Ik had na de oorlog gerechtigheid willen zien. Dat de foute man, van klein tot groot, bestraft zou worden. Dat de bestolen joodse mensen schadevergoeding zouden krijgen, niet alleen financieel, maar dat zij ook in hun menselijke eer zouden worden hersteld. Dat is nog steeds niet publiekelijk gebeurd.

Toen ik zag dat ze de jongens lieten lopen die schuldig waren, ben ik ze zelf gaan zoeken. Dat was geen gedrevenheid door emotie, geen gedrevenheid door woede, nee, dat was zuiver de wens naar gerechtigheid.
Kort en goed, ik ben zelf gaan zoeken naar die misdadigers. Ik begon in Limburg, waar het bijzonder makkelijk was. Het waren vooral de KVP'ers, de mensen van de partij Kijken Voelen Pleiten, die in de fout waren gegaan. Zo iemand als De Quay en zijn vriendjes die in de Nederlandse Unie zaten. De verpakking was na de oorlog veranderd maar de mensen waren dezelfde gebleven.
De verzetsbeweging kwam met zwartboeken en daar stonden die mensen gewoon met naam en toenaam in. Het was dus heel gemakkelijk ze te vinden. In die tijd haalde ik er nog vaak de pers bij, dat lukte toen nog wel. Vanaf de jaren zestig is er een verzadiging gekomen. Men redeneerde van: “Ach, het was een jeugdzonde, dat moet je die oud-SS'ers nu maar vergeven”, en dergelijke stumperige argumenten meer. Alsof achter elke oud-SS'er niet honderden vermoorde joden stonden, onder wie mijn familieleden.’
Zo werd Jack Walvis een kleine Nederlandse Wiesenthal, die op kleine Nederlandse oorlogsmisdadigers jaagde. ‘Mijn ouders hebben altijd veel kranten gelezen en zagen de bui vroegtijdig hangen. Mijn moeder heeft een groot deel van de familie van mijn vader aan onderduikadressen geholpen. Die hebben het allemaal overleefd, terwijl anderen, die mijn vaders goede raad in de wind hadden geslagen, het niet hebben overleefd. Toen de oorlog, althans in het zuiden, voorbij was, was ik zeven jaar. Het laatste half jaar van de oorlog zat mijn vader ondergedoken en ik ook, op verschillende adressen. Ik heb het meeste meegemaakt n† de oorlog. Toen is de oorlog eigenlijk pas echt voor mij begonnen.’
'Eind jaren veertig is mijn vader gaan procederen om de winkels terug te krijgen van mijn zuster en zwager. Die winkels waren tijdens de oorlog in handen gekomen van een Verwalter, een soort curator die de zaken waarnam zolang de eigenaren er niet waren. Maastricht werd in 1944 bevrijd en vlak daarvoor werden die winkels voor een appel en een ei verkocht aan de vent die er toen in zat. Mijn vader heeft geprobeerd om via arrondissementsrechtbanken de zaak terug te vorderen maar hij heeft al die zaken verloren. Advocaten in Limburg weigerden hem bij te staan en dus moest mijn vader een advocaat uit Amsterdam laten komen. Dat kostte veel geld. Kortom, mijn vader kreeg niets terug, zelfs geen schadevergoeding.
Ook met de teruggave van de winkel van hemzelf waren er moeilijkheden. De belasting kwam hem al in 1946 vertellen dat hij geld uit die winkel had onttrokken om onderduikers te betalen en de belasting vond dat dat niet mocht. Mijn vader heeft hierdoor tot het einde van zijn leven problemen met de belasting gehad.’
'Destijds was ik een kind, maar ik herinner me dat er altijd wel een pastoor of dominee voor die dieven in de bres sprong onder het motto: “Maar hij heeft toch spijt betuigd. Vergeef het hem nu maar!” Je kon in die periode tussen 1945 en 1950 geen zaak winnen in Nederland. Je mocht al blij zijn als je weer wat kon en mocht doen. Je kreeg je pand niet terug, je kreeg je spullen niet terug, die waren allemaal ingepikt. Je kreeg ook geen opvang, er was niets, helemaal niets!
De meeste mensen zeiden: “Gut joh, ik dacht dat jij allang dood was.” Gezuiverd werd er zo minimaal mogelijk. Daar had niemand belang bij, zeker de hoge heren niet. Toen ik het spel beter in de gaten kreeg en blijkbaar niemand anders het meer deed, ben ik zelf gaan snuffelen en rommelen.
Wij lazen naast katholieke bladen ook De Waarheid. In Nederland hebben na de oorlog vooral de roomsen de dienst uitgemaakt en die waren zwaar gekant tegen de goddeloze communisten. Men zag heus wel in dat Nederland vergeleken met de andere bezette landen verreweg de meeste joden had laten wegvoeren. Toen in 1948 de staat Israel werd opgericht, hielp Nederland die jonge staat aan wapens en munitie. Voor de teruggekomen en opgedoken joden in Nederland zelf deed men in die tijd nauwelijks iets. De oud-SS'ers werden nota bene al vrij snel na de oorlog opgenomen door de Nederlandse Inlichtingendienst, in vaste dienst!’
'Ik heb veel zaken uitgezocht voor mensen die dat niet zelf wilden opknappen. Ik heb er zeker honderd gedaan. Geen grote oorlogsmisdadigers, maar Nederlandse jongens die eigenlijk tien jaar hadden moeten zitten en daaraan hadden weten te ontkomen. Nederlanders die maatschappelijke functies hadden en na de oorlog in plaats van twintig jaar slechts twee jaar zaten en dan nog gratie kregen van koningin Juliana, die ook weigerde doodvonnissen te tekenen. Die Drie van Breda hebben we ook te danken aan Juliana’s weigering om doodvonnissen te tekenen. De rest van de zestien of meer misdadigers die indertijd in Breda zaten en twintig jaar tot levenslang hadden gekregen, zijn via de hulp van een fietsenhandelaar bijna allemaal ontsnapt. Naar Duitsland! Zij zijn tot op heden niet uitgeleverd, omdat Nederland weigert er moeite voor te doen. Louter uit laksheid. Als je je de hele dag met dit soort zaken bezighoudt, word je mesjokke.’
'Ik zie het zo dat deze hele verdoezeling van de feiten begonnen is met het huwelijk in 1937 van prins Bernhard en prinses Juliana, want daar is iets gebeurd wat voor een zogenaamd neutraal land absoluut niet door de beugel kon. Het is nog steeds verboden, ik meen tot 2050, om de beelden te vertonen van het moment waarop de wederzijdse volksliederen gespeeld moesten worden. Na het Wilhelmus en het Duitse volkslied werd toen ook nog het Horst Wessellied ten gehore gebracht, indertijd het martelaarslied van de SS. Opdat ook bij dit huwelijk van een Duitser de armen omhoog zouden gaan in een Heil-Hitlergroet.
Over dit geval is her en der wel iets geschreven, maar de zaak aan de orde stellen is tot op heden eenvoudig onmogelijk. Ik ben daar zo op gebeten omdat het verbod om er dieper op in te gaan volgens mij enorm remmend heeft gewerkt op een eerlijke geschiedschrijving. Men mag in dit land de foute daden van het koningshuis in het recente verleden eenvoudigweg niet ter discussie stellen.
Ik heb eens, tijdens een rechtszaak, het portret van de koningin omgedraaid. Toen de rechter vroeg waarom ik dat had gedaan, heb ik het bovenstaande uiteengezet. Toen is het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie gebeld waar men de feiten rond dat huwelijk bevestigde. Ik ging vrijuit.
De hoge heren hielden en houden elkaar de hand boven het hoofd en reiken elkaar de onderscheidingen aan, wat hun verleden ook verder mag zijn geweest. De Oranje-Bovenjongens maken de wet uit, de rest telt niet mee. Nederland staat hetzelfde te wachten als wat nu in het buitenland gaande is: dat men niet alleen op jacht gaat naar het gestolen geld en de gestolen goederen van de joden, maar dat men ook onderzoek zal gaan doen naar het meer dan verschrikkelijke verraad dat in Nederland jegens de joden is gepleegd en dat men nog steeds probeert te verdringen.’